Profiel: De leraar

Eersteklas sukkel

Er schijnt van alles mis te zijn met de leraar. Zijn maatschappelijke positie, zijn functioneren, zijn werkdruk – het lijken allemaal punten van zorg. En van alle kanten komen de adviezen en oplossingen. De leraar die al deze aandacht serieus neemt, en zich verdiept in de analyses en remedies, loopt grote kans hoorndol te worden en komt in ieder geval aan één ding niet meer toe: lesgeven.

Het is natuurlijk niet vreemd dat de leraar een veelbesproken vak heeft, want iedereen heeft ervaringen met de beroepsgroep. En die ervaringen zijn, bewust of onbewust, het referentiepunt van elke beschouwing over het leraarschap. Ze doemen meteen weer voor je op, die leerkrachten van de middelbare school. De lerares Engels, die met overslaande stem en wanhopige ogen smeekte of we alsjeblieft even wilden opletten. En de leraar Nederlands, die met een enorme sigaar in zijn mond spiedend de klas rondkeek en genoot als hij kleinerende opmerkingen kon maken over uitgerekend die leerling die toch al een beetje buiten de boot viel. Gelukkig was er de geschiedenisleraar. Die kon niet alleen meeslepend vertellen over de Franse Revolutie of de opkomst van het nationaal-socialisme, maar liet je ook voelen hoe vernederend het lot van neger slaven was door je voor de klas te halen en je als een echte slavenhandelaar te «keuren». Deze man gaf de doorslag om zelf ook geschiedenis te gaan studeren, en zodoende was hij medeverantwoordelijk voor het feit dat ik zelf leraar werd.

De meest belangrijke categorie waarmee de leraar te maken krijgt, is uiteraard de leerling. Om met de twaalfjarige brugklasser te beginnen. Uitzonderingen daargelaten leeft hij nog in harmonie met zijn ouders en kijkt hij tegen hen op. De leraar valt grofweg in dezelfde leeftijdscategorie als zijn ouders en bovendien lijkt hij veel te weten. Werkt die kennisvoorsprong aanvankelijk in het voordeel van de leraar, na enige tijd begint zich dit juist te wreken. In de ogen van menige puberende leerling is kennis verdacht, want saai en vervelend. Voor leerlingen die al een tijdje op school zitten, vallen leraren uiteen in twee categorieën: populair (lees: vet, cool, gaaf, tof) en impopulair (uitgedrukt in het standaardvocabulaire van de grondwerker). En hoewel het vak dat de leraar geeft een aanzienlijke rol speelt — iemand die levensbeschouwing geeft kan nog zo aardig zijn, de gymleraar is altijd cooler — wordt die populariteit afgemeten aan de vraag in hoeverre de leraar nog enige raakvlakken heeft met de belevingswereld van de puber. Weet hij wat de nieuwste single van Limp Bizkit is? Kan hij tegen een geintje? Kun je bij hem terecht met problemen? En vooral, gebeurt er bij hem in de les weleens iets ongewoons of onverwachts?

Deze criteria blijven bij het ouder worden van de leerling een rol spelen, al wordt het oordeel steeds kritischer. Na een tijdje dringt zich bij een groot deel van de leerlingen één fundamenteel «inzicht» op: de leraar is een sukkel! In dezelfde periode dat de vader van zijn voetstuk valt, omdat hij niet de sterkste en knapste papa blijkt en een «gewone» betrekking heeft, is het ook met de autoriteit van de leraar gedaan. Die eco nomieleraar, die zo royaal onvoldoendes uitdeelt, waarom werkt die eigenlijk op school als hij zoveel van economie afweet? Waarom is hij niet zijn eigen bedrijf begonnen? Waarom komt hij op een fiets met twee van die lullige kinderzitjes naar school en scheurt hij niet langs in een vette BMW? En zo’n docent geschiedenis, die mag dan wel de universiteit hebben afgemaakt, maar als je je interesseert voor al die dooien, dan ben je toch niet helemaal fris!

Helaas worden nogal wat leerlingen in dit oordeel gesterkt door hun ouders. Als hun kind in de brugklas begint, hebben zij vaak torenhoge verwachtingen. Deze komen niet altijd uit. Hun oogappel blijkt soms aanzienlijk minder intelligent en vooral aanzienlijk minder ijverig. Ook merken ze dat de organisatie van de school zelden vlekkeloos is, terwijl ze bovendien onder het avondeten dagelijks geconfronteerd worden met verhalen over volstrekt incompetente, overspannen, tirannieke en inconsequente leraren. In het «tien-minutengesprek» op de ouderavond lukt het de docent niet altijd dit beeld weg te nemen. Sommige ouders slaan in zo’n geval dezelfde toon aan als tegen de verkoper die ze een ondeugdelijk huishoudelijk apparaat heeft aangesmeerd. Zij zijn de klant en komen een kant-en-klaar pakketje onderwijs halen dat naadloos past bij hun geweldige kind.

De klant is koning! Een wat het onderwijs betreft noodlottige gedachte die ook heeft postgevat in de hoofden van veel school managers. In toenemende mate zijn die hun school gaan zien als een bedrijf dat een optimale productie moet genereren. De leraren zijn hierin productiemiddelen, die door middel van targets achter hun vodden moeten worden gezeten. Een tijdje terug was er zelfs een school die met een geheel nieuw organisatieconcept kwam waarin de leerkrachten werden aangeduid als «frontliners», die blijkbaar dagelijks de strijd moesten aangaan met vijandelijke leerlingen, en de leerlingen als «deelnemers», klanten die hadden betaald voor het pakketje onderwijs en die door de leraar bediend dienden te worden.

Het grote probleem met de klantgerichte benadering is dat de klant per definitie een individu is, met individuele wensen, die een individuele benadering nodig heeft. Op papier is dat prachtig, maar de leerkracht heeft niet te maken met individuen, maar met dat mysterieuze, soms betoverende maar ook bedreigende fenomeen: de klas. Een klas is niet de optelsom van tussen de twintig en de dertig individuen. Het is een organisme waarmee de leraar moet trachten om te gaan door scherp de onderlinge verhoudingen te analyseren en daarop in te spelen. De verkoper-klantverhouding past daarbij niet, en bovendien is ze niet reëel. De leerling kan niet zomaar naar een andere winkel lopen en de leraar is geen winkelier die bij wangedrag van klanten de politie kan bellen.

Zorgwekkend is de tendens die zichtbaar is in het middelbaar beroepsonderwijs: het toenemen van het aantal managers dat niet zelf docent is geweest. Het grootste gevaar komt trouwens van de overheid, die de scholen overspoelt met regels en voorschriften. In «Den Haag» heerst de opvatting dat het onderwijs om de paar jaar danig «op de schop» moet. Dat politici hiermee denken te kunnen scoren is nog begrijpelijk, maar zelfs zij die de belangen van de leerkrachten zeggen te behartigen doen hieraan mee. Een paar jaar geleden verklaarde de voorzitter van de grootste onderwijsbond in een interview met de Volkskrant: «Ik ben allergisch voor rust in het onderwijs.»

Tijdens de jaren tachtig leek het onderwijs vooral een ideaal jachtgebied voor bezuinigingswoede van politici. Met onovertroffen cynisme werd elke bezuinigingsronde voorgesteld als een hoogst noodzakelijke «vernieuwing» van het onderwijs, waarbij de taakbelasting van de leraar steevast toenam.

Men zou verwachten dat met het minder nijpend worden van de financiële nood de aandacht allereerst naar de geplaagde en onderbetaalde leerkrachten zou gaan. In plaats daarvan werden de scholen geconfronteerd met het zoveelste «vernieuwings»-offensief. In het voortgezet onderwijs werden «basisvorming» en «studiehuis» ingevoerd, terwijl de honderden scholen voor middelbaar beroepsonderwijs werden bijeengedreven in veertig «regionale opleidingscentra», waarbij en passant de structuur van de opleidingen drastisch werd gewijzigd door de invoering van een nieuw stelsel van vier verschillende niveaus. Van de docenten werd verwacht dat ze zich moeiteloos aanpasten aan de nieuwe structuren. En nu deze veldslag voor het grootste deel gestreden is, en de body count bijna voltooid is, wachten nieuwe verrassingen. Zo heeft de liberale minister Hermans zich laten inspireren door het onder Stalin ingevoerde stachanovisme en is hij voornemens het onderwijs op te zadelen met een vorm van prestatieloon.

En de leraar, hoe kijkt die tegen zijn beroep aan? Vanzelfsprekend heeft niet elke leraar vanuit dezelfde motieven voor het onderwijs gekozen. In tijden van grote werkloosheid zijn er mensen in het onderwijs beland die niets anders konden vinden. Velen echter hebben bewust gekozen voor het leraarschap. Bijvoorbeeld uit liefde voor het vak. Wat is er mooier dan leerlingen liefde voor literatuur bij te brengen, of ze de schoonheid van wiskunde te laten ontdekken of hun historisch besef te ontwikkelen? Ook vinden veel docenten het gewoon leuk om met kinderen om te gaan. Het is prachtig om die nieuwsgierige brugklassertjes, die bijkans bezwijken onder hun rugzakken met veel te veel schoolboeken, in te wijden in de geheimen van hun vak. En pubers zijn ook vaak ontroerend, met hun eerste liefdes, hun heftig zoeken naar houvast en het ongebreidelde aftasten van grenzen.

Het overdragen van kennis, het leerlingen laten ontdekken dat ze zelf problemen kunnen oplossen en daarmee hun zelfvertrouwen vergroten, het leren omgaan met verschillende standpunten en meningen, het bijbrengen van respect voor elkaar — dat is mooi werk en veel leerkrachten genieten ervan. Helaas zorgen de reorganisaties, de continue onderwijsvernieuwing en de invoering van steeds meer technologie ervoor dat de leraar naast het lesgeven, de voorbereiding en het nakijken van toetsen steeds meer andere taken krijgt. Daarbij komt dat de inhoud van veel vakken drastisch is veranderd en de rol van leraar is verschoven van iemand die kennis overdraagt naar een persoon die leerlingen begeleidt bij hun speurtocht door een labyrint van opdrachten en werkstukken. Veel leerkrachten hebben het gevoel dat het vak waarvoor ze ooit hebben gekozen niet meer bestaat.

De onvrede die hieruit voortkomt, wordt versterkt door het gevoel dat het salaris niet in overeenstemming is met de geleverde inspanning. Vooral de «na-Hos’ers» die na 1985 zijn begonnen, lopen financieel flink achter bij hun oudere collega’s. Ook is het carrièreperspectief in het onderwijs zo goed als afwezig. Voor de ambitieuze leerkracht zijn er ontelbaar veel taken te doen, maar veel meer dan wat «taakuren» levert dat niet op en de kans om in het management te komen is gering. De vijfenveertigjarige leerkracht die twintig jaar onderwijservaring heeft, kijkt aan tegen nog een periode van twintig jaar waarin hij hetzelfde werk mag blijven doen. Vandaar dat er naast de «zij-instromers», mensen die een baan in het bedrijfsleven verruilen voor het leraarschap, ook steeds meer zij-uitstromers komen.

En toch blijven de meeste leraren op hun post, en leveren zij dag na dag de moeizame strijd tegen verwende en ongeïnteresseerde leerlingen, de werkvloer ontstegen managers en de papierlawines van de overheid, waarna ze zich troosten met het Danklied van Jac. van Hattum:

Ze hunkeren naar de wetenschap,

de meisjes en de knapen;

mijn toedoen maakt de kinders knap

en ik kan ’s nachts niet slapen.

Dat is van vreugd, van hoger vreugd,

een vreugd, als zij beleven,

die dagelijks aan een lieve jeugd

zichzelve mogen geven.

’k Dank God, naast vader, iedere keer

bij ’t vegen van de borden,

en iedere ochtend weer,

dat ’k meester ben geworden.