Eersteling op weg naar lolita

Vladimir Nabokov, Masjenka. Vertaald door Jan Pieter van der Sterre, uitgeverij De Bezige Bij, 131 blz., f36,90
Boeken kunnen om tal van redenen onze bewondering afdwingen. Het kan zijn omdat ze de al dan niet zichtbare werkelijkheid, althans segmenten daarvan, herschikken en opnieuw voor ons blootleggen. Je kunt als lezer ook onder de indruk raken van de fraaie stijl, de schoonheid van de formulering, de taalkundige acrobatiek. Ten slotte kun je geboeid raken door de spannende opbouw van de intrige, of door de herkenbare uitbeelding van de personages en hun intermenselijke relaties.

In al dit soort gevallen betreft het vooral, om het maar eens oneerbiedig uit te drukken, de technische, ambachtelijke aspecten van het schrijverschap, vaardigheden waarvan je vermoedt dat ze zo niet helemaal dan toch voor een deel zouden kunnen worden aangeleerd of getraind. In je stoutste dromen koester je je weleens in de illusie dat als je maar van jongs af aan je gedachten en ideeen met zekere regelmaat op schrift had gesteld in plaats van ze nonchalant te laten verwaaien in de wind, je het nog heel ver had kunnen schoppen in de literatuur - er gemakshalve van uitgaande dat je beschikt over voldoende visie.
Er is echter een categorie boeken, autobiografisch getint, die je als lezer, behalve om de bovengenoemde kwaliteiten, om een totaal andere reden versteld doet staan. Ik bedoel het soort boeken dat op een jaloers makende wijze blijk geeft van het ronduit fabelachtige vermogen van de auteur om zich dingen te herinneren en die detail na detail met een verbijsterende helderheid op te roepen. ‘Kunstenaars’, zo heeft de uitgeweken Russische schrijver Ivan Boenin eens beweerd, 'onderscheiden zich door een uitermate levendig en aanschouwelijk zintuiglijk geheugen.’ Dit is een gave, en hier helpen zelfs je stoutste dromen niet. Je weet in de grond van je hart heel zeker dat je nooit zo diep in je eigen verleden zal kunnen duiken zoals Proust, de onbetwiste meester op dit gebied, dat in zijn monumentale romancyclus heeft gedaan, maar evenmin als Paustovski, Primo Levi, Roald Dahl of Nadjezjda Mandelstam. En gesteld dat je dat wel zou kunnen, dan nog is het de vraag of het terugblikken wel genoeg materiaal zou hebben opgeleverd voor boeiende lectuur.
Het succes van de autobiografische manier van schrijven hangt weliswaar niet uitsluitend af van een avontuurlijk, interessant of onalledaags verleden, maar voor mijn gevoel helpt zoiets wel. Tegelijkertijd heb ik het idee dat een waarlijk groot schrijftalent zelfs uit een alledaags en ogenschijnlijk onbeduidend voorval in zijn jeugd nog iets bijzonders te voorschijn weet te toveren. In dat geval tilt de taal, de kracht en de intensiteit van de formulering, de herinnering naar een hoger plan. Het lijkt me zelfs niet uitgesloten dat het proces van verwoording op zijn beurt het herinneren weer stimuleert en verdiept.
De Russisch-Amerikaanse schrijver Vladimir Nabokov (1899-1977) is zo iemand die was gezegend met een ijzersterk en produktief geheugen. En ik vertel niets nieuws als ik zeg dat hij daar in zijn loopbaan dankbaar gebruik van heeft gemaakt. De herinnering, het geheugen is een belangrijke drijfveer geweest van wat hij in de loop der jaren aan het papier toevertrouwde, ongeacht of het om poezie, romans, verhalen of memoires ging. Op het persoonlijke vlak werkt het als een heilzaam verdovend middel voor de balling die hij na de revolutie van 1917 was geworden. 'Een mens’, zegt hij hierover in zijn Speak, Memory, 'is altijd thuis in zijn verleden.’ Op het creatieve vlak speelt het geheugen een cruciale rol in de levens van zijn gespleten, ontwortelde of verknipte romanfiguren, wier bestaan dikwijls lijkt te worden bepaald door een idyllische jeugdherinnering en de hunkering daarnaar. 'Had zij een voorgangster?’ zo vraagt de hoofdpersoon uit Lolita, Nabokovs geruchtmakende bestseller uit 1955, zich op de allereerste bladzijde af. 'Die had ze, inderdaad. In feite zou er helemaal geen Lolita zijn geweest, wanneer ik niet als kind, tijdens een zomer, een meisje had bemind, mijn eerste. In een paradijs aan zee.’
De herinnering aan een flard van het verleden fungeert ook als katalysator in Masjenka, Nabokovs debuut uit 1926, dat onlangs bij De Bezige Bij is verschenen, waarmee het prijzenswaardige meerjarenproject rond Nabokov weer een stap dichter bij zijn voltooiing is gekomen. De inhoud van Masjenka is vlot verteld. Het is de geschiedenis van Ganin, een jonge emigrant in een armetierig Berlijns pension, die over zijn jeugdliefde in Rusland begint te mijmeren wanneer hij door een ingreep van het noodlot de kans krijgt haar daadwerkelijk weer te zien. Over de afloop van deze rode draad kan ik maar beter niet veel meer zeggen, want een van de charmes van het boek schuilt, zoals zo vaak bij Nabokov, in de verrassende ontknoping. De fragmentarisch weergegeven liefdesgeschiedenis is verweven met de portrettering van Ganins lotgenoten, allen uitgeweken Russen, zielen van diverse pluimage, die in hun nieuwe omgeving moeizaam een bestaan trachten op te bouwen. Extra aandacht is er voor de oude, aimabele vergeten dichter Podtjagin, die zich bij een nicht in Parijs wil vestigen maar in dat streven wordt gedwarsboomd door bureaucratische molens en een versleten hart.
De Nederlandse vertaling van deze korte roman is gebaseerd op de Engelse versie, maar het boek is oorspronkelijk in het Russisch geschreven en wordt derhalve gewoonlijk gerekend tot de Russische letteren, om precies te zijn tot de emigrantenliteratuur. (In 1919 had Nabokov Rusland reeds verlaten, maar pas na zijn vertrek naar Amerika in 1940 begon hij rechtstreeks in het Engels te schrijven en zijn Russische werk, soms met hulp van anderen, in het Engels te vertalen.)
Gesitueerd in de tijd dat hij werd geschreven, heeft Nabokovs roman te maken met een rij geduchte concurrenten. De eerste drie decennia van de twintigste eeuw staan in de Russische letterkunde te boek als uiterst vruchtbaar. Die bloeiperiode gold weliswaar vooral de poezie, maar ook het proza was, net als elders in Europa, volop in beweging, totdat de sovjetdictatuur daar hardhandig een socialistisch-realistisch stokje voor stak en de natuurlijke ontwikkeling van het Russische proza gedurende een kwart eeuw blokkeerde. Maar voor het zover was, kon een bonte groep schrijvers nog gauw een poging doen de rijke verteltraditie van Gogol, Dostojevski, Tolstoj, Tsjechov en Gorki voort te zetten.
Tot die groep behoren onder anderen Andrej Bjely, de 'Russische Joyce’, met zijn diabolische roman Petersburg (1922), door vertaler Timmer treffend de 'biografie van een bom’ genoemd; Isaak Babel met Rode ruiterij (1924), het caleidoscopische prozaverslag van de veldtocht van de Russische cavalerie in de Oekraine en Polen; Michail Boelgakov met zijn groteske fantastische novellen Hondehart en De eieren der Rampp-spoed, beide geschreven in 1925; en Jevgeni Zamjatin met zijn in 1920 geschreven anti-utopische roman Wij, die model stond voor Huxley’s Brave New World en Orwells 1984. Bewijzen kan ik het niet, en het is uiteraard ook een kwestie van smaak, maar ik vind Masjenka in dit illustere gezelschap enigszins uit de toon vallen. En het wordt er niet beter op wanneer ik de maatstaf nog wat hoger leg door het in Berlijn geschreven werkje te situeren in de West- en Middeneuropese literatuur. Dan heeft Nabokov de concurrentie te duchten van zwaargewichten als Proust, Kafka en Joyce, de heilige drieeenheid van de moderne roman.
Afgezet tegen het toenmalige literaire aanbod van zowel binnen als buiten het Russisch taalgebied, steekt Nabokovs roman wat povertjes af en doet hij tamelijk conventioneel, om niet te zeggen gedateerd aan. Dat het boek bij publikatie in 1926 onopgemerkt bleef, verbaast me dus niet echt. Maar is het een eerlijke vergelijking? Nee, dat is het niet. Want in mijn criticale ijver om de grootheid van Nabokov eens van knorrige kanttekeningen te voorzien, ben ik compleet vergeten dat het hier een debuut betreft en dat het niet aangaat om het werk van een beginnend schrijver te vergelijken met het werk van gerijpte schrijvers. Je kunt het de 25-jarige Nabokov nauwelijks kwalijk nemen dat hij met zijn debuutroman niet meteen in staat was aardverschuivingen teweeg te brengen. Hooguit zou je Nabokov in dat stadium van zijn leven kunnen verwijten dat hij onvoldoende oog had voor wat er zich vlak voor zijn neus aan het voltrekken was. Maar zoiets neigt naar spijkers op laag water zoeken.
De vergelijking zou eerlijker zijn en meer recht doen aan Nabokov wanneer zijn meer volwassen werk erbij zou worden betrokken. Voor mezelf heb ik dat stiekem gedaan en dan blijkt dat hij zijn achterstand in een verrassend snel tempo heeft ingelopen, dat hij gaandeweg niet alleen het barokke, zogenaamde ornamentele proza van de Russische avant-garde in zijn taal heeft verwerkt, maar wel degelijk ook invloeden van Kafka, Proust en Joyce tot zijn werk heeft toegelaten. Desondanks geloof ik niet dat Nabokov zich, zijn stilistische en verteltechnische vernuft ten spijt, kan meten met de romangiganten van de twintigste eeuw. Het mag waar zijn dat Nabokov, zoals ik las in het nawoord bij een van zijn boeken, is doorgedrongen tot 'het diepste wezen van de eenzame, in diaspora levende mens, die slachtoffer en speelbal is van tegen hem samenspannende krachten’, dat geeft hem nog niet het recht - we moeten streng zijn - om plaats te nemen in de loge der titanen. Net zo min als een Solzjenitsyn dat mag doen op grond van zijn rontgenfoto van het leven van een dwangarbeider, of Malcolm Lowry op grond van zijn diagnose van de alcoholist. Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj en Under the Volcano zijn beide formidabele boeken, maar ze missen de inzichtelijke diepgang en reikwijdte van laat ik zeggen Het proces of Op zoek naar de verloren tijd. En dat geldt naar mijn smaak ook voor het oeuvre van Nabokov.
Maar misschien zie ik wat over het hoofd. Ik ga onmiddellijk overstag als iemand mij kan aantonen dat Nabokov thuishoort in de volgende opsomming van Milan Kundera in zijn essay De kunst van de roman (1987): 'Een voor een heeft de roman op zijn eigen wijze en met zijn eigen logica de verschillende aspecten van het bestaan ontdekt: met Cervantes en zijn tijdgenoten vraagt hij zich af wat het avontuur is; met Samuel Richardson begint hij te onderzoeken wat “zich in het innerlijk afspeelt”, het geheime leven van de gevoelens te onthullen; met Balzac ontdekt hij hoe de mens geworteld is in de Geschiedenis; met Flaubert ontdekt hij de tot dan toe incognita gebleven terra van het dagelijks leven; met Tolstoj buigt hij zich over de tussenkomst van het irrationele in de beslissingen en het gedrag van de mens. Hij doorvorst de tijd: het ongrijpbare, voorbije moment met Marcel Proust; het ongrijpbare huidige moment met James Joyce. Hij onderzoekt, met Thomas Mann, de rol van de mythen die, afkomstig uit de oudste tijden, ons onzichtbaar leiden op ons pad.’ (Dat Kafka in dit citaat ontbreekt, is toeval; diens grote betekenis wordt door Kundera in de rest van het boek keer op keer onderstreept.)
Maar ik ben afgedwaald. Terug naar Masjenka, dat ik opnieuw bekijk, met in mijn achterhoofd nu het gegeven dat het een eersteling is. Dan blijkt dit boek plotseling helemaal geen gek figuur te slaan. Sterker nog, met zo'n debuut zou menigeen zielsgelukkig zijn. Het werkje munt uit door een superieure vertelconstructie en leest als een trein, wellicht mede doordat het soms wat overdadige verbale vuurwerk, zo typerend voor de toekomstige taalgoochelende virtuoos, in deze fase van Nabokovs carriere nog niet in alle hevigheid is losgebarsten. Het onthaalt de lezer op een aantal meeslepende lyrische beschrijvingen die, zoals Leon de Winter in de flaptekst terecht veronderstelt, romantici zullen aanspreken.
Ik durf nog wel verder te gaan door te stellen dat er in sommige passages, met name in de flash backs van Ganin, iets doorklinkt van de nostalgie die lezers van Nobelprijswinnaar Boenin en, vooruit dan maar, Proust zal aanspreken. (Wie geinteresseerd is in de verhouding tussen feit en fictie mag ik trouwens wijzen op de parallellen tussen deze passages en hoofdstuk twaalf van Speak, Memory.) En in het ironisch getoonzette relaas over de geknakte, beminnelijke Podtjagin kan men met een beetje goeie wil zowel Akaki Akakijevitsj herkennen, de beklagenswaardige klerk uit Gogols weergaloze novelle De mantel, als Nabokovs bloedeigen Pnin, de eenzame Russische professor in het onverschillige Amerika uit de gelijknamige satirische roman, en zelfs - maar nu ga ik voor mijn gevoel wel heel ver - de tragikomische individuen die het gebureaucratiseerde universum in Kafka’s romans en verhalen bevolken.
Aan al die vergelijkingen en raakpunten met andere auteurs hebben de ware liefhebbers van Nabokov vanzelfsprekend geen boodschap. Die houden van Nabokov omdat het Nabokov is, en die zullen dit debuut beslist niet ongelezen willen laten, al is het alleen maar om van zeer nabij mee te maken hoe hun favoriet zijn eerste zelfbewuste schreden zette op de kronkelige weg naar Lolita en wereldfaam.