Essay: Germaine Tillion over integratie

Eerwraak, sluiers en bruiden uit het land van herkomst

Veertig jaar geleden hield de nu 96-jarige Franse etnologe Germaine Tillion zich al bezig met traditionele familiestructuren die kenmerkend zijn voor het hele Middellandse-Zeegebied, en niet alleen voor de islam, zoals tegenwoordig dikwijls wordt aangenomen. Dat maakt haar tot een voorbeeld voor huidige experts in het integratiedebat.

Opeens was ze een beroemdheid. Gedurende vele jaren leidde de Franse etnologe Germaine Tillion (1907) een onopvallend bestaan als wetenschappelijk onderzoekster. Pas rond de eeuwwisseling veranderde dit. De 93-jarige werd alsnog een ster, over wie in korte tijd maar liefst vier boeken verschenen, en die in interviews op levendige en humorvolle wijze sprak over haar veelbewogen leven dat zo nauw verbonden was geweest met twee van de voor Frankrijk meest dramatische episodes uit de voorbije eeuw: de Duitse bezetting en de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd.

Tillion bezocht Algerije voor het eerst in 1934. Nadat ze haar studie als etnologe had afgerond, kreeg ze door tussenkomst van haar promotor, Marcel Mauss, een beurs om onderzoek te gaan doen bij de Berbers van de Chaouïa-stam in de Aurès, het bergachtige gebied in het zuidoosten van Algerije. Aanvankelijk stelde deze opdracht de jonge onderzoekster enigszins teleur. Ze had gehoopt op een avontuurlijkere bestemming dan Algerije, dat in die tijd nog een deel van Frankrijk was. Maar de Aurès bleek minder tam dan ze had gedacht. Haar standplaats was maar liefst veertien uur verwijderd van de bewoonde wereld, die overigens — er waren geen verharde wegen — alleen te paard te bereiken was. En de invloed van het koloniale bestuur was er minimaal. Uiteindelijk bleef ze er zes jaar, om pas in 1940 naar Frankrijk terug te keren.

Het was de bedoeling geweest om, eenmaal thuis, een proefschrift te schrijven over de familiestructuur van de Berbers in de Aurès, op basis van het materiaal dat ze in deze periode verzameld had. Maar de geschiedenis bepaalde anders. Al snel was ze volop actief in het verzet en nadat enkele andere leden van haar groep door de Duitsers waren opgepakt, kwam ze aan het hoofd te staan van wat een van Frankrijks bekendste verzetsgroepen zou worden: die van het Musée de l’Homme in Parijs.

In 1943 werd de groep verraden. Tillion werd op transport gesteld naar Ravensbrück. Haar moeder, die drie maanden later in hetzelfde kamp terechtkwam, vond de dood in de gaskamers; de dochter werd op het nippertje gered door het Zweedse Rode Kruis.

Na het einde van de oorlog vatte Germaine Tillion het plan op om een wetenschappelijke studie aan Ravensbrück te wijden. Ze legde daarbij de nadruk op de rol van het kamp als luguber onderdeel van de Duitse oorlogseconomie, waarbij zelfs de dode lichamen van de dwang arbeiders nog een economische waarde vertegenwoordigden in de vorm van as, vet en gouden vullingen.

Behalve op archiefstukken en getuigenverslagen, baseerde Tillion zich op cijfermateriaal dat zijzelf in het kamp had weten te verzamelen. Haar doel was om een systematische beschrijving te geven van de wijze waarop het kamp «functioneerde», net zoals ze eerder het dagelijks leven van een Berbergemeenschap in kaart had gebracht. Of liever, had willen brengen, want het materiaal voor haar proefschrift verdween in Ravensbrück en kwam nooit meer boven water.

In 1954 leek het erop dat Tillions loopbaan een geheel andere wending had genomen, totdat Algerije, geheel onverwacht, opnieuw in haar blikveld verscheen. De spanning tussen de verschillende bevolkingsgroepen in het land was inmiddels hoog opgelopen en de toenmalige premier van Frankrijk, Pierre Mendès-France, zocht een neutrale deskundige figuur die hem zou kunnen informeren over de situatie waarin de Algerijnse burgerbevolking zich op dat moment bevond. De keuze viel op Tillion, die Algerije van binnenuit kende en zich nooit publiekelijk had uitgesproken over de politieke toekomst van de kolonie.

Maar het verschil tussen het land dat ze bij haar aankomst aantrof en het land dat ze veertien jaar eerder had verlaten, was onvoorstelbaar groot. Ze was vooral geschokt door de economische misère van de inheemse bevolking in de steden. Dit inspireerde haar tot de oprichting van een groot aantal centres sociaux, die jonge Algerijnen de mogelijkheid boden tot snelle scholing. Hiermee hoopte ze de verarmde volksmassa’s die van het platteland naar de stedelijke centra waren getrokken, beter toe te rusten voor het leven in de stad.

Al spoedig zag Tillion zich geconfronteerd met problemen van een geheel andere orde. Enkelen van de Algerijnen met wie ze de centres sociaux had opgezet, werden door het Franse leger opgepakt. De geruchten over systematische marteling van politieke gevangenen namen toe en ook het aantal doodvonnissen van leden van het Algerijnse verzet steeg onrustbarend. «In 1957», aldus Tillion, «kon ik maar tot één conclusie komen. Mijn landgenoten hielden er in Algerije dezelfde praktijken op na als de nazi’s.»

Op eigen initiatief trad ze in contact met de leiders van de onafhankelijkheidsbeweging FLN, bij wie ze veel vertrouwen genoot, niet in de laatste plaats vanwege haar rol in het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Tegelijkertijd wist ze, dankzij haar vele contacten met hooggeplaatste Franse politici — dikwijls oud-verzetslieden zoals zijzelf — de regering ertoe te bewegen voorlopig een halt toe te roepen aan de stroom van executies, om zo de spiraal van geweld aan beide kanten te doorbreken. Het succes was helaas van korte duur. Er zou in Algerije, maar ook in Frankrijk zelf, nog veel bloed worden vergoten voordat de voormalige kolonie in 1962 haar onafhankelijkheid verwierf.

De huidige belangstelling in Frankrijk voor Germaine Tillion geldt niet alleen haar persoon, maar heeft ook te maken met de actualiteit van haar wetenschappelijke werk. Daarbij spelen twee factoren een rol: de verwerking van het koloniale verleden, waarmee Frankrijk pas nu volop bezig is; en de angst die er bij de bevolking leeft dat het land in de nabije toekomst steeds meer zal islamiseren — met als bijkomend probleem de zogenoemde «benladisering» van de voorsteden. In het publieke debat hierover neemt de positie van vrouwen binnen de islam een belangrijke plaats in. Net als in Nederland. Dit brengt ons terug bij Tillion die, lang voordat de hoofddoek in beide landen een onderwerp werd, hierover een zeer verhelderende studie schreef.

Le Harem et les cousins (Editions du Seuil, 1966) is vooral zo actueel omdat Tillion gevoelige kwesties als sluiers, eermoord en het gebruik om bruiden bij voorkeur uit het land van herkomst te betrekken, niet in verband brengt met de islam, maar met de endogame familiestructuur die sinds mensenheugenis bepalend is geweest voor de verhouding tussen de seksen in de Maghreb. Het gaat daarbij dus om een traditie die niet alleen veel ouder is dan de islam, maar die bovendien kenmerkend is voor beide oevers van de Middellandse Zee: van Palermo tot Alexandrië en van Marseille tot Istanboel.

Om de eenheid van deze mediterrane cultuur te onderstrepen, baseerde Tillion zich onder meer op het veldonderzoek dat zij in de jaren dertig had verricht bij twee groepen Berbers, de Chaouïa en de Toearegs, die slechts door het zand van de Sahara van elkaar gescheiden waren.

Anders dan bij de eerste groep bleek de familiestructuur bij de Toearegs niet endogaam, maar exogaam. De constatering van dit significante verschil tussen twee bevolkingsgroepen die voor het overige in etnisch en religieus opzicht een grote gelijkenis vertonen, sterkte Tillion in haar veronderstelling dat het gebied rond de Middellandse Zee oorspronkelijk een culturele eenheid vormde. In het zuiden werd het begrensd door de Sahara, in het noorden grofweg door de Alpen en de Loire.

In Le Harem et les cousins geeft ze een boeiende beschrijving van de ontwikkeling van deze mediterrane wereld, waar vanaf 8000 voor Christus de Neolithische Revolutie plaatsvond. Deze gaf de aanzet tot het ontstaan van een nieuw type samenleving waarin, zoals Tillion veronderstelt, bloedverwantschap en familiebanden niet langer totstandkwamen door de uitwisseling van vrouwen — zoals Claude Lévi-Strauss had beschreven in zijn Structures élémentaires de la parenté (1949) — maar waar huwelijkspartners juist gekozen werden binnen de eigen groep of ferqa. Omdat daarbij een voorkeur bestond voor huwelijken tussen neef en nicht via de mannelijke lijn, spreekt Tillion in dit verband van «de republiek van de neven». De aldus gevormde samenleving was sterk binnenwaarts gericht, indachtig het motto «ons kent ons», en had weinig op met vreemdelingen. Of, zoals Tillion het formuleert, «het land, het vee en de vrouwen hield men angstvallig voor zichzelf».

Binnen deze hechte, mediterrane familieclans, waarvan de Italiaans-Amerikaanse maffiafamilie wellicht het meest tot de verbeelding spreekt, bezitten de stamvader en de oudste zoon als diens plaatsvervanger de volledige zeggenschap over de andere leden van de groep. Daarbij staat de eer van de familie voorop. Deze wordt in hoge mate bepaald door de ingetogenheid van de vrouwen, en bovenal door die van de dochters. Of, om Tillion te citeren: «In het hele Middellandse-Zeegebied is de maagdelijkheid van meisjes — merkwaardig genoeg — een aangelegenheid die in eerste instantie hun broer aangaat, en dan vooral hun oudste broer.» Wanneer de eer van de familie in het geding is, bijvoorbeeld bij overspel, is het de broer van de vrouw in kwestie die in actie komt, en niet, zoals je zou verwachten, haar bedrogen echtgenoot.

«Bloedgeld moet wraak Irakezen voorkomen.» «Man doodt dochter in Turkije om eerwraak.» «Jordaanse broers hakken zusters dood; Eer van familie gered.» Recente krantenkoppen als deze wekken gemakkelijk de indruk dat er een verband zou bestaan tussen eerwraak en de islam. Eerwraak komt immers vooral voor in islamitische landen of onder migranten die uit deze landen afkomstig zijn. In Le Harem et les cousins geeft Tillion daarentegen een aantal voorbeelden van eermoord waarbij het slachtoffer en haar moordenaars niet van Turkse of Jordaanse origine waren maar van Griekse of Italiaanse afkomst. Het gaat hier wel om familiedrama’s uit een ver verleden, zoals het treurige verhaal over de zestiende-eeuwse Italiaanse dichteres Isabella Morra, die door haar broers werd doodgestoken nadat ze enkele van haar verzen aan een mannelijke collega had toegestuurd. Een man overigens die de onfortuinlijke edelvrouwe waarschijnlijk nooit met eigen ogen had aanschouwd.

Door het heden af te zetten tegen het verleden, komt Tillion tot de conclusie dat er wel degelijk gemeenschappelijke culturele wortels zijn. Maar ze concludeert ook dat de culturele kloof tussen de beide oevers van de Middellandse Zee steeds groter is geworden, vooral onder invloed van de Industriële Revolutie.

Terwijl in Zuid-Europa de endogame familiestructuur geleidelijk aan is verdwenen — waarmee ook de positie van de vrouwen in deze regio zich heeft gewijzigd en verbeterd — toont de Maghreb een geheel ander beeld. Daar is als gevolg van de trek van het platteland naar de stad de positie van vrouwen juist verslechterd. Terwijl zij op het Marokkaanse platteland niet zelden ongesluierd door het leven gaan, treedt er bij de overgang van platteland naar stad dikwijls een soort verstarring op in de traditionele gebruiken. Wanneer de bescherming van een groter familieverband wegvalt, zo meent Tillion, groeit de behoefte om het eigen «bezit» veel nadrukkelijker dan voorheen te behoeden voor invloeden van buitenaf.

In Le Harem et les cousins schreef ze: «Wie de abrupte overgang van platteland naar stad meemaakt, verandert niet van de ene dag op de andere in een liberale, goed geschoolde stedeling die weet om te gaan met een verregaande mate van individualisme (…). De ‹verburgerlijkte bedoeïen›, die beroofd is van de bescherming die de grote lege woestijnen en de onvoorwaardelijke steun die zijn neven-broers hem boden, neemt vervolgens zijn toevlucht tot ieder surrogaat van bescherming dat hij maar kan verzinnen: getraliede ramen, ingewikkelde sloten, waakhonden, eunuchen en… sluiers.»

Dit afweermechanisme, zoals Tillion dat in de jaren zestig waarnam in de Maghreb, beïnvloedt ongetwijfeld ook het gedrag van de migranten die in de afgelopen decennia van het Turkse en Marokkaanse platteland naar de stedelijke centra van West-Europa trokken. Het verklaart bijvoorbeeld waarom de hoofddoekjes in onze streken een hogere vlucht hebben genomen dan in de landen van herkomst. Het is immers niet erg aannemelijk dat het bij al die hippe scholieren en hun vaak zorgelijk ogende moeders om een godsdienstig statement gaat, laat staan om een fier gedragen symbool van de eigen identiteit.

Het aantrekkelijke van Tillions bevindingen is vooral dat ze het ons mogelijk maken de huidige problematiek van de migranten los te zien van de islam. De problemen zijn onderdeel van een ontwikkeling die veel minder ver van ons afstaat dan vaak wordt gedacht. Door het conti nuüm met de mediterrane wereld te benadrukken, in de eerste plaats, maar zeker ook door de nadruk te leggen op een aspect dat andere etnologen evenzeer als de meest ingrijpende menselijke ervaring zien: de abrupte overgang van een traditionele, agrarische gemeenschap naar een miljoenenstad. Ook op dit punt is volgens Tillion het verschil tussen de Maghreb en West-Europa slechts gradueel. Het gevoel ontheemd en ontworteld te zijn, geldt evenzeer voor de bedoeïen die naar Casablanca trekt als voor de boer uit Anatolië die zich van de ene op de andere dag zag overgeplant naar de Staatsliedenbuurt in Amsterdam. Een wijk die ooit voor een andere groep voormalige plattelandsbewoners werd gebouwd. Ook zij verruilden hun dorpen voor de stad, in de hoop op een beter leven.

Tillion maakt een dergelijke vergelijking, zij het voor Frankrijk. Zij bestudeerde de verschillen en overeenkomsten tussen de economische migratie in deze tijd en die van ruim een eeuw geleden. Ook toen schreeuwde de conservatieve schrijver Joris-Karl Huysmans (1848-1907) moord en brand vanwege al die ongewassen, promiscue zuiderlingen uit de Lozère en de Languedoc, die hem met hun lawaai en gespuw uit zijn Parijse stamcafé hadden verdreven.

Rest de vraag waarom Germaine Tillion zo lang een onbekende is gebleven, in Frankrijk zelf in de eerste plaats. En waarom ze zich eigenlijk nooit direct heeft gemengd in het multiculturele debat.

Het antwoord hierop heeft deels te maken met het specifieke karakter van de geschiedenis van de Franse intellectuelen tijdens de naoorlogse periode. Door haar openlijk beleden trouw aan het humanisme en haar banden met De Gaulle, gold Tillion binnen de voornamelijk marxis tisch georiënteerde intelligentsia gedurende lange tijd als een outsider — evenals bijvoorbeeld Albert Camus en Raymond Aron. Daarnaast was er sprake van nog een ander verschil, dat alles te maken heeft met het onderscheid tussen journalistiek en wetenschap.

Simone de Beauvoir verweet de etnologe in de jaren zestig zich niet te willen inzetten voor «de goede zaak». Tillion gaf als antwoord dat ze niet in «zaken» was geïnteresseerd, maar in «mensen», en er bovendien niets voor voelde om, à la Sartre en De Beauvoir, in het wilde weg petities te tekenen. Deze houding karakteriseert Tillion ten voeten uit. «Ze was een vrouw die alleen op haar eigen waarneming wenste af te gaan, op wat ze gezien, gehoord en geconstateerd had, alvorens ze tot een mening kwam», zei een van de voormannen van het Algerijnse verzet, Saadi Yacef, later over haar. Tillion zelf had hier weinig aan toe te voegen: «Ik geloof dat ik meer wetenschappelijke nieuwsgierigheid bezat dan persoonlijke ambitie.»

Toch bewijst de recente belangstelling voor haar werk over de Maghreb dat de wetenschap wel degelijk vermag een zinvolle bijdrage te leveren aan de maatschappelijke discussie. In dit opzicht kan deze 96-jarige Française een voorbeeld zijn voor al diegenen die zich tegenwoordig opwerpen als experts in vreemdelingenkwesties: om een tipje van de sluier op te lichten is meer nodig dan slechts een opinie.

Dit essay is een bewerking van een publicatie in De Academische Boekengids.