Eet mij op

Honderdvijfentachtig kilo woog hij bij zijn overlijden. Papa’s laatste woord, zijn laatste wens werd gerespecteerd door zijn acht kinderen. Hoe papa’s woord vlees werd.
MET INGEHOUDEN ADEM, terwijl om mij heen restjes vlees van botten worden getrokken, bestek wordt afgeruimd en servetten aangereikt, denk ik aan het trage, vette leven van mijn - en hier, tijdens dit banket: onze - vader zaliger. Vader zaliger, bijgenaamd Speedy EetAlles, liet bij zijn overlijden honderdvijfentachtig kilo vlees, botten, kwijl en sperma na. Allemaal voor ons. Een flink aantal kilo’s vlees en een klein restje herinnering, meer niet - maar wat weet ik van reïncarnatie? Vijf lettergrepen met als centrum carna, carne, vlees: vleeswording, opnieuw, niet alleen in de geest maar ook in gebaar. Geef me de aardbeienbavaroise even door s.v.p.

Vóór mij een grote schaal van email verlucht met erin geperst krulwerk - leeg; in mij: papa’s laatste woordvlees, zijn laatste wens, of hoe papa’s woord vlees werd in mij. Oeps! ik heb mij versproken, te veel gezegd en - burps - gegeten, tijd om het kaf van het koren te scheiden, einde gebabbel, we gaan over tot de formaliteiten die deze Grande Bouffe mogelijk maakten. Laten we het heiligenleven van Speedy EetAlles eens onder handen nemen.
Vraag: waar bevond ik mij toen papalief zijn laatste woordvlees stamelde? Antwoord: op het herentoilet. En wat deed ik op het moment dat papa zijn laatste vleeswoord stamelde - precies: mijne dames en heren, ik kneep hem af. En waar was ik naar op weg toen hij zijn laatste adem uitpufte: naar de ziekenkamer. Toen de broers voor de deur in zicht kwamen, voelde ik zijn laatste zucht langs mij glijden - woesjjjh… pufte zuchtte streek langs me heen om ten slotte in zijn eigen niets op te lossen. ‘Vaarwel, papa’, mompelde ik, en uit respect bleef ik een seconde lang stilstaan.
Bij hoog en bij laag zal ik blijven volhouden dat onze vader op de kop af zeventig jaar oud werd. De man stierf op zijn geboortedag en geen seconde later. De officiële versie is niets dan een verdraaid verhaal, zonder meer gelogen. De doktersverklaring: 'overleden in de namiddag van 15…’ Nee. Dood en dood is twee in het geval van onze papa.
De notaris kwam ons de wens van papa mondeling overbrengen, maar liet zijn boodschap vergezeld gaan van een brief die hij ons ter plekke overhandigde. Vijfentwintig punten van aandacht, ondertekend, papa. Alle vijfentwintig punten opnoemen zou te ver voeren maar wellicht volstaat een kleine bloemlezing.
Punt 3. Jullie zijn hopelijk bekend met het feit dat je met mes en vork moet eten.
Punt 6. Van mijn nieren, gal en klieren mogen jullie afblijven.
Punt 14. Ik verwacht jullie alle acht!
Punt 16. Niet te kort maar ook niet te lang wachten met het bereiden.
Punt 22. Eenmaal ingesmeerd met koriander zal ik vast en zeker niet te versmaden zijn.
Punt 25. Het ga jullie goed. Eet smakelijk.
Wanneer? Ik zeg, einde van de middag van de veertiende. Hij sliep in na zijn zoveelste copieuze maaltijd te hebben genuttigd en ontwaakte niet meer. Dat zeg ik en zij zeggen dit: zij zeggen schnat en ik zeg schnit. En zo schnitschnatten we elkaar, zo gaan de haren rechtovereind staan, worden wenkbrauwen gefronst en vingers geknakt. Laat ik een poging wagen dit geschnitschnabbel tegenover elkaar te zetten.
Zij schnabbelen dat hij in de middag van de vijftiende stierf, rond een uur of twee, meen ik. Ineens was hij bij kennis, gorgelde om een zuster, die op haar beurt de dokter intercomde, waarna de laatste zijn oor tegen papa’s lippen te luisteren legde, die al spuwend iets fulmineerde in de trant van 'haal die klotenotaris’, waarna de dokter deed wat hem opgedragen was en de gestudeerde man liet buzzen, die naar vader toe holde, rode stoplichten negeerde en over bejaarde vrouwtjes sprong om het gerochel, gestoggel en gemiggel als van een T-Ford-motor, een verkouden spreeuw, een heuse zwanenzang aan te horen, dit alles aanhoorde, in zich opnam, bij zichzelf overwoog, destilleerde en uiteindelijk in gewone-mensentaal omzette: Vaders Laatste Wens. Die dekselse notaris toch! Zonder hem hadden we geen Wens gehad, geen banket als dit, en nooit dit smerige verhaal (en dat laatste zou helemaal doodzonde zijn: is er ooit iemand slechter geworden van een goed verhaal?).
En dan nu míjn schnit-these. Papa was al làng dood toen hij die laatste woorden en zuchtjes uitstiet. Niks laatste wens. Allemaal dronkemanspraat, wederopstanding en post-dood-orakel, voor mijn part noem je het glossalolie, maar normaal parlando was er niet bij. En daarbij, mijn vader was geen prater - hij at liever. Hij existeerde slechts wanneer hij zichzelf voedde, opgesloten in zijn vraatzucht. Dat was wat hem maakte tot wat hij was: een eeuwige hongerzucht. Alleen zo hebben mijn broers en ik hem gekend. Een miserabele vreetzak. Niks ziekenhuisbed, infuus en hartritme-huppeldepup. Vader was voor het laatst in leven de namiddag van de veertiende. Hij begon met artisjokken in een bedje van uien op rum, hij steeg tot grote hoogte met een Argentijnse entrecôte well done, badend in een overrompelende gorgonzolasaus en zag het avondrood tijdens het wegwerken van een kopje koffie met baklava na. Daarna ging hij een dutje doen. Hij deed zijn oogjes toe, werd te middernacht opgenomen en sprong in de voormiddag op als een kip zonder kop. Hij was op dat moment al lang dood. Zo luidt mijn schnit. Schnat!
SPEEDY EETALLES had zijn bijnaam niet voor niets gekregen. Eten was voor hem Eerste Grond en Metafysica, de Alaaf en de Yaw, eindpunt en vertrek. En het begon al vroeg.
Iqra, lees-op: er was eens, lang, lang, lang vergeten, een jongen, iel, schoenmaat 44, broekmaat 29, moeilijke jeugd, vechtend voor eigenwaarde, enfin u kent het wel. Te veel puistjes om onbevooroordeeld aangekeken te worden en te weinig vrienden om mee gezien te worden, en daarmee absoluut de verkeerde verhoudingen om aan een meisje te komen. Probeerde het om die reden met jongens die zijn puistjes uitknepen, wat toch ook niet helemaal de oplossing was… Arme, arme, arme Papa Wordt Nooit Groot.
U bent wellicht bekend met de theorievorming betreffende anorexia en boulimia. Er bestaat een verschijnsel als 'weg-eten’, en dit theoretisch model ging er bij mijn vader in als koek. Hoe meer trubbels, des te meer hij verteerde. Dit mechanisme creëerde een conditie, de conditie conditioneerde zichzelf, en op zijn vijfentwintigste had papa genoeg vermogen bij elkaar gesprokkeld om een groot aantal honden te doen kwijlen. Die dat dan ook letterlijk deden, daar mijn vader een fortuin maakte met het beheren van hondenkennels. De bronnen treden verder niet in details maar een feit is: hij werd er niet gelukkiger op, de cockerspaniëls en Duitse herders ten spijt. Inmiddels bleef hij aankomen, werd ronder en ronder, leek aanvankelijk op de maan, maar begon allengs meer en meer trekjes van de zon te vertonen en kreeg tot ieders verbazing tegen zijn dertigste jaardag een stadse meid zo gek om hem als echtgenoot te aanvaarden. De consumptie van het huwelijk overigens, was volgens mijn moeder de enige consumptie waar vaderlief zijn tanden op heeft stukgebeten. Maar vader was een veeleisend man; hij wilde meer dan liefde en consumptie alleen: hij wilde kinderen. Dus de haan bevruchtte de kip, en de haan, hij smakte en slikte voort. Het waren pleziertjes waarin hij ook mijn moeder wenste te betrekken, maar in zulke gevallen wendde zij decent het hoofd af.
Hij wilde kinderen en kreeg ze. Acht in totaal. Maar die waren er niet voor niks. Niet uit darwiniaanse overlevingsdrang maar omdat hij er als enig kind altijd van had gedroomd zijn 'hoorn des overvloeds te delen’. En met wie zou dat beter en makkelijker kunnen dan met zijn eigen kroost dat voor het eten thuis moest zijn? En nu komt het (excuseer, ik schuif mijn stoel naar achteren): wie verwekt er nu kinderen met als doel hen aanwezig te laten zijn op het bacchanaal van hun Schepper, hun Grote Man? Zou dit nu de ware toedracht van de genesis van het menselijk ras zijn? Zuiver en alleen ten behoeve van een Laatste Avondmaal dat maar niet op wil raken…?
Alla, ik dwaal af, we hadden het over eten, over Zijn eten. Geen epifanieën meer. Zo lang ik heb kunnen horen, zien, voelen, ruiken en proeven heb ik papa alleen maar proevend gekend. Nippend van de ossestaartsoep, glazen sherry naar binnen slorpend en koeiehersenen uitlepelend. Binnenshuis eten vond hij leuk; buitenshuis eten vond hij machtig. Ik vergast u op een willekeurige culinaire rondgang: A Kong (afhaal-Chinees, vaak verward met de Javaan), Burger King (Dubbele Whopper met Twister Fries als favoriet, zure oprispingen bij de gedachte alleen al), de Pers (vaak verward met de Pakistaan), de Argentijn (gerund door een Israelische familie uit Tel Aviv), diverse Toko’s (voor alles wat hij de 'Soerinaamse keuken’ noemde: kouseband, ajeh no moto, gin, laos en dergelijke), de Bourgondische Keuken, de Franse Keuken ('maar steak met frites is toch lekkerder’), de Ethioop (hij kreeg bij tijd en wijle een moelochia-aanval), Broodje van Kootje, en ter aanvulling allerlei brasserieën, uitbaters, uit de muur, kopje koffie in het stambordeel en begrafenissen en mega barbecues - overal ben ik met hem geweest, talloze interieurs en zigeuners-met-een-traan heb ik met hem bewonderd, hele kelders wijn voorgeproefd, onderwijl de joligheid zelve uithangend om het hem naar de zin te maken, opdat hij kon zijn wat hij wilde zijn - een enorme grote vreetzak.
Vader was een man van het grote gebaar. Hij vertederde ons met bakken vol oesters. Hij legde al zijn geilheid in een kistje perziken die hij stuk voor stuk eigenhandig voor mijn moeder opensneed en aan haar voerde. En liet van het pittensap liefdeselixer maken. Zijn tranen werden onder zijn handen tot kippesoep. Het lag geheel in de lijn der verwachtingen dat ook zijn dood genadebrood zou zijn.
En er is meer. Hoog, hoog op de golven van ’s mans appetijt leerde ik koffiedik kijken. Op zijn emoties viel geen pijl te trekken; op zijn eetlust des te meer. 'Copieus uit eten gaan’, zo wisten we, was een uitstekende gelegenheid om zakgeldverhoging aan te vragen. Maar at hij te veel, en vooral te vet (voor zijn doen) dan was het stress: fruit aanbieden. Nagerecht afslaan: NOODTOESTAND. Maar we spraken pas echt van een diepe crisis in zijn hap-slik-wegconjunctuur indien hij het middagmaal oversloeg. Twee keer overkwam hem dat: toen zijn moeder, en niet snel daarna ook zijn vader, stierf, trok hij een fles Glenfiddich uit de kast en was tot laat in de ochtend dronken. En dat brengt me het ontbijt te binnen. Vader was voor alles te porren, als het maar geen Engels ontbijt was. Hij ontbeet eenvoudig niet - ’s ochtends sliep hij zijn vraatroes uit. Hetgeen me meteen, zij het via een omweg, bij zijn levenseinde brengt, toen hij een roes uitsliep waaruit hij niet meer wakker te krijgen was.
Zijn buik was de zon - wij waren zijn planeten, en het voedsel was zijn sterrenstof. Als de vletterman Charon over de Styx, zo peddelde hij op zijn rivier van marsepein, van hap naar hap naar hap. Alle hens aan dek! Vrouwen en kinderen eerst, en allen met een zwak gestel, bibbertenen, chocoladeallergieën of baby op komst: verlaat dit verhalenschip - het zinkt, krijgt het zilte vocht met slokken binnen, vaart door wolken van bloed en schuimt door golven van knekels en afgekloofde mensenbotten. Stop de bloederige details, geen concrete manoeuvres meer, maar slechts dat ene waar ik zo dol op ben: het grote geheim… ik moet nog iets vertellen over die verdomde Wens…
Vergeef me, maar ik zal niet verhalen hoe papa werd thuisgebracht (in een taxi), waarheen hij werd vervoerd (naar zijn tweede huis in Zuid), hoe lang hij heeft gelegen (drie dagen) voordat wij het mes erin staken, waar we hem lieten bereiden (in de oven van de Turkse bakker van om de hoek die we voor de gelegenheid afhuurden), op welke wijze we hem bereidden (met veel knoflook natuurlijk, en tijm en oesterzwammen), waar hij precies werd opgediend (wéér dat huis), door wie hij werd verorberd (de voltallige familie) of hoe hij smaakte (naar kalfsvlees). Ik verklap niets. Ook zal ik niet vertellen of wij onze plicht met zin of tegenzin volbracht hebben (maar hij is wel helemaal op gegaan).
Maar ik heb gedronken en dan gaat mijn voorkeur uit naar een licht benevelde waarheid. Want misschien werd hij wel vervoerd per heli, naar Bali, aldaar gewassen en gedroogd, opgezet als offerbeeld, aanbeden door talloze Balinezen en leefden wij zowel als zij nog lang en gelukkig. Oranjeboom doet iets met je geheugen, dat moet je niet drinken, het heeft zijn weerslag op de tong. Dus ik verklaphikmaarverklaphikhikniets. Ik geef een huls, u denkt ’m vol, ik geef een blad, u ziet een boom. Maar ook in de meest gewone bomen kunnen verraderlijke draken zitten.
GENOEG GEBOOMD en bespiegeld - zijn vlees is op, zijn woord is in ons gevaren. Uit het feit dat er zo iets bestaat als een Laatste Avondmaal volgt dat er ook een Eerste is, zou moeten zijn. Ik beschouw mijn vaders leven - met een verschil tussen opkomst en ondergang van 185 kilo - als beginnend met het Eerste en eindigend met dit, hier, nu: zijn Laatste. En daar drink ik op.
Goed, mijn broers zijn de apostelen niet en Speedy EetAlles was Jezus niet, maar ik kan er niet omheen, dit soort verbanden dringen zich eenvoudigweg op. In details ben ik ingegaan op de obsessie van papa. Ik heb geen blad voor de mond genomen - waarom zou ik? Hoe vaak zien we de dingen zoals die zich daadwerkelijk voordoen niet over het hoofd? (Uw geliefde zegt: 'schat’, en u zegt: 'wat?’) En hoe vaak komt het voor dat we menen iets te zien dat er niet is! We verdelen - als ik zo vrij mag zijn - onze aandacht bar slecht over de waarneembare en de voor onze zintuigen gesloten fenomenen, en het is deze veronachtzaming van het 'nu’ die om een reconstructie (beter nog: reïncarnatie) vraagt, een constructie van het verleden. Al wat ik probeer is de scherven van een pot te lijmen die er nooit is geweest. God, wat ben ik veel vergeten of weet ik gewoon niet van papa! En wat maak ik er een kliederzooi van! En nu zitten wij hier te schransen alsof ons leven ervan afhangt, als honden maken wij het woord tot vlees tot woord. Mocht hij ooit wegzakken in de herinnering, dan nog zal hij de rest van mijn leven bij mij zijn. Hij heeft het slim aangepakt. Door in ons te rusten zal hij voor altijd voortbestaan.
En wat vinden mijn broers (zeven in totaal) hiervan? Stuk voor stuk behoren zij tot de rijksten en aanzienlijksten. Zien er goed uit, dragen gouden manchetknopen en zitten hier nu geanimeerd met elkaar te keuvelen. Geen sores aan de kop, zaktelefoon in de daartoe bestemde jaszak, af en toe een zacht piepje of London Bridge is Falling Down, Falling Down. Maar dit soort geheugensteuntjes uit de ether blijven onbeantwoord. Dit is een familieaangelegenheid.
Speech! Wie wil er speechen voor onze arme papa? Alle aanwezige broers hebben cursussen, seminars en symposia in de retorica en sociale omgang doorlopen. Ze hebben zonder uitzondering de modules 'Representatief Spreken’, 'Assertief Spreken’, 'Innovatief Spreken’, en, heel gemeen, 'Bijdehand Spreken’ aandachtig en met succes gevolgd. Ik neem het initiatief en ga met de vraag rond: wil jij, kan jij, zou jij, doe jij… Handgebaren. Broekriem los. 'Ik zit hartstikke vol’, 'Spreken is zilver…’, 'Ik laat deze kelk aan mij voorbijgaan’, 'Straks misschien’. Ik hoor het al: ze piepen hem. Verbergen zich achter een sluier van welbespraaktheid. Laat ook maar. Laat ik het erop houden dat ik hier de enige aanwezige ben, dat ik deze misdaad in mijn eentje pleeg - het idee: 185 kilo vet naarbinnen werken in je uppie. Maar laat ik dat afspreken. Al was het maar met mezelf.
Ecce homo, oké, maar wíe ben ik? Een droom? Moet ik het met een droom proberen? Vannacht had ik zo'n droom.
Ik loop door een straat van huis naar school, passeer een voorrangsbord en een vluchtheuvel. Dan begint het te sneeuwen, zachte sneeuw die warm aanvoelt en snel bruin wordt in de zon, van wit naar geel naar rood naar bruin. De sneeuw bedekt mijn huid en verandert in chocolade. Laag na laag bedekt het gestolde goedje mijn zomerse goed. Ik lik het op maar de sneeuw verandert in regen en de regen wordt heviger en verandert in hagelslag en dringt mijn longen mijn slokdarm mijn bloedvaten binnen. Ik moet vluchten voor de ijskoude regen maar de regen is overal. Het plakt en plakt en er schuiven zich verscheidene andere dromen tussen. Het volgende moment sta ik stil, vastgekoekt en ineengekorst door dikke plakken stollende chocolade. Het gaat allemaal razendsnel tot ik tot een chocolade-eitje samengekorst ben. Gewikkeld in een gruwzaam paars folietje word ik wakker.
Ik droomde niet. Ik lag in een wollen deken gewikkeld en de avond ervoor was mijn vader doodgegaan.
Nog niet alles is uitgesproken, nog niet alles gezegd. Het is tijd voor de speech. In de veronderstelling dat ik met een refrein ben begonnen, meen ik dat ik ook met dat refrein zal moeten eindigen. Ik zoek in mijn hoofd naar metrum en rijm. Ik schenk me een laatste glas wijn in en sta op. Ik spreek. Ik moet tot een afronding komen van deze gebeurtenis, een woord van dank, een reminiscentie, pointe, climax, verstilling. Zeven broers kijken naar me op. Waarover zal ik spreken? Over het begin van het einde omdat het einde van het einde niet meer bij ons is? We zijn nu immers vrij, hij zit in ons, papa verwordt tot pap en uitlaatgas. Ik begin te spreken. Ik leid in met ’… deze mooie dag die zich nog niet van ons heeft losgemaakt…’ stop veel intimiteit in ’… jullie bij de naam te noemen…’ en ’… natuurlijk herinneren jullie je nog wel dat papa…’ sta even stil bij ’… die verrukkelijke oesters, god weet waar hij die vandaan haalde…’ kan het niet laten een sneer naar de medici te geven met ’… die met al hun pillen en Prozac-wijsheid niet eens een gezonde vent in het ondermaanse kunnen houden…’ en bedank moeder ’… namens ons allen, voor alles. Wij zullen bij je zijn als de werkbijen bij hun koningin…’ En langzamerhand sluipt er iets in, dringt zich iets aan me op, voel ik dat ik over mijn droom moet vertellen, dat ik ze net iets meer wil vertellen dan alles wat ze willen horen. Ik wil zeggen dat mensen niet zo veel zouden moeten eten, dat niet iedereen een Dionysus of Omar Khayam kan zijn, dat ze hun vader wel moeten herdenken maar ook moeten vergeten, dat je niet met andermans lichaam kunt leven, dat hier een wijze les uit te trekken valt, dat ik eigenlijk aangeschoten ben, dat ik eerlijk gezegd helemaal niks over de goede man weet, dat ik nooit van al dat geschrans gehouden heb, dat ik vind dat moeder er zo lusteloos bij zit, dat ze papa niet moeten zien als een, als een, als… Dat denk ik allemaal, en ik zeg het ook. En zij? Ik weet niet wat zij hebben gedaan. Waarschijnlijk heeft iedereen zo zoetjes aan zijn jas aangetrokken, hebben ze nog zo wat handen geschud en zijn ze een voor een opgestapt. Misschien dat er nog even naar de tandenstokers gezocht is.
Maar al hadden ze de hele middag gezocht, al waren ze tot diep in de avond blijven rondscharrelen, dan nog zouden ze de tandenstokers niet gevonden hebben. Opgeborgen als ze waren in de palm van mijn hand.