Andrew Wheatcroft , Infidels

Eeuwenlange vooringenomenheid

In zijn studie ‹Infidels› laat Andrew Wheatcroft zien dat de manier waarop christenen en moslims elkaar eeuwenlang hebben gadegeslagen, is gebaseerd op de vanzelfsprekend negatieve interpretatie van iets onbekends.

In Infidels, zijn studie over de vijandschap tussen het christendom en de islam, bewijst Andrew Wheatcroft dat hij aan verhalen geen gebrek heeft, en geeft talloze voorbeelden van de voor ingenomenheid waarmee christenen en moslims elkaar in de loop der eeuwen hebben gadegeslagen.

Zo citeert hij onder meer het rapport uit 1860 dat de Britse consul in het destijds binnen het Ottomaanse rijk liggende Pristina schreef. Gevraagd naar de situatie van de christenen op de Balkan antwoordde de consul dat die veel beter was dan enkele decennia eerder. Hoe beroerd het vroeger was geweest, viel volgens hem af te lezen aan de extreem lage deuren van de christelijke kerken. De Turkse overheerser had bepaald dat de kerkdeuren niet hoger mochten zijn dan vier voet, zodat de gelovigen telkens moesten bukken om naar binnen te kunnen gaan, hetgeen zij zouden hebben ervaren als een ernstige vernedering.

Uit verhalen van andere reizigers naar het Turkse rijk komt echter een afwijkende verklaring naar voren: de christenen zouden die toegangsdeuren zelf zo laag hebben gemaakt, om te voorkomen dat de moslims muildieren de kerk in joegen, die vervolgens met hun mest het huis van God zouden ontwijden.

Maar de meest waarschijnlijke verklaring is dat die deuren een imitatie vormden van de deur van de Geboortekerk in Bethlehem, die bekend stond als de Deur der Nederigheid. Wat begon als een daad van zelfgekozen nederigheid resulteerde uiteindelijk in verhalen over doelbewuste vernedering door een vreemde overheerser. Het is de vanzelfsprekend negatieve interpretatie van iets onbekends.

Bij het lezen van deze verhalen moest Andrew Wheatcroft denken aan de wijze waarop Jacques Lacan trachtte duidelijk te maken hoe de betekenis van beelden en begrippen is bepaald door een eindeloze keten van associaties. Toen Lacan twee zich vlak naast elkaar bevindende deuren tekende, zagen zijn studenten daar niets bijzonders in. Die deuren riepen geen bijzondere associaties op. Pas nadat hij er de woorden «dames» en «heren» op had geschreven, kon iedereen zich een voorstelling maken van hetgeen er achter die deuren gebeurde. Het was de combinatie van het op zich neutrale beeld van een deur en het even neutrale woord «dames» of «heren» die een verbinding suggereerde met zaken als seksuele verschillen, urineren en ontlasting. De betekenis van deze deuren was dus bepaald door de context, net zoals de lage kerkdeuren in de Balkanlanden en Palestina beelden opriepen van onderdrukking, vernedering en bedreiging.

Om duidelijk te maken hoe deze vijandige houding is ontstaan gaat Wheatcroft terug naar de zevende eeuw, toen tot de islam bekeerde Arabische woestijnstammen de buitengewesten van het Byzantijnse rijk binnenvielen. In een verbijsterend tempo breidde de islam zich uit. Veel aandacht besteedt Wheatcroft aan de verovering van het Iberisch schiereiland. Vijf eeuwen lang beheersten moslims het grootste deel van wat zij «Al Andalus» noemden — het land van de Vandalen.

Tot de Reconquista aan het begin van de dertiende eeuw, eindigend met de inname van Granada in 1492, hadden christenen en de oorspronkelijk uit Noord-Afrika afkomstige moros betrekkelijk vredig naast elkaar geleefd. Ook de joden, die altijd een minderheid vormden, konden hun geloof beleven, en van gedwongen bekeringen was vrijwel nooit sprake. In de gebieden die door de moslims werden beheerst, gold een iets toleranter regime dan in de christelijke streken, maar ook daar dienden provo caties te worden vermeden. De meeste mensen hadden daar niet zo’n moeite mee, en om opportunistische redenen kwamen er nogal wat bekeringen voor.

De echte geloofsvervolgingen begonnen pas plaats te vinden nadat in het geünificeerde katholieke Spanje de «moren» en joden werden gedwongen zich te bekeren. Dat vormde de afsluiting van een eeuwen durend proces, waarin de katholieke kerk op bijna systematische wijze een vijandbeeld van de moslims had gecreëerd.

Aangezien beide godsdiensten claimden over de enige, echte Waarheid te beschikken, was een confrontatie onvermijdelijk, vooral waar economische en militaire belangen op het spel stonden. Omdat Spanje zich bevond aan de periferie van de islamitische wereld was de strijd daar minder hevig, en gaven de moslims zich er relatief snel gewonnen. Anders lag dat in Palestina, dat veel centraler in het islamitische territorium lag. Ook daar leefden de drie godsdiensten geruime tijd betrekkelijk vreedzaam naast elkaar, totdat aan het begin van de elfde eeuw de kalief van Cairo een campagne tegen joden en christenen begon en tal van christelijke heiligdommen liet verwoesten.

Na de dood van de kalief hielden de vervolgingen en vernederingen op, maar het kwaad was geschied. In het Westen werd steeds vaker de herovering van het Heilige Land gepredikt. De opeenvolgende kruistochten vormden een uiterst gewelddadige confron tatie, die aan beide zijden angst en haat zaaide. Opvallend was dat de wederzijdse vijandbeelden grofweg symmetrisch waren: beide kampen beschuldigden elkaar van wreedheid, gewelddadigheid en seksuele losbandigheid.

Andrew Wheatcroft gaat uitgebreid in op wat hij het systeem van maledicta noemt. De wederzijdse vooroordelen zijn door een eindeloze reeks vervloekingen zo geïnter naliseerd dat een objectief oordeel niet meer mogelijk is, zodat steevast voor de meest negatieve interpretatie wordt gekozen.

Er loopt een rechte lijn van de vroegere opvatting over moslims als «onverzadigbare tijgers», «moordzuchtige valken», «ontketende helhonden» en de «gesel Gods» naar de hysterische propaganda van Servische nationalisten in Bosnië en Kosovo. En hoezeer de negatieve beeldvorming over de islam is doorgedrongen in het moderne westerse bewustzijn blijkt volgens Wheatcroft uit het boek Balkanschimmen van de door hem bewonderde Robert Kaplan. Alle ellende in het voormalige Joegoslavië van de jaren negentig werd hierin geweten aan vijf eeuwen Turkse overheersing.

Maar niet alleen het beeld van de ander is sterk beïnvloed door een ernstig vertekende kijk op de geschiedenis en de traditie van maledicta, ook het zelfbeeld heeft eronder te lijden. In dit verband wijst Wheatcroft op de geschriften van Sayid Qutb en andere theoretici van het moslimfundamentalisme. En op president Bush, die in een onbewaakt moment sprak van een «kruistocht» tegen de kwade machten van de islam. Wheatcroft ziet hierin de neiging terug te grijpen op eeuwenoude maledicta, wat moet leiden tot een demonisering van eerst de extreme funda men talisten en vervolgens de gehele islam. Dat zou betekenen dat de Verenigde Staten de Rede verzaken, en daarmee de oude Verlichtingsidealen waaruit het land is ontstaan.

Andrew Wheatcroft

Infidels: The Conflict between Christendom and Islam 638-2002

Uitg. Viking, 443 blz., € 35,-