Eeuwig nu in havana

Guillermo Cabrera Infante, Drie trieste tijgers. Vertaald door Fred de Vries en Tessa Zeiler, met een voorwoord van Hub. Hermans. Uitgeverij Anthos, 455 blz., 339,90
OP SOMMIGE boeken zou, net als op andere genot- en geneesmiddelen, een waarschuwing moeten staan: ‘Dit boek kan de rijvaardigheid beïnvloeden’, bijvoorbeeld, of: ‘Brengt het gezond verstand ernstige schade toe’, of: ‘Geniet, maar lees met mate’.

Een dergelijke waarschuwing ontbreekt op de zojuist verschenen vertaling van een klassiek en vaak in één adem met Márquez’ Honderd jaar eenzaamheid of ook wel Joyces Ulysses genoemd werk van de Cubaanse schrijver Guillermo Cabrera Infante: Drie trieste tijgers, en vandaar dat ik me genoodzaakt voel hier op te merken dat wie Infantes oorspronkelijk al in 1967 verschenen roman gaat lezen, er ernstig rekening mee moet houden dat hij na een bladzijde of wat in een voor elk normaal sociaal verkeer desastreuze, en misschien wel daarom juist heerlijke, en ook heerlijk gevaarlijke roezigheid zou kunnen verkeren, een superbe dronkenschap, zo eentje die je doet geloven dat het nooit ochtend zal worden en dat vliegen of iets anders wat helemaal verkeerd af kan lopen, beslist tot de mogelijkheden behoort.
Niet alleen omdat de schrijver ons van nachtclub naar nachtclub sleept in het Havana van vlak voor Castro - van De Tropicana naar de Las Vegas, van Club 21 via bijvoorbeeld Mil Novecientos en Bar Celeste naar het Capri, telkens maar weer La Rampa op en neer, de Infanta af en de Humboldt, en in razende vaart naast een al behoorlijk aangeschoten chauffeur in zo'n heuse jaren-vijftigcabriolet over de Malecón. En niet alleen vanwege al die drankjes en cocktails die onderwijl worden genuttigd. Nee, de roes, de intoxicatie wordt vooral veroorzaakt door het feit dat in deze roman de taal aan de zwier is gegaan, dat de taal zichzelf, om binnen deze beeldspraak te blijven, als het ware vol heeft laten lopen in diverse etablissementen van de literatuur en nu op verscheidene bladzijden staat te oreren, lallen, zwetsen, zingen, roepen, schreeuwen en bulderen dat het een lieve lust is.
Drie trieste tijgers is een roman vol parodieën, pastiches en persiflages, waarin zowel klassiek Europese als Latijns-Amerikaanse schrijvers worden bedacht of bespot, nagedaan of zelfs naar de kroon gestoken en verbeterd. Je vindt bijvoorbeeld halverwege het boek een volstrekt krankjorum hoofdstuk onder de titel: ‘De dood van Trotski weergegeven door diverse Cubaanse schrijvers, jaren daarna - of daarvoor’. De moord op Trotski wordt door bijvoorbeeld José Martí, Alejo Carpentier of Nicolás Guillén op de voor hen typerende wijze beschreven - en het is een prachtig staaltje van wat bij de Klassieken misschien 'imitatio’ heette, of zelfs 'aemulatio’.
Het is maar één voorbeeld van het voortdurende gegoochel met de registers van de taal in dit boek, dat je de ene keer het liefst met het meest extreme uit de twintigste-eeuwse literatuur zou willen vergelijken - Finnegan’s Wake van James Joyce (ook wel 'Shame Joys’ genoemd in Infantes boek) -, de andere keer toch weer meer vindt lijken op Carrolls Alice in Wonderland (dat op zijn manier trouwens ook behoorlijk en bekoorlijk extreem is - maar dat terzijde). Maar Infante speelt ook met en verwijst expliciet naar Ezra Pound (ofwel 'Ezra Kilo’), naar T.S. Eliot ('Tea as Eliot’ - ook meligheid ontbreekt in dit boek niet), naar Lawrence Sternes Tristram Shandy, naar Goethe, Malraux, Sartre, Marx (zowel Karl als Groucho overigens), naar Freud en Stephenson, naar Borgès, Fleming en zeker ook naar Cervantes, want iedereen in deze roman is een Don Quichote en een Sancho Panza ineen, zo lijkt het.
HET BLIJFT IN Drie trieste tijgers niet bij het verwijzen naar en het spelen met literatuur alleen. Ook film en vooral muziek, in de eerste plaats Cubaanse muziek, spelen in dit boek een belangrijke rol. Het gaat dan om de muziek die maakt dat je 'zonder dimensie en tegelijk in alle dimensies’ aanwezig bent, zoals een van de vijf hoofdvertellers van het boek, Eribó, het formuleert. Hij is wat wij een slagwerker zouden noemen, en het spelen op de bongó of de tumba of de paila is voor hem eigenlijk hetzelfde als 'alleen zijn maar ook weer niet alleen, zoals wanneer je vliegt (…), zoals een piloot, in een vliegtuig, van waaruit je het landschap beneden je plat, eendimensionaal ziet, terwijl je ook weet dat de dimensies ons omringen en dat het toestel, het vliegtuig, de trommels dus de verbinding vormen, waardoor je laag kunt vliegen en de huizen en mensen kunt zien of hoog vliegen en de wolken kunt zien en tussen hemel en aarde kunt hangen’. En even verder: 'Ik speel met de muziek, sla, haal muziek uit dat dubbele geitenvel, vastgenageld aan een klamp op een houten cilinder, onsterfelijk gemaakt dier, zijn gemekker is door zijn huid tussen mijn benen tot muziek geworden als de testikels van de muziek, meegaand met de band, samen met de band en toch zo ver van de eenzaamheid, het gezelschap, de wereld: in de muziek. Vliegend.’
HET IS SLECHTS een van de vaak schitterende passages over muziek die zich tegelijkertijd laat lezen als een beschrijving van wat er met de taal in het boek gebeurt: een continu opzwepend ritme gaat nu eens in tegen, loopt dan weer mee met, syncopeert, ontkent, overstemt en maakt tegelijkertijd luid wat er aan melodie te horen valt.
Waar Eribó 'zich als wandelende muziek voordoet’, zoals ergens staat, daar wil een andere hoofdverteller, Bustrófedon, de taal zelf zijn, wat onder meer wil zeggen: erin opgaan. Hij is een taalvirtuoos, een meester in het palindroom (hier consequent 'palingdroom’ genoemd): in woorden of zelfs hele zinnen die van voren naar achteren gelezen en van achteren naar voren gelezen hetzelfde zijn (bijvoorbeeld 'meetsysteem’). Ieder woord explodeert in Bustrófedons mond in een myriade andere, verwante, afgeleide woorden, in door associaties, klankspelen, omdraaiingen, rijmen en halfrijmen tot stand gekomen nieuwvormingen of op die manier weer teruggevonden archaïsmen die dat waarnaar ze in de werkelijkheid verwijzen in een razend tempo een ander aanzien geven.
Deze bustrófenomenale taalkunstenaar, deze kernreactor waarin een nauwelijks te beheersen talige kettingreactie plaatsvindt, is ook degene die het taalspelletje speelt waaraan de roman zijn titel ontleent: 'drie trieste tijgers’ is het begin van een Spaanse tongbreker - 'tres tristes tigres en un trigal’ -, zo legt Hub. Hermans in de inleiding op dit boek uit. Het is dus zoiets als onze kat die de krullen van de trap krabt, of Liesje die Lotje leerde lopen langs de lange Lindelaan. In het snel achter elkaar opzeggen van dit soort zinnetjes is de kans op versprekingen groot, en daarmee dus ook de kans op nieuwe, onvermoede betekenissen en vergezichten. De taal komt hier los van zichzelf, precies zoals het lichaam los kan raken van het verstand zodra het ritme van de muziek het tot dansen verleidt.
Of zoals lichamen los kunnen raken van de afzonderlijke personen waartoe ze behoren op de toppunten van geil verlangen. Want we worden in dit boek ook nog de Cubaanse nacht in gesleept door Códac, fotograaf van showgirls en zangeressen, eentje 'die wenste dat alle vrouwen één enkele vagina hadden (al gebruikte hij nou niet precies het woord vagina)’. Códac is voortdurend op strooptocht, op jacht, en maakt in zijn geilheid geen onderscheid tussen bijvoorbeeld de graatmagere Irenita en de uit niets dan over elkaar heen stulpende vetrollen bestaande zangeres, 'de Luther van de Cubaanse muziek’, La Estrella - een onvergetelijke verschijning in dit boek: tegenhanger van Moby Dick, derhalve ook wel de 'zwarte walvis’ genoemd, gigantisch en gargantuesk. Zij is, zo zou je kunnen zeggen, het zinnebeeld van de vlezigheid die Códac beheerst, en het is dan ook geen wonder dat Códac in een bepaalde scène bijna letterlijk door een dronken naast hem liggende La Estrella wordt geplet en gesmoord.
IN CODAC IS - net als dat bij Bustrófedon en Eribó het geval is - een aspect uitvergroot dat alle vijf hoofdvertellers gemeen hebben: hier dus de eindeloze hofmakerij in de zoele Havaanse nacht, die maakt dat dit boek niet alleen de opzwepende Cubaanse muziek hoorbaar maakt, niet alleen taalorgasme is, maar ook nog het machismo van gefluit en tonggeklak, van complimentjes, kneepjes in billen en wangen, van gekroel en gezoen en gezweet in donkere hoekjes van nachtclubs en cafés.
En snelheid, vaart. Want Cué, de vierde verteller, doet weinig anders dan in zijn cabriolet door de straten van Havana rijden, niet zelden dronken achter het stuur maar met nog steeds vaste hand en op hoge snelheid over de boulevards koersend. 'Hij wilde geen kilometers vreten, zoals men zegt (…), maar hij reisde het woord kilometer af.’ Cué doorkruist de ruimte en is zo op zijn manier de uitvergroting van wat alle hoofdvertellers gemeen hebben: dat eindeloze trekken van kroeg naar club naar café naar terras in een eindeloze nacht.
Die vaart, de niet-aflatende beweging is noodzakelijk, want Silvestre, de vijfde verteller, Silvestre de schrijver die in het laatste en langste deel van de roman aan het woord komt en die vaak in gezelschap van Cué te vinden is, weet dat hij en Cué en Eribó en Bustrófedon en Códac eigenlijk allemaal hetzelfde zoeken: 'Wij waren totalitair: wij wilden de totale wijsheid, het geluk, onsterfelijk zijn door het eind met het begin te verenigen.’ De tijd mag met andere woorden voor hen niet stilvallen, maar wel willen zij van die tijd zelf een palindroom maken (overigens iets wat je misschien met een kleine spellingwijziging zou kunnen bewerkstelligen: 'tijt’). 'Er moet tijd zijn’, stelt Silvestre. 'Dat is hetgene dat in het nu het meest verwarrende is en als de tijd bestaat die in het nu het meest verwarrende is, is dat hetgene dat het nu tot het meest verwarrende maakt.’
Dat 'nu’ is de inzet van dit boek, dat je inderdaad verwarrend zou kunnen noemen omdat alles hier continu door elkaar loopt, zich tegelijkertijd op verscheidene plaatsen lijkt af te spelen. Het is het 'nu’ van het Havana aan de vooravond van de revolutie, het lichtzinnige Havana aan het eind van de jaren vijftig, het 'nu’ dat danst op de rand van de vulkaan. Je kunt ook zeggen: het is een 'nu’ dat juist door die revolutie voorgoed voorbij is, want dit hele boek is uiteindelijk geschreven vanuit díe wetenschap: dat Castro uit de heuvels is gekomen en een einde maakte aan dit Havana, aan deze tijd. Vandaar dat die revolutie slechts in een enkele bijzin aan de orde komt en dat Silvestre het er nadrukkelijk niet over wil hebben.
Er moet tijd zijn, maar het bewegen daarvan poogt Infante als het ware circulair te maken, het begin en het eind elkaar te laten raken. Hij heeft geprobeerd middels snelheid, geilheid, ritme, muziek, via ex- en imploderende woorden, in een kakofonie van het gelijktijdige, waarin literatuur uit alle windstreken en tijden naast en door elkaar haar stem verheft, momenten als momenten stil te leggen in een 'nu’ dat níet voorbijgaat. Met dit boek als resultaat: de tijd is hier opgegaan in de taal, in een uiterst beweeglijke taal nogmaals, die steeds dezelfde momenten, de momenten die 'in het echt’ allang voorbij zijn, weer tot leven brengt, weer heden maakt als het ware. Dat die momenten 'in het echt’ allang voorbij zijn, weten de vertellers zelf ook. Soms begint een van hen een zin in de verleden tijd en corrigeert zichzelf nog net, of omgekeerd: 'Ik ga, ging naar hem toe’, lees je dan. En bovendien: de hogedrukketel Bustrófedon sterft halverwege het boek aan een hersenafwijking. Nóg een reden om het 'nu’ dat voorbij is om te willen vormen in een 'nu’ dat niet voorbijgaat, dat in de taal zelf weer heden wordt en heden blijft zolang je leest. 'En ze probeerde zich voor te stellen hoe de vlam van een kaars eruitziet nadat hij uitgeblazen is’, zo luidt het motto van Lewis Carroll voor in het boek.
ALS GEZEGD: Drie trieste tijgers verscheen oorspronkelijk in 1967, niet de meest ideale tijd om met een boek te komen waarin het Cuba van vóór Castro in meer dan lyrische bewoordingen beschreven wordt. Die slechte timing deelt Infante met Joyce, die er ook een talent voor had zijn grote werken uit te brengen als het net weer oorlog werd. Infantes boek deelt, zoals gezegd, wel meer met Joyce, met de grote modernistische schrijvers in het algemeen, of met de door dat modernisme weer in de belangstelling gekomen schrijvers uit een verder verleden. Het is één manier om deze roman te lezen: als verlengstuk van die meer extreme romankunst. De kans dat je de ergens opgenomen zwarte bladzijde, de paar bewust lege bladzijden, de bladzijde volgeschreven met één eindeloos herhaald woord, en nog zo wat van die typografische trucs en tics een beetje 'schon dada gewesen’ vindt, is dan natuurlijk groot. Maar tegelijkertijd overwint het boek zelf deze wat gedateerd aandoende eigenaardigheden, waarvan er een aantal (zoals het dubbelverslag van Mr. en Mrs. Campbell over een wandelstok plus de onbeholpen, al te letterlijke vertaling van dat dubbelverslag) zo buitengewoon humoristisch is dat je de getructheid onmiddellijk weer vergeet. Bovendien is het niet per se nodig om op grond van bepaalde bekende modernistische procédés te besluiten dat het geheel gedateerd is. Die indruk heeft Drie trieste tijgers op mij in ieder geval nergens gemaakt. Veeleer is deze vertaling een uitnodiging tot actualiseren, een uitnodiging het Havana uit 1957 in een boek uit 1967 in deze vertaling uit 1997 weer tot heden te maken.
Maar pas op: dit boek kan uw rijvaardigheid beïnvloeden en uw gezonde verstand ernstige schade toebrengen. U bent dus gewaarschuwd.
BOEK VAN DE MAAND
De jury - bestaande uit Marc Reugebrink, Jacq Vogelaar, Barber van de Pol en Rob van Erkelens - koos dit keer Drie trieste tijgers van Guillermo Cabrera Infante tot boek van de maand. De andere mededingers waren:
Lothar Baier, Een jaar alleen (vertaald door Marion Offermans, Uitg. de Bezige Bij, 224 blz., 342,50). Eind jaren zeventig trekt een Duitse schrijver zich voor een jaar terug in de Languedoc en begint in z'n eentje een vervallen boerderij op te knappen. Een jaar alleen is een onopgesmukt en weinig flatterend verslag van de ups en downs in deze periode. Een roman als een zuiveringsproces, of een studie in alleenzijn. Onmodieuzer boek is nauwelijks denkbaar.
Alexandre Vona, Blinde vensters (vertaald door Jeanne Holierhoek, uitg. Ambo, 280 blz., 349,50). Pas na vijftig jaar uitgegeven roman van de Roemeen Vona die al sinds jaar en dag in Frankrijk woont. Feit en stemming zijn zonder hiërarchie vervlochten tot een diffuus geheel. Het resultaat is eerder amorf dan boeiend. Wel een goede vertaling.
Alvaro Mutis, Ilona komt met de regen (vertaald door Mieke Westra, uitg. Bert Bakker, 112 blz., 324,90). Van de schrijver van De laatste reis van de Tramp Steamer komt een prachtige novelle waarin alles draait om een bordeel en een verzameling definitief eenzame, rusteloze mensen, die altijd op reis zijn en nooit aankomen. Mutis is ook in Ilona komt met de regen een van de grote vertellers van Latijns-Amerika.