Eeuwig onbehagen

Ter gelegenheid van het verschijnen van het volledige vertaalde oeuvre van Sigmund Freud in Nederland herleest Hans Driessen het werk van de psychoanalyticus. Deze week deel vijf.
Sigmund Freud
Werken
Bezorgd door Wilfred Oranje, Boom, € 999,95

In het begin van Das Unbehagen in der Kultur (1930), Freuds invloedrijkste en somberste cultuurtheoretische geschrift, laat de schrijver zich de volgende verzuchting ontvallen: ‘Het leven zoals dat ons is opgelegd, is te zwaar voor ons, het bezorgt ons te veel verdriet, teleurstellingen, onoplosbare problemen.’ Alleen met behulp van ‘hulpconstructies’, zoals verdovende middelen, vertier, werk, godsdienst kunnen we ons leven draaglijk maken – let wel: ‘draaglijk’, niet gelukkig, want het heeft er alle schijn van dat ‘de bedoeling dat de mens gelukkig zou zijn geen deel uitmaakt van het “schepping”plan’.
Freud is heel stellig in zijn overtuiging dat de cultuur, of de ‘algemene vooruitgang’, de mensheid in elk geval niet gelukkiger heeft gemaakt noch in de toekomst gelukkiger zal maken. Daarvoor vraagt ze te grote offers van de mensen. Ten eerste stelt ze restricties aan het uitleven van het seksuele libido. Ten tweede onderdrukt ze stelselmatig de natuurlijke agressieve neiging van de mens. Met die eerste beperkingen valt nog wel te leven, de libidineuze energie laat zich zonder veel problemen sublimeren, met of zonder steun van de psychoanalytische therapie. Moeilijker wordt het al als de cultuur gaat eisen dat de liefde wordt uitgebreid naar alle leden van de grotere gemeenschap. Met andere woorden, de liefde, een in wezen exclusieve drift die haar objecten zoekt in een zeer kleine kring, moet ten behoeve van de cultuur getransformeerd worden tot een solidariteit met alle leden van de gemeenschap, of, beter nog, in een universele solidariteit met de mensheid. Het christelijke gebod ‘hebt uw naaste lief als uzelf’ (of de slogan van de internationale solidariteit: ‘Alle Menschen werden Brüder’) is de radicalisering van deze door elke cultuur gestelde eis tot solidariteit. Dit gebod vindt in Freuds ogen geen genade. Het is volgens hem zowel onrealistisch als onbehoorlijk. Het doet afbreuk aan de aard van de liefde, die per definitie exclusief is. Iedereen liefhebben is niemand liefhebben; bovendien zijn er genoeg naasten die terecht onze haat verdienen. Het gebod van de naastenliefde is als fluiten in het donker: hier wordt de menselijke natuur bewust ontkend. De mens is nu eenmaal geen zachtmoedig, liefhebbend en beminnelijk wezen; agressiviteit en wreedheid zijn in zijn natuur ingebakken.

Het heeft lang geduurd, tot na de Eerste Wereldoorlog en waarschijnlijk ook door de indruk die deze op hem maakte, voordat Freud de menselijke agressiviteit een plaats kon geven binnen zijn theoretische model. Hij ging aanvankelijk uit van het bestaan van slechts één fundamentele drift, de Eros. Hoewel hij in zijn psychoanalytische praktijk steeds weer met het fundamentele agressieve principe in de psychische huishouding van de mens werd geconfronteerd, verzette hij zich er lange tijd tegen dit principe een volwaardige plaats te geven naast het lustprincipe, de Eros. ‘Ik weet nog hoe afwijzend ik was toen het idee van de destructiedrift voor het eerst in de psychoanalytische literatuur opdook en hoe lang het duurde voordat ik hiervoor ontvankelijk was’, schrijft hij terugblikkend. Maar uiteindelijk gaf hij zich gewonnen: hij postuleerde de doodsdrift, waarvan de agressie de zichtbare uitingsvorm is, als een evenwaardige rivaal van de levensdrift. Hij verruilde het monistische model van de menselijke psyche voor het dualistische: de psyche is het strijdtoneel van twee elkaar bevechtende driften, de Eros-drift en de Thanatos-drift.

In Das Unbehagen in der Kultur gaat Freud een stap verder. Hij stelt dat de strijd tussen Eros en Thanatos, tussen levensdrift en destructiedrift, die in het onbewuste leven van de mens woedt, terugkomt op het niveau van het sociale leven oftewel de cultuur. De geschiedenis leert dat de mensen al heel vroeg in sociale verbanden gingen leven. De geschiedenis leert ook dat elke cultuur, hoe ver voortgeschreden ook, doortrokken is van een voortdurend onbehagen, dat eens in de zoveel tijd een uitweg zoekt in misdaad, oproer, rellen of zelfs revolutie. Hoe moeten we dit verklaren? Wat drijft hen tot gemeenschapsvorming? Waarom kiezen ze er niet voor solitair te leven?

Freud ziet niets in de contracttheorie die de samenleving verklaart als het resultaat van afspraken die eens tussen mensen gemaakt zijn en die ook nu nog de rationele basis vormen voor het sociale verband: ‘louter dwang der omstandigheden, het voordeel van een arbeidsgemeenschap zal hen niet bij elkaar houden’. De contracttheorie gaat uit van een rationalistisch mensbeeld en is om die reden al onhoudbaar. De mens laat zich nu eenmaal niet leiden door nuchtere overwegingen. Het verschijnsel dat mensen kleinere of grotere gemeenschappen vormen, moet zijn oorsprong vinden in een diepere laag van de menselijke psyche, namelijk in zijn driftleven. Het is de Eros, die ‘geïsoleerde menselijke individuen, later gezinnen en daarna stammen, volkeren, naties tot een grote eenheid wil verenigen’. Waarom dit zo is weten we niet, net zo min als we weten waarom de mens zich zo nodig moet voortplanten.

Maar waar komt het onbehagen dan vandaan? Het komt volgens Freud niet in de eerste plaats door de ongelijke verdeling van kennis, inkomen en macht die de bestaande samenlevingen aankleeft. Zeker, ook die zorgt voor de nodige spanning, agressie zelfs. Maar zelfs als de ongelijke verdeling is opgeheven zal het onbehagen blijven voortbestaan. Geen enkele samenleving zal erin slagen de agressieve natuur van de mens blijvend de kop in te drukken. Wel is het zo dat sommige samenlevingen de agressie tijdelijk kunnen kanaliseren, namelijk door ze in een oorlog of in de onderdrukking van een minderheidsgroep (‘Zo heeft het in alle richtingen uiteengejaagde volk van de joden zich lovenswaardige verdiensten verworven voor de culturen van zijn gastvolkeren’) of in sportieve rivaliteit een uitlaatklep te bieden. Maar onvermijdelijk zal de agressie zich uiteindelijk tegen de eigen cultuur keren. Want even fundamenteel als het driftmatige streven van de mens om culturele banden te smeden, is zijn streven deze banden op een zeker moment te verbreken: ‘tegen het program van de cultuur [dat het werk is van de Eros] verzet zich de natuurlijke agressiedrift van de mensen, de vijandigheid van één tegen allen en allen tegen één’.

Das Unbehagen in der Kultur was en is een klap in het gezicht van alle wereldverbeteraars en utopisten. Het ontneemt hun de hoop op een toekomst waarin sociale gerechtigheid en geluk voor alle mensen hand in hand gaan, zoals in de Nederlandse versie van de Internationale uit de jaren zeventig van de vorige eeuw nog op naïeve wijze werd verondersteld: ‘De Internationale brengt alle mensen geluk.’ Freud toont aan dat de belemmeringen voor het geluk van de mens niet sociaal-politiek maar psychologisch van aard zijn. Dat maakt hem nog niet tot cultuurpessimist. Hij heeft wel degelijk oog voor de verworvenheden van de cultuur, met name voor de grote mate van bestaanszekerheid die ze garandeert. Maar hij waarschuwt voor de al te hoge geluksverwachtingen die ten aanzien van de cultuur worden gekoesterd, in de wetenschap dat bestaanszekerheid en geluk onmogelijk te verenigen zijn.

Vijftien jaar na het verschijnen van Das Unbehagen in der Kultur radicaliseert Karl Popper deze waarschuwing in The Open Society and Its Enemies tot een keiharde constatering: ‘Van alle politieke ideeën is de wens de mensen volmaakt en gelukkig te maken misschien wel de gevaarlijkste. De poging de hemel op aarde te verwezenlijken heeft altijd weer geleid tot de hel.’ De vele ontaardingen van het socialistische experiment, waar ook ter wereld, hebben het vermoeden van Freud en de constatering van Popper eens te meer, en misschien nu definitief, bevestigd. De mensheid blijft door hun toedoen sadder but wiser achter.