JAN BREMAN, KOLONIAAL PROFIJT VAN ONVRIJE ARBEID

Eeuwig profijt

Jan Breman, Koloniaal profijt van de onvrije arbeid, € 37,50

Jan Breman, Koloniaal profijt van de onvrije arbeid, € 37,50 (e-book)

Medium breman vp hr

Jan Breman woonde lange tijd in ruraal India en keerde telkens terug om ontwikkelingen van binnenuit te bestuderen. Hij zocht mensen op die leefden aan de onderkant van die samenleving: wat is hun perspectief? Het leverde vele publicaties op die hem een grote naam hebben bezorgd, vooral buiten Nederland.

Hoe valt dit te verklaren? Nederlandse onderzoekers hebben tegenwoordig minder gelegenheid om veel tijd door te brengen in het veld. Interdisciplinair onderzoek is nu minder in zwang. Er wordt meer naar aspecten gekeken, niet naar processen als geheel. En er is meer interesse in macroprocessen dan in veranderingen binnen afzonderlijke gemeenschappen. Maar juist armere bevolkingsgroepen zien hun perspectief vooral bepaald door wat zich dichtbij afspeelt, in hun eigen leefomgeving. Wie nationale ontwikkelingsprocessen analyseert zonder zich af te vragen hoe die uitwerken voor de mensen zelf vertekent de werkelijkheid. Zo is in het recente rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid Minder pretentie, meer ambitie – dat in het regeerakkoord met zoveel woorden is omarmd – het zicht op mensen geheel verduisterd.

Onlangs publiceerde Breman twee nieuwe boeken: Outcast Labour in Asia en Koloniaal profijt van onvrije arbeid. Het eerste boek is een bundel essays over de transformatie van economische verhoudingen in Azië ten gevolge van modernisering, urbanisatie, industrialisatie en de introductie van kapitalistische marktmechanismen in de landbouw. Talloze mensen hebben niet kunnen profiteren van de economische vooruitgang. De druk op kleine boeren en landarbeiders is steeds zwaarder geworden. Zij raakten gevangen in een cirkelgang van hoge kosten voor water, zaaigoed en kunstmest, geringe productiviteit en lage oogstopbrengsten. Woekerkredieten leidden tot hoge schulden en inbeslagneming van hun grond door crediteuren, grotere boeren en (veelal afwezige) landheren. Landloze boeren gingen behoren tot een nieuwe arbeidsreserve die werk zocht in de steden, in de bouw en de industrie.

De ‘industrielle Arbeitsarmee’ waarover Marx schreef in de negentiende eeuw is tegenwoordig te vinden in de ontwikkelingseconomieën van Azië. Breman beschrijft de ontworteling van de rurale bevolking, die mensen noopt tot migratie om elders werk te zoeken, vaak zwervend tussen stad en platteland. Dat is doorgaans zware seizoensarbeid, meestal informeel werk, van dag tot dag onzeker, lange werktijden, onmenselijke arbeidsomstandigheden en lonen beneden het bestaansminimum. Grote groepen mensen zien zich gedoemd tot een bestaan aan de onderkant van de economie, zonder perspectief. Neoliberaal economisch beleid verkleinde de toegang tot publieke voorzieningen en ontnam het uitzicht op verbetering van hun abominabele huisvesting en behoorlijk onderwijs en gezondheidszorg. Grote groepen mensen werden gedoemd te leven binnen een onderklasse, zonder mogelijkheid te ontsnappen. Zij worden geëxploiteerd door kapitalistische ondernemers, vergeten door onderzoekers en beleidsadviseurs, buitengesloten door de middenklasse en genegeerd door politici die hun basis hebben gevonden in die middenklasse: ‘Locked in waiting rooms beyond the purview of politicians’, aldus Breman in een van zijn eerdere studies.

In discussies over armoede en stagnerende ontwikkeling gaat het meestal over Afrika. Maar armoede is niet tot Afrika beperkt. Veel Aziatische landen, waaronder China en India, hebben een tamelijk hoge groei weten te verwezenlijken, hoger en langduriger dan enkele decennia geleden werd verwacht. Maar de keuze van een liberaal economisch model in deze landen heeft aan de onderkant niet tot minder armoede geleid, wel tot grotere ongelijkheid. De wijze waarop de groei werd bevorderd is ten koste gegaan van grote groepen mensen. Breman ontmaskert het gezicht van de moderne economische ontwikkeling in Azië: velen profiteren, maar velen worden stelselmatig buitengesloten. Dat is geen verschijnsel van voorbijgaande aard.

Dat dit eigenlijk altijd zo is geweest laat Breman zien in Koloniaal profijt van onvrije arbeid. Dat gaat over een andere periode (de negentiende eeuw) en een ander land (de kolonie Nederlands-Indië), maar de bevindingen lopen parallel. De studie komt voort uit een onderzoek dat in de jaren tachtig was gestart vanuit de Erasmus Universiteit in Rotterdam, gebaseerd op onderzoek van primaire bronnen, verricht door Wim Hendriks. Dat leidde eerder tot belangwekkende publicaties (waaronder De laatste eeuw van Indië van Jacques van Doorn) en is nu afgesloten met de studie van Breman.

Breman beschrijft de werking van het Preangerstelsel op de koffieteelt van Java. Dit ging vooraf aan het cultuurstelsel en was gebaseerd op dwang: de boeren werden massaal verplicht een groot deel van hun tijd op de plantages te werken. De gedwongen tewerkstelling bij de teelt en de levering van koffie ging gepaard met verplichte levering van herendiensten. Die betroffen bewaking, bouw en transport, en ook de verzorging van koloniale gezagsdragers. De onderwerping van de bevolking vond getrapt plaats, via de inheemse volkshoofden. De afhankelijkheid van de eigen elite werd erdoor bestendigd en verscherpt, omdat die elite dienstbaar moest zijn aan het koloniale regime en deze dienstbaarheid uitoefende door de eigen bevolking te knechten. De koloniale uitbuiting leidde tot afroming van een economisch surplus dat in Indië werd gecreëerd, maar in Nederland werd aangewend om daar de economische groei te financieren. Voor de inheemse bevolking werd wel iets gedaan, maar dat stond in geen verhouding tot de behoeften en de mogelijkheden.

Koloniaal profijt resulteert in een langdurige voorsprong van koloniale mogendheden en kan vervolgens worden gebruikt om de economische ontwikkeling van voormalige koloniën te dwarsbomen. De voorsprong bestendigt zichzelf.

Diverse factoren gaven aanleiding het stelsel te herzien. Max Havelaar van Multatuli speelde daarbij een rol, maar de toenemende vraag naar koffie, die leidde tot een steeds grotere claim op de beschikbare grond en tot grootschaliger productie, gaf de doorslag. De koloniale staatsexploitatie werd ingewisseld voor een koloniale exploitatie op basis van vrijemarktwerking. De volgzaamheid aan volkshoofden werd veranderd in een rechtstreekse onderschikking aan het gouvernement. De bevolking raakte hierdoor weliswaar bevrijd uit een traditioneel isolement, maar zag zich meteen gekluisterd in nieuwe afhankelijkheidsverhoudingen. Losgemaakt uit een horig bestaan werden landarme boeren en landloze knechten gedwongen rond te trekken om werk te zoeken. Er ontstond een klasse van zwerfboeren die zwerfarbeid verrichtten: ontginning van woeste gronden en deelbouw. Door hun de vrije toegang tot ongebruikte grond te ontzeggen verloren zij hun bestaansbronnen. Zo ontstond een arbeidsreserve waarvan het bedrijfsleven op aantrekkelijke voorwaarden (karige lonen zonder reguliere werkcontracten) profijtelijk gebruik kon maken.

In zijn boek verwijst Breman naar historici als Fasseur, die stellen dat de bevolking uiteindelijk toch profijt heeft gehad bij het cultuurstelsel en de beleidsveranderingen daarna. Enig profijt was er zeker, aldus Breman, maar per saldo was de bevolking steeds de dupe. Opeenvolgende generaties koffieplanters bleven in armoede gedompeld en leden onder een regime van onvrije arbeid, eerst in een systeem van staatskolonialisme en nadien op de zogenaamde vrije markt. Een vergelijking dringt zich op met de rondtrekkende landarbeiders in de Verenigde Staten in het begin van de vorige eeuw, zoals beschreven door John Steinbeck in The Grapes of Wrath. Het komt overeen met de huidige situatie in India: losse, informele dienstverbanden, lage beloning, geringe kans op emancipatie en toenemende ongelijkheid, niet alleen ten opzichte van koloniale en neokoloniale machthebbers, maar ook binnen de eigen maatschappij. De commercialisering van de landbouw leidt tot concentratie van areaal in handen van grote bezitters ten koste van armere en kleinere boeren. De tegenstellingen tussen hogere en lagere klassen worden groter en de ongelijkheid op het platteland neemt toe. De brede maatschappelijke onderkant die in onderschikking gevangen zit is, aldus Breman, gedoemd tot een bestaan als voetvolk, koelies behorend tot een proletarische onderklasse.

Breman noemt dit afhankelijke ontwikkeling: voortgaande onderschikking aan andere belangen dan die van de bevolking zelf. Dat is niet hetzelfde als stagnatie of, zoals dat vroeger heette, onder-ontwikkeling. Zowel in het koloniale Indië als in het huidige India zien we economische veranderingen en groei. De effecten zijn niet beperkt tot de bovenkant van de economie. Ook aan de onderkant vindt verbetering plaats. Maar die staat in geen verhouding tot de welvaartstoename die de middenklasse en de top zich weten toe te eigenen. De grens tussen de klassen is niet absoluut. Sommigen weten van de nieuwe verhoudingen te profiteren en ontstijgen de onderklasse, anderen zakken weg. Alles hangt af van de toegang tot natuurlijke hulpbronnen, vruchtbare grond, water, kapitaal, krediet, technologie, onderwijs, gezondheidszorg, allemaal noodzakelijk om deel te hebben aan economische vooruitgang en vernieuwing. De vraag ernaar neemt toe, de prijs stijgt en publieke voorzieningen, bedoeld voor mensen die over te weinig middelen beschikken om zich die toegang te verschaffen, nemen af.

De hervorming tijdens het koloniale regime in Nederlands-Indië had een soortgelijke uitwerking als de invoering van de neoliberale economische politiek in India na het einde van de Koude Oorlog of die van het staatskapitalisme in China. Zij vinden een parallel in de modernisering die bekendstaat als globalisering. Het gaat om dezelfde effecten, maar dan wereldwijd: beperking van de toegang tot eigen bestaansbronnen, grotere mobiliteit, ruime arbeidsreserve, lage lonen, slechte arbeidsvoorwaarden en dus bestendiging van armoede en ongelijkheid. Zo beschouwd was de koloniale onderwerping niet de oorzaak van de ongelijkheid. Kolonisatie was de dominante verschijningsvorm van bestaande ongelijkheidsverhoudingen. Na de dekolonisatie zijn die niet wezenlijk veranderd. De hedendaagse globalisering is eerder neokoloniaal dan traditioneel koloniaal, wordt meer bepaald door geopolitieke overwegingen dan door grof imperialisme. Het karakter van de globalisering is puur kapitalistisch en de resulterende ongelijkheid buitensporig.

Wordt dat onderkend? Breman beschrijft hoe voortdurend werd gezocht naar verhulling van de werkelijkheid. In officiële documenten werd gesproken over ‘verlossing uit dienstbaarheid’, ‘verheffing’ en ‘goed bestuur’. De werkelijkheid kon worden verhuld door onvolledige of verkeerde informatie te verschaffen. Onrecht en ongelijkheid werden versluierd. Verantwoordelijke beleidsmakers werden afgeschermd. Het bestuur draaide niet alleen de publieke opinie maar ook zichzelf een rad voor ogen door zich goede bedoelingen toe te dichten, die haaks stonden op de werkelijkheid die verborgen bleef in de staatsstukken.

Ambtenaren en onderzoekers keken met de ogen van het regime. Dat gebeurt nog steeds, bijvoorbeeld door consultants en instellingen met een etatistische kijk op processen. De werkelijkheid wordt onderbelicht door verhullend woordgebruik, een verkeerde voorstelling van zaken, vage definities en begripsomschrijvingen, ambigue statistieken en twijfelachtige criteria. Wat vroeger verheffing heette, wordt nu gepresenteerd als ontwikkeling. Onderzoeksinstellingen rond de Verenigde Naties en de Wereldbank schrijven dat we op de goede weg zijn, dat de Millennium Ontwikkelingsdoelstellingen – halvering van de armoede in 2015 – gehaald worden en dat er in het zuiden van de wereld tegenwoordig minder oorlogen en slachtoffers zijn. Die beweringen zijn gebaseerd op definities en statistieken die de werkelijkheid geweld aandoen. De armoede neemt niet af. Het aantal mensen dat het leven niet zeker is evenmin. Ontwikkeling en ontwikkelingssamenwerking zijn prachtige begrippen, maar voor velen is de dagelijkse werkelijkheid iets heel anders dan ontwikkeling. En de staten, naties, landen, klassen en identiteitsgroepen waartoe zij behoren, zijn sinds het begin van het nieuwe millennium eerder gewikkeld in competitie en confrontatie dan dat zij samenwerken om een gemeenschappelijk doel te bereiken.

Niet alleen de werkelijkheid wordt verhuld, ook het verzet daartegen. Dat kan de vorm aannemen van ontduiking en vermijding, recalcitrant en subversief gedrag, werkweigering, obstructie, sabotage, confrontatie en desertie. Breman beschrijft hoe Nederlandse koloniale beleidsambtenaren geneigd waren de schuld te zoeken bij de mensen zelf: zij zagen ze als primitief, dom, onverschillig, of zedelijk onderontwikkeld. Hij constateert in Outcast Labour in Asia dat die neiging nog steeds bestaat. Het is, schrijft hij, de wedergeboorte van het sociaal-darwinisme, sinds de opkomst van het neoliberalisme opnieuw in zwang gekomen als ideologie ter rechtvaardiging van ongelijkheid.