Joop den Uyl

Eeuwig worstelen met de waarheid

Voor velen is Joop den Uyl nog altijd de visionaire politicus die mensen wist te bezielen. Anderen vinden dat hij Nederland bijna in de afgrond stortte. In haar biografie schetst Anet Bleich een soms ontroerend beeld van een man die hartstochtelijk streefde naar een betere wereld.

Op 23 september 1987 hield Joop den Uyl een inleiding voor de werkgroep geschiedenis van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de Partij van de Arbeid. Het was vermoedelijk zijn laatste openbare optreden in Nederland, aangezien hij kort daarop naar Senegal vertrok voor een bijeenkomst van de Socialistische Internationale. Daar werd hij plotseling ziek en bij terugkomst in Nederland constateerden de artsen een hersentumor, waaraan Den Uyl de dag voor Kerstmis zou overlijden.

Op die wbs-bijeenkomst sprak Den Uyl over de ontstaansgeschiedenis en invloed van de rapportenreeks Om de kwaliteit van het bestaan uit het begin van de jaren zestig, waarvan hij als toenmalige wbs-directeur het eerste deel had geschreven. Het rapport ging uitgebreid in op het probleem dat, ondanks de sterke economische groei en het na de oorlog tot stand gekomen stelsel van sociale zekerheid, de publieke sector sterk achterbleef bij de groei van de particuliere welvaart. Hoewel het rapport tal van concrete aanbevelingen gaf, week het sterk af van de vroegere sociaal-democratische plannen, die altijd uitgewerkte blauwdrukken voor de samenleving waren geweest. Waar kwam deze nieuwe aanpak, waar kwamen deze nieuwe ideeën vandaan?

Den Uyl wist het nog precies: ‘Op een zaterdagmiddag in 1958 of 1959 liep ik boekhandel Bas in de Leidsestraat binnen en met de trefzekere hand die men op die leeftijd nog bezit greep ik The Affluent Society van John Kenneth Galbraith uit de kast.’ In dat boek analyseerde de Amerikaanse econoom hoe na de oorlog in het Westen de samenleving werd gekenmerkt door ‘private opulence amidst public squalor’. Voor een stabiele economische groei en een meer rechtvaardige samenleving was het noodzakelijk dat het evenwicht tussen de publieke en de private sector hersteld werd. Door zijn gelukkige greep in de boekenkast had Den Uyl hier een instrumentarium in handen waarmee de Nederlandse sociaal-democratie weer een hele tijd vooruit kon.

In de vorige week verschenen Den Uyl-biografie van Anet Bleich wordt deze bijeenkomst niet genoemd, maar wordt wel duidelijk dat Den Uyl hier de geschiedenis nogal naar zijn hand zette. Toen nvv-voorzitter André Kloos in 1959 de aandacht vestigde op het boek van Galbraith wilde Den Uyl er immers nog niets van weten. Binnen de wbs kostte het Henk Eijsink veel moeite Den Uyl te overtuigen van de waarde van Galbraith’ denkbeelden. Die vond het namelijk nogal flauw om nu de welvaart eindelijk tot brede lagen van de bevolking doordrong de arbeider niet een eigen autootje te gunnen. Uiteindelijk wisten de galbraithianen binnen de wbs hem ervan te doordringen dat die arbeiders niet veel aan dat autootje zouden hebben wanneer er geen wegen meer konden worden aangelegd. Daarna maakte Den Uyl zich het denken van Galbraith volkomen eigen en schreef hij met groot enthousiasme Om de kwaliteit van het bestaan.

Den Uyls biografe signaleert een bepaald patroon in zijn intellectuele ontwikkeling. Den Uyl was iemand die lang twijfelde, die lang om een bepaald denkbeeld heen cirkelde, er van alle kanten aan snuffelde, er eindeloos argumenten en kritiek op losliet. Wanneer hij eenmaal een standpunt had ingenomen, wanneer hij een idee had omhelsd, dan was het ook helemaal van hem, dan maakte hij het zich volledig eigen. Vandaar dat hij zich een kwart eeuw later waarschijnlijk niet meer kon voorstellen dat hij de ideeën van Galbraith niet zelf had ontdekt.

Een soortgelijke ontwikkeling maakte Den Uyl ook door toen halverwege de jaren zestig de jongere generatie van Nieuw Links te hoop liep tegen het partijestablishment, en rond 1980 tijdens het verzet tegen de kernwapens. Zijn omgeving verbaasde zich niet zelden over het vuur waarmee hij denkbeelden uitdroeg die hij kort daarvoor nog had verworpen. Was dat niet gewoon ordinair opportunisme? Wapperde Den Uyls flodderige colbertje niet gewoon mee met alle winden? Volgens Anet Bleich doet een dergelijk oordeel Den Uyl onrecht. Kenmerkend voor hem – zij schrijft dat grotendeels toe aan zijn calvinistische achtergrond – was de eeuwige worsteling met de waarheid. Hij wilde een vraagstuk altijd van alle kanten bezien, hij kon goed luisteren, was dol op tegenspraak en lokte dat ook voortdurend uit. Medewerkers waren soms stomverbaasd dat hij hun memo’s of nota’s tot op het bot fileerde, om vervolgens in de Tweede Kamer of in een artikel hun argumenten te gebruiken. Daarbij kwam nog dat hij met die waarheid wel iets wilde doen, dat hij ervan overtuigd was dat je wel resultaten moest weten te boeken. Als hij iets níet wilde zijn, was het een stuurman aan de wal.

Waar Bleich bijzonder goed in is geslaagd, is het schetsen van het complexe karakter van Joop den Uyl. Aan het slot van haar boek staat ze stil bij de vele beelden die van Den Uyl in omloop zijn. Voor velen is hij nog altijd de visionaire, intellectuele politicus die mensen wist te bezielen. Anderen zien in de eerste plaats een aandoenlijke, wat onhandige en slordige man, terwijl hij in de ogen van iemand als Frits Bolkestein degene is die door zijn onverantwoordelijke beleid Nederland vrijwel in de afgrond heeft gestort. Hij wordt vaak gezien als een enorme drammer, die altijd zijn zin wilde doordrijven, terwijl hij tegelijkertijd ook een eeuwige weifelaar was die moeite had met het doorhakken van knopen. Tijdens crisissituaties als de Molukse kapingen, de olieboycot en de Lockheed-affaire, kwam hij op velen over als een wijze staatsman, maar anderen leggen er graag de nadruk op dat hij het partijbelang te veel liet prevaleren. Hij was een dromer, iemand van grootse vergezichten, een groot liefhebber van poëzie, maar hij was ook een doener, stond vol overtuiging met zijn voeten in de modder en wilde concrete resultaten boeken.

Voor mensen in zijn omgeving was hij dikwijls attent, behulpzaam en medelevend, nam hij ondanks een krankzinnig drukke agenda soms uitgebreid de tijd om er voor een ander te zijn, maar daarentegen had hij niet door hoe hij met iemand als Dries van Agt moest omgaan. Het ontging hem ten enenmale dat verschillende cda-politici diep gekwetst werden door het vaak arrogante optreden van pvda-coryfeeën, zodat er op het einde van het kabinet-Den Uyl een enorme tijdbom lag te tikken.

In haar biografie weet Bleich al deze aspecten duidelijk te benoemen en te integreren tot één overtuigend en soms zelfs ontroerend beeld van een man die hartstochtelijk streefde naar een betere wereld. Zijn persoonlijke twijfels, zijn worsteling met allerlei dilemma’s, zijn turbulente huwelijk met de al even dominante en eigengereide Liesbeth, en zijn relatie met zijn zeven kinderen – dat alles wordt heel precies en zorgvuldig beschreven.

Uiteraard zijn er ook enige kanttekeningen te plaatsen bij deze levensbeschrijving. Om te beginnen is het taalgebruik soms wat al te populair. Zo lezen we dat het onmiddellijk ‘klikte’ tussen Den Uyl en koningin Juliana, dat het uniformverbod er bij prins Bernhard ‘flink inhakte’ en dat Ed van Thijn het ‘niet meer trok’ om voor de zoveelste maal met het cda te moeten onderhandelen. Na verloop van tijd heeft de lezer ‘het wel gehad’ met dit soort clichés.

Een zwaarwegender bezwaar is dat Bleich niet altijd overtuigt wanneer ze de context wil schilderen waarbinnen Den Uyl opereerde. Waar het gaat om de periode die ze zelf als politicoloog en journalist intensief heeft meegemaakt – het kabinet-Den Uyl, de hopeloze pogingen om opnieuw premier te worden en de weinig verheffende taferelen rond de opvolging van Den Uyl – is er weinig aan de hand. Maar wat betreft de jaren vóór pakweg 1970 zijn haar sfeertekeningen soms wat minder raak. Hoewel haar schildering van de pvda in de jaren veertig en vijftig niet zo negatief is als in het gedenkboek dat ze in 1986 schreef ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van de partij, heeft ze nog altijd weinig affiniteit met de sociaal-democratie van vóór de opkomst van Nieuw Links. Hierdoor legt ze wel erg veel nadruk op de saaiheid en het conformisme van de sociaal-democratie in het tijdperk-Drees en neemt ze wellicht onbewust het beeld over dat Den Uyl – die door het radicalisme van de jongere generatie werd aangeraakt – later van deze periode heeft geschetst. Ook gaat ze niet echt in op de invloed die Jacques de Kadt op Den Uyl heeft gehad, een invloed die deze later is gaan bagatelliseren.

Wat vrijwel geheel ontbreekt, is de internationale context. In de Socialistische Internationale, maar ook als regeringsleider had Den Uyl regelmatig contact met buitenlandse geestverwanten. De West-Duitse bondskanseliers Willy Brandt en Helmut Schmidt en de Zweed Olaf Palme worden in het voorbijgaan even genoemd, maar de Britse premier Harold Wilson, de door Den Uyl om zijn intellectuele gaven bewonderde Labour-leider Michael Foot, de Franse premier François Mitterrand en de Iberische socialistenleiders Mario Soares en Felipe González komen in het register niet voor. Omdat Den Uyl leider was van een partij die zich graag onderdeel van een internationale beweging waande, was het de moeite waard geweest om hem te vergelijken met buitenlandse sociaal-democraten.

Naast de ‘onthulling’ dat Joop den Uyl een tweede omkoopaffaire van prins Bernhard heeft verzwegen, waarover in 2005 al is gepubliceerd, behoort de ontdekking dat hij als scholier en beginnend student fascistische sympathieën heeft gehad tot de meest opmerkelijke onderdelen van deze biografie. Terecht beschrijft Bleich dit laatste als een ‘jeugdzonde’ en wijst ze erop dat elke vorm van antisemitisme hem zuwider was. Ze vindt het echter ‘wonderlijk’ dat hij vóór 1940 geen oog had voor ‘de centrale functie van het antisemitisme binnen het nationaal-socialisme’. In die tijd hadden weinig mensen daar oog voor. Sterker nog, voor de meeste nationaal-socialisten was het bijzaak. Het waren vooral de antikapitalistische pretenties, de nationalistische sentimenten en de afkeer van het materialisme en het rationalisme die zo kenmerkend waren voor de arbeidersbeweging, die aantrekkingskracht uitoefenden op mensen die ontevreden waren over het functioneren van de liberale democratieën. Den Uyl vormde hier geen uitzondering op.

Ook wanneer ze de tweeënhalve maand beschrijft die Den Uyl in de zomer van 1939 doorbracht op het Institut für Welthandel in Kiel heeft Bleich de neiging de naïviteit van Den Uyl te overdrijven. Ze citeert dagboekaantekeningen die hij maakte na het zien van een film over de Spaanse Burgeroorlog: ‘Veel H[itler] J[ugend] in de zaal. Publiek is rustig en spaarzaam in het onderstrepen der propaganda. Op het witte doek een mengeling van Wahrheit und Dichtung, vooral de luchtmacht wordt in haar activiteit getoond. Eentonigheid.’ Volgens Bleich illustreren deze opmerkingen zijn ‘naïeve miskenning van de aard van het nationaal-socialistische Duitsland op haast lachwekkende wijze’. Mij lijken het vrij nuchtere observaties. Hij ziet dat het publiek niet laaiend enthousiast is en heeft door dat van een objectieve film geen sprake is.

Volgens Bleich heeft Den Uyl deels een verkeerde indruk van het Derde Rijk gekregen doordat op het instituut waar hij studeerde openlijk werd gediscussieerd over economische

denkbeelden die niet strookten met de nationaal-socialistische ideologie. Hierdoor werd hij ‘gesterkt in de waan dat binnen zekere grenzen een open debat mogelijk was’. Wat zij hier over het hoofd ziet, is dat dit in Duitsland in de jaren dertig inderdaad zo was. Het Derde Rijk was in verschillende opzichten veel minder totalitair dan de Sovjet-Unie van Stalin. Dus was het niet zo vreemd dat een sociaal bewogen, gezagsgetrouwe, diepgelovige jongen, die wel een diepe weerzin móest voelen tegen het goddeloze socialisme, gevoelig was voor de charmes van een autoritair regime waar ten minste iets aan de werkloosheid en sociale misère werd gedaan.

Wat in dit verband ook opmerkelijk is, is dat Bleich geen melding maakt van het feit dat Den Uyl eind jaren dertig actief was in de Amsterdamse Maatschappij voor Jongemannen (amvj) van Jo Eijkman. Jarenlang was Den Uyl een van de leiders van de zomerkampen die deze sociaal bewogen predikant organiseerde voor jonge werklozen. Eijkman was in protestantse kring een van de eersten die zich openlijk keerden tegen de Duitse bezetting, en Bleich laat zien dat zijn brochure invloed had op Den Uyl, die door de Duitse inval onmiddellijk was genezen van zijn Duitse sympathieën.

Dat er bij deze biografie enkele kanttekeningen te plaatsen zijn, doet echter niets af aan het feit dat Anet Bleich een boeiend, vaak verrassend en over het algemeen overtuigend portret heeft geschreven van een even complexe als interessante politicus.

Anet Bleich, Joop den Uyl 1919-1987: Dromer en doordouwer. Balans, 544 blz., € 35,-