Antisemitisme - Moslims en ‘de jood’

Eeuwige jodenhaat

Betekenen de antisemitische uitingen van vooral Marokkaanse jongeren dat Nederland serieus te maken heeft met opkomend antisemitisme? De vraag wordt voorgelegd aan het Niod. ‘Het is niet iets van de laatste tijd en je hebt er geen moslims voor nodig.’

Medium assjors

Het lijkt een plaag die zomaar ineens over Nederland waait: Marokkaanse jongeren die antisemitisch gedrag vertonen. De conclusie lijkt snel getrokken: moslimjongeren zijn antisemitisch. Of nog bondiger: de islam is antisemitisch. Maar wie dieper kijkt, ziet een ander beeld. Een beeld van een ‘lange, doorlopende traditie van antisemitisme in Nederland waar ook islamitische jongeren uit putten’ en een context van ‘islamisering van identiteiten’, zoals de wetenschappers Annemarike Stremmelaar en Remco Ensel het noemen.

Beiden zijn verbonden aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Niod). De afgelopen drie jaar hebben ze onderzoek gedaan naar antisemitisme onder Turken (Stremmelaar) en Marokkanen (Ensel). Hun research is onderdeel van het programma Conflict Veiligheid, gefinancierd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek. Stremmelaar (42) is expert Turkse talen en culturen, gepromoveerd op de Osmaanse geschiedenis. Ensel (48) is antropoloog en historicus, werkzaam als cultuurhistoricus aan de Radboud Universiteit Nijmegen en voor dit project gedetacheerd bij het Niod. Van hem verschijnt in september het boek Haatspraak: Antisemitisme, een 21ste-eeuwse geschiedenis. Ook dragen ze bij aan de bundel History of Antisemitism in Postwar Dutch Society en aan een website met casussen die discussie opriepen over de vraag of er al dan niet sprake was van antisemitisme. Van ‘Wij gaan op jodenjacht’ in voetbalstadions tot de uitspraak van pvv’er Martin Bosma dat hij ‘de rode neuzen in Hilversum ging afhakken’.

Volgens beide onderzoekers kent het spreken over antisemitisme ‘vele problemen’. Mensen bedienen zich niet graag van de term ‘antisemitisme’. Degenen die ervan beticht worden, komen met tegenwerpingen: ‘Het is slechts baldadigheid.’ Het wordt, kortom, gebagatelliseerd. Of het andere uiterste: ‘Het gaat eigenlijk over Israël.’ Achter het antisemitisme gaat in die visie maatschappijkritiek schuil. ‘Joden en Israël worden sowieso vaak door elkaar gehaald.’

Een volgend probleem is dat antisemitisme meteen wordt geassocieerd met de Tweede Wereldoorlog, met nazisme en Auschwitz, ‘je hoort de laarzen al weer marcheren’. Met als gevolg dat de spreker wordt ‘weggezet’ als nazi en in de verdediging schiet. Ensel, nuchter: ‘Het is een morele diskwalificatie van jewelste. Vergeten wordt dan dat antisemitisme er al was vóór 1933 en ook ná de Tweede Wereldoorlog.’ Een derde complicerende factor: wetenschappers vinden het ‘niet chique’ om de term ‘antisemitisme’ te gebruiken. Dat bracht de socioloog Abram de Swaan er ooit toe de term ‘anti-Israël-enthousiasme’ te introduceren. Ensel: ‘Je zou het antisemitisme_-light_ kunnen noemen’.

De hamvraag is: is er sprake van apert antisemitisme onder Turken en Marokkanen? Stremmelaar: ‘Een van de opvallende uitkomsten van ons onderzoek is dat onder Marokkaanse Nederlanders antisemitische uitingen veel sterker naar voren komen dan onder Turkse Nederlanders.’ Ze refereert aan de recente rel over de Turkse jongerenwerker in Arnhem die antisemitisme onder Turkse jongeren in de openbaarheid bracht (zie het artikel ‘Ik heb een joodse buurman’). ‘De Turkse organisaties reageerden verbaasd. Tot die tijd zagen ze antisemitisme als een probleem dat hen niet aanging, hoogstens leefde dat onder enkele vrome, conservatieve Turkse Nederlanders.’

Marokkaanse Nederlanders zijn vanaf ongeveer 2000 ‘veel prominenter in het spreken over Israël en de joden in niet zulke vriendelijke bewoordingen’, zegt Ensel. Daar komt de ‘identiteitenpolitiek’ om de hoek. ‘Wat betekent het precies om Marokkaan te zijn? Blijkbaar is het voor sommigen van hen aantrekkelijk om de joden erbij te halen als ze iets willen zeggen over Nederland of zichzelf. Je kunt laten zien dat je Marokkaan bent, of eigenlijk wat het betekent om Marokkaan in Nederland te zijn, door wat je zegt over Israël.’ De jood wordt daarbij ‘overdrachtelijk gebruikt, hij vertegenwoordigt de macht waar Marokkanen zich, vanuit hun ondergeschikte positie, tegen willen afzetten’. In dat frame worden ook pvda-Kamerlid Ahmed Marcouch, de Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb en Geert Wilders afgeschilderd als ‘jood’ en ‘de media’ als joods. Opmerkelijk hierbij is de connectie met antihomo-uitspraken. Ensel: ‘In Marokko is het woord “jood” bijna synoniem aan “laf”, “onmannelijk”, “feminien”. Overigens: in Europa werd de jood vanaf de negentiende eeuw ook neergezet als decadent, homoseksueel, onmannelijk.’

Beide wetenschappers schetsen een beeld van de achtergrond van de Turkse en Marokkaanse Nederlanders. Zo leefden bij de Turkse beweging Milli Görüs vanaf eind jaren zestig ideeën over de joden en het zionisme als de grote vijand. Het zionisme werd gezien als een kwade macht die de wereld bestuurt. Voor degenen die naar Nederland kwamen, kreeg dat idee hier een nieuwe functie, namelijk als verklaring waarom ze door economische malaise gedwongen naar Nederland kwamen, om vervolgens ook daar in een achtergestelde positie te zitten.

In Marokko was in de jaren zestig juist een radicaal-links, seculier perspectief dominant. Israël was daarbij een product van het kolonialisme, van het westerse imperialisme. De Marokkanen die vanaf eind jaren zestig naar Nederland kwamen – onder hen GroenLinks-voorman Mohamed Rabbae – deelden veelal dit perspectief en vonden aansluiting bij links-activistische bewegingen als het Nederlands Palestina Komitee. Ensel: ‘In Marokko bestond in die jaren, rond de onafhankelijkheid van 1956, een ronduit problematische relatie met de joden die daar woonden. Er deden zich gewelddadigheden en, in 1948, zelfs pogroms voor. Een prominente krant drukte de Protocollen van de wijzen van Zion op de voorpagina af en er was anti-joodse propaganda. Joden vertegenwoordigden daarin de blijvende aanwezigheid van de kolonialisten, ze werden afgeschilderd als vijfde colonne.’

‘Net als in het vroegste christendom wordt de jood in de vroege islam ingezet als illustratie van de dwaalleer’

De Zesdaagse Oorlog in 1967, waarbij Israël grote stukken Arabisch land innam, versterkte – niet alleen in Marokko – dit sentiment. Vanaf 1979, na de stichting van de Islamitische Republiek in Iran door ayatollah Khomeini, klonk wereldwijd nog een ander geluid. Khomeini riep de islamitische wereld op te strijden voor de bevrijding van Jeruzalem. Israël werd in dat discours de grote boze vijand van de hele islamitische wereld. Dit islamitisch activisme, waarbij de joden en het zionisme als de belangrijkste tegenstanders werden gezien, werd vanaf de jaren tachtig ook in Nederland vertolkt.

Maar er spelen meer factoren, soms met wortels nog dieper in de tijd. Stremmelaar en Ensel leggen uit dat het beeld van de ‘complotterende jood met zijn tentakels in de media’ vanaf de negentiende eeuw overal ter wereld sterker werd, ‘dus óók in de Arabisch/islamitische wereld’. Joden werden meer en meer gezien als ‘representant van de moderniteit en alle kwalijke aspecten daarvan’.

En ook in de islam zelf zitten anti-joodse elementen. ‘Wij zijn geen theologen of islamologen. Wij kijken naar wat moslims zeggen en doen, niet naar wat de koran zegt’, verklaren beiden. Ensel: ‘Ik ben wat terughoudend op dit punt. Maar in de islam zit een ambivalentie tegenover joden, zoals mensen zich wel vaker distantiëren van het geloof dat aan hun eigen geloof vooraf ging. Net als in het vroegste christendom wordt de jood in de vroege islam ingezet als illustratie van het valse pad, de dwaalleer. De jood krijgt dus een symbolische functie.’ Maar er is een belangrijk verschil met het christendom. In de islam ‘ontbreekt het hele idee van de Christus-moordenaar. De joden hoefden dus niet geconfronteerd te worden met vergelding.’

Joden hadden de status van dhimmi, ‘iemand die bescherming geniet’. ‘Ze werden net als christenen erkend en getolereerd als gelovigen, weliswaar minderwaardig, maar toch’, zegt Ensel. Daar komt bij dat de islam ‘geen Tweede Vaticaans Concilie heeft gehad. Er heeft geen algemeen aanvaarde herziening plaatsgevonden van de wijze waarop binnen het geloof tegen joden wordt aangekeken. De islamitische wereld kent ook geen eenduidige, gezaghebbende top zoals de christelijke.

Er is echter nog een heel andere link tussen antisemitisme en islam, zeggen de Niod-medewerkers. Antisemitisme als een fenomeen onder moslims, niet alleen onder christenen, wordt door de overheid in 1983 voor het eerst gesignaleerd. In dezelfde tijd gaan moslims zich juist collectief sterker manifesteren als moslims en eisen islamitisch burgerschap op. De Rushdie-affaire van februari 1989 is daarbij een belangrijk moment. ‘De eerste intifada van 1988 was in Nederland nog seculier van karakter. In de geschriften uit die tijd vind je geen woord over islam of jihad. In 1987 was opvoering van het stuk Het vuil, de stad en de dood van Fassbinder door actievoerders in Rotterdam verhinderd vanwege het vermeende antisemitische karakter. In 1989 vroegen moslims, ook in Nederland, zich af: waarom kan De duivelsverzen dan niet verboden worden?’ Ze krijgen het gevoel dat er met twee maten wordt gemeten, dat ze niet worden gehoord. Wereldwijd wordt Rushdie neergezet als ‘agent van het zionisme’, de verspreiding van het boek is een ‘joods complot’.En dan is er de kwestie van de identiteit. In de jaren negentig werd ‘moslim’ wereldwijd steeds meer gehercodeerd als een etnisch in plaats van een religieus etiket. Voor linkse activisten als Mohamed Rabbae moet het een verrassing zijn geweest dat ze ineens vooral als moslim werden gezien. Deels werd dit moslim-etiket van buiten opgelegd, deels namen moslims het zelf aan. Het versterkt de tendens om zich af te zetten tegen de joden, denken de onderzoekers. Naast de eerdergenoemde ‘islamisering van identiteiten’, waarin alles religieus-islamitisch wordt geduid, bestaat er dan ook een soort natuurlijke tegenhanger: ‘religieus antisemitisme’, dat overigens deels weer stoelt op seculieren teksten.

De vraag is: in hoeverre is het hedendaagse antisemitisme ‘geïmporteerd’ in Nederland met de komst van moslim-immigranten? Stremmelaar: ‘Dat is in zoverre onzin dat anti-Israëlische sentimenten vanwege het Palestijnse conflict én antisemitische opvattingen al veel langer leven in Nederland. Het is beslist niet iets van de laatste tijd en je hebt er geen moslims voor nodig. Nieuwe groepen sluiten zich aan bij wat hier al aan de hand is. Het is een Nederlandse geschiedenis waar Marokkaanse en Turkse Nederlanders ook hun aandeel in hebben.’

Ensel vult aan: ‘Het vocabulaire, de motieven, de stijlfiguren gaan terug tot aan de Tweede Wereldoorlog. De holocaust is al vanaf de oorlog tégen de joden ingezet, in de trant van “ze zijn vergeten je te vergassen”, en Israël wordt vanaf de oprichting al vergeleken met Hitler.’ Dat het antisemitisme momenteel toch zo prominent zichtbaar is onder met name Marokkaanse jongeren komt volgens de onderzoekers doordat het zo’n sterke rol is gaan spelen in het ontwikkelen van de eigen identiteit. ‘Wie zijn wij? Marokkanen? Moslims? Het Midden-Oostenconflict leeft vooral onder Marokkaanse jongeren heel sterk, zoals vroeger Vietnam voor velen een issue was. Elke zichzelf respecterende Marokkaan móet iets van dit conflict vinden. Voor Turkse jongeren speelt de positiebepaling tegenover de joden kennelijk een minder belangrijke rol in hun identiteit.’

Wordt het antisemitisme Marokkaanse jongens in Nederland dan met de paplepel ingegeven? ‘Ik weet niet precies wat ze thuis op de bank allemaal horen of wat ze elders oppikken, bijvoorbeeld in de sociale media’, zegt Ensel. ‘Maar bij diegenen die zich daadwerkelijk antisemitisch uitlaten en die joden lastigvallen komt het volgens mij inderdaad voort uit de opvoeding. In brede zin dan wel: opvoeding gebeurt óók door de peer group. Onder die jongeren leven sterke ideeën over de joden die de wereld in hun macht hebben en moslims dwarszitten.’

En dat algemene beeld trekken die jongeren door naar de Nederlandse situatie: ook hier dwarsbomen de joden de moslims doelbewust. ‘We hebben het gemerkt tijdens observaties in klassen bij holocaustlessen, waar een leerling gewoon hardop zei: “Ik hoef niet te luisteren want er is een jood aan het woord.”’


Beeld: Demonstratie tegen het geweld van Israël in de bezette gebieden die na afloop uit de hand loopt, Amsterdam, 2002 (Juan Vrijdag / ANP).