Eeuwige kunnestrijd

Natuur of cultuur; wat bepaalt het sekseverschil? Een oude discussie. Zouden we niet net zo lang met cultuur moeten experimenteren tot vanzelf blijkt waar de biologische wal het culturele schip keert?

VOLGENS DE overlevering hoorde mevrouw Gagarin op 4 april 1961 pas via de staatsradio dat haar Joeri Aleksjevitsj de ruimte was ingeschoten. De anekdote vermeldt niet of ze eigenlijk wel wist dat haar man astronaut was, maar het verhaal is in zoverre klassiek, dat je je nauwelijks kunt voorstellen dat de rollen ook omgedraaid hadden kunnen zijn: een vrouw als eerste astronaut en haar man onkundig van de plek waar ze verbleef. De officiële geschiedenis van deze planeet is grotendeels die van de mannen, schrijft Françoise Thébaud in haar inleiding op De geschiedenis van de vrouw; mannen werden lange tijd gezien als ‘de vertegenwoordigers van de mensheid’, terwijl uit talrijke studies toch is gebleken 'dat ook de vrouwen een geschiedenis hebben en historisch een volwaardige rol spelen’. Een uitvoerige Geschiedenis van de man is nog niet verschenen, want zijn geschiedenis lijkt, wanneer je niet goed oplet, samen te vallen met die van de beschaving, hooguit gelardeerd met enkele Cleopatra’s en echte kerels als Jeanne d'Arc, koningin Elisabeth, koningin Victoria en Golda Meir.
Van het feministisch front vernemen we de laatste jaren weinig nieuws. De 'tweede bevrijdingsgolf’, met Betty Friedans The Feminine Mystique uit 1963 als canonieke tekst, werd bekroond met een ook wel 'postfeministisch’ genoemde third wave in de jaren tachtig, gemarkeerd door de opkomst van de Nieuwe Vrouw, die, zo maakten wij uit televisiereclames op, een eigen bedrijf oprichtte, circa vier kinderen grootbracht en toch nog tweemaal per week tenniste. De rechten van de vrouw werden niet meer serieus betwist en de voltooiing van het gelijkheidsbouwwerk was een kwestie van geduld. De vrouwenbeweging kon ondertussen terugzien op gedenkwaardige successen; zo kregen agressieve cyclonen, die tot 1977 door laag-bij-de-grondse, seksistische meteorologen onbekommerd 'Carol’ of 'Edna’ werden genoemd, voortaan afwisselend vrouwen- en mannennamen. Misschien was de samenleving niet erg maakbaar gebleken, de vrouw was dat tot op zekere hoogte wel.
ONDERTUSSEN, aan de westkant van de Atlantische Oceaan, in dat laboratorium van de moderne mensheid genaamd Amerika, ontketende E. O. Wilson met zijn Sociobiology (1975) een cultuuroorlog. De sociobiologie (ook wel bekend onder het pseudoniem 'evolutionaire psychologie’) werkte aan het eerherstel van de biologische factoren die het menselijk gedrag bepaalden, waarbij vooral een min of meer nieuwe visie op seksuele gewoonten en partnerkeuze de voorpagina’s haalde. Het gedrag van mensen werd in neo-darwinistische termen van overlevingskansen beschreven: de mannen waren verwikkeld in een zware concurrentiestrijd om de vrouwen, die belang hadden bij het strikken van een betrouwbare kostwinner. Mannen wilden, zoals iedereen altijd al had gedacht, het liefst zoveel mogelijk vrouwen bevruchten - je kon je genen nooit te veel verspreiden - en vrouwen waren terughoudend en selectief omdat zij zo veel tijd en risico investeerden, dat ze niet over one night-ijs konden schaatsen; avondjes uit waren een noodzakelijk onderdeel van de selectieprocedure. Seks was een handige zet van de natuur om te slim geworden virussen dwars te zitten en de genetische variatie te vergroten, en die hoogst altruïstische samenwerking tussen niet-verwante personen bleek een vruchtbare langetermijnstrategie, zoals experimenten met het prisoner’s dilemma en de game theory aantoonden. Seksuele jaloezie? De man had een voorwendsel nodig om te kunnen controleren of het wel zijn zaad was dat zich in de baarmoeder ontplooide. Verliefdheid? Onlangs berichtte Helen Fisher ons dat vrouwen niet langer dan vier jaar van een man konden houden, omdat het in hun genetische belang is om kinderen van verschillende mannen te krijgen.
Wat betekent dit 'nieuwe cynisme’ voor onze visie op de gender wars? De verleiding was altijd al groot om rolpatronen en machtsverhoudingen toe te schrijven aan 'de natuur’. Omdat mannen nu eenmaal goed waren in het uitvoeren van agressieve taken - concurreren, expanderen, oorlogvoeren - was het logisch dat zij zich buiten de deur gingen ontplooien, terwijl vrouwen mochten gaan proberen om de kinderen op tijd naar school te krijgen, omdat ze nu eenmaal 'zorgzaam’ waren. Zorgtaken verdelen? 'Welnee’, vertelt Midas Dekkers aan Opzij, 'bij negenennegentig procent van de zoogdieren maakt het mannetje een wip en is dan weg. Ook bij de apen is dat zo, en wij zijn apen.’
MAAR HELAAS, de biologie laat zich ook weer niet zo gemakkelijk gebruiken. In een overzichtsartikel, The Origins of Sex Difference in Human Behavior (American Psychologist, juni 1999) vatten Alice H. Eagly en Wendy Wood de stand van zaken samen. Het gedrag van mensen kan worden teruggevoerd op sociaal-culturele structuren en overtuigingen én op erfelijke biologische eigenschappen. Mannen en vrouwen uit de jager-verzamelaarculturen stonden duizenden jaren lang bloot aan een verschillende selectiedruk - mannen moesten goede jagers zijn (het uitroeien van de mammoet was een van onze vroegste culturele hoogtepunten) en de vrouwen vruchtbaar en zorgzaam. Er ontstonden erfelijke, sekse-specifieke mechanismen die ons gedrag tot op de huidige dag zouden bepalen.
De eenvoudige tegenstelling nature-nurture is niet van toepassing, want zowel de 'biologen’ als de 'sociologen’ geloven in een interactie van biologische factoren en omgevingsaspecten. De sociobiologie vat sekse-specifieke eigenschappen op als psychologische tendensen, gebaseerd op aanpassing aan oeroude omstandigheden, terwijl hun tegenstanders de fysieke verschillen als niet meer dan één invloed op de rolverdeling zien. Eagly en Wood beschouwen de arbeidsverdeling als de motor van alle culturele verschillen, en niet de natuur of de biologie. De psycholoog Buss deed een vergelijkend onderzoek naar zevenendertig culturen, waarbij zo weinig verschillen werden gevonden dat het resultaat werd opgevat als een ondersteuning voor de genetische invalshoek en het bestaan van een universele menselijke natuur. Eagly en Wood analyseren de gegevens nog eens grondig en komen tot de conclusie dat de onderzochte culturen qua maatschappijvorm wel heel erg op elkaar lijken, hetgeen, in aanmerking genomen dat de grotere fysieke kracht van mannen en de reproductieve taken van vrouwen niet willekeurig verdeeld zijn, sommige 'sociale arrangementen’ waarschijnlijker maakt dan andere. Het is vrijwel onmogelijk om aan te tonen dat bepaalde mutaties en aanpassingen de kans op survival vergrootten, en daarmee komt het hele verhaal van de selectiedruk op losse schroeven te staan. Eagly en Wood voorspellen dat bij een evenwichtiger verdeling van werk en rijkdommen de sekseverschillen sterk zullen verminderen of zelfs verdwijnen, een conclusie die door Buss’ materiaal al voorzichtig lijkt te worden ondersteund. Slechts één gedragsverschil blijft bij alle onenigheid als de spreekwoordelijke paal boven water staan: mannen zijn agressiever dan vrouwen. Camille Paglia - maar zij niet alleen - brengt agressie rechtstreeks in verband met creativiteit: 'Er is geen vrouwelijke Mozart, omdat er geen vrouwelijke Jack the Ripper is.’
Ook bij een zuiver biologische benadering is er voldoende ruimte voor een groot scala aan gedragingen. De natuurlijke selectie ontwierp geen gedrag, zij ontwierp de organen die gedrag mogelijk maken, en de organen die ooit bij de overleving hielpen, kunnen die functie inmiddels verloren hebben en worden ingezet voor andere activiteiten. Het maken van al die pornografische rotstekeningen hielp niet direct bij het overleven, maar het kon met mentale organen die geheel toevallig ter beschikking stonden. De menselijke geest, schrijft Robert Wright in Darwins geweten, is zodanig ontworpen dat zij kan reageren op een 'ongekende verscheidenheid van omstandigheden’, en de mens heeft culturele speelruimte omdat zijn erfelijke gereedschappen op tal van manieren inzetbaar zijn - hij kan zelfs muziek maken, ook al was dat (het voorbeeld komt van Steven Pinker) vanuit evolutionair oogpunt bezien nutteloos. De biologie definieert wel degelijk grenzen, maar er is zo te zien op de meeste terreinen weinig reden om voetstoots aan te nemen dat vrouwen of mannen 'nu eenmaal’ dít goed kunnen en dát niet zouden moeten doen, omdat het 'tegen de natuur indruist’. Is het niet verleidelijk om bij de emancipatie van zowel mannen als vrouwen net zo lang met cultuur te experimenteren tot vanzelf wel blijkt waar de biologische wal het culturele schip keert?
Mannen en vrouwen evolueren, elk op hun manier. Zo horen we de laatste tien jaar met zorgwekkende regelmaat dat de man, geconfronteerd met al die zelfbewuste en over hun eigen vruchtbaarheid beslissende Nieuwe Vrouwen, in een crisis zou zijn geraakt. Na een zekere aanloopperiode was hij eindelijk bereid om zijn zogeheten 'vrouwelijke eigenschappen’ te ontwikkelen, en hij was daarmee net een beetje lekker op streek toen hij uit de culturele bijlagen moest vernemen dat hij, terwijl hij op zondagavond na het uitruimen van de vaatwasmachine de vuilniszakken bij de lantaarnpaal zette, door zijn vrouw plotseling niet meer zo sexy werd gevonden. Wat nu? Was het alweer niet goed? Nieuw aan dit fenomeen was dat sommige mannen zich kennelijk iets aantrokken van de verwachtingspatronen van vrouwen; waren ze werkelijk 'almaar kleiner, aardiger, meisjesachtiger’ geworden, zoals Fay Weldon tegen de Volkskrant zei, of was er louter sprake van een aanval van meegaandheid, die zou uitwoeden zodra de biologie haar rechten weer kwam opeisen? De overgrote meerderheid van de mannen bleef natuurlijk, zoals altijd, gewoon zijn gang gaan.
CULTUUR IS, onder andere, een spel, een verzameling variaties op eeuwige thema’s, en je kunt de mens hooguit verwijten dat hij vaak terugvalt op beproefde oplossingen - traditie, back to normalcy, godsdienst. Mannen en vrouwen hoeven zich niet bij voorbaat door hun biologie de les te laten lezen; de mens is niet voor niets het alomtegenwoordige dier. We weten uit de geschiedenis van literatuur, film en reclame dat beelden kunnen veranderen, al zijn de varianten vaak minder spitsvondig dan op het eerste gezicht lijkt - de videoclips bij die uitzichtloos narcistische popmuziek van de jaren negentig zijn bijna uitsluitend gericht op het basso ventre van de man. Mannen en vrouwen houden elkaar als vanouds in een wurggreep van verwachtingspatronen en beelden, waartoe je ook die talloze ongefundeerde mythen kunt rekenen; 'zelfs’ Theodor W. Adorno dacht dat je door de telefoon kon horen of een vrouw knap was.
Reclameboodschappen zijn schatkamers van verborgen boodschappen en culturele 'blinde vlekken’. De vraag is alleen of we de artistieke voorkeuren van de producenten voorgeschoteld krijgen of de veronderstelde belangstelling van de kijkers. Wat betekent de geslachtsloze blik van die zwartharige vrouw, die in haar glazen onderzeese woning - een negatief aquarium - met zoiets als een 'lege belangstelling’ een haai ziet langszwemmen? Schuilt er nog een flintertje spontaniteit in de voorstelling van Cher, halfnaakt dansend en zingend op een oorlogsschip, onder de half opgeheven kanonlopen en toegejuicht door honderden matrozen ('sommige kanonlopen’, zou Freud hebben gezegd, 'zijn gewoon kanonlopen’)? Waarom denkt het leuke meisje bij het afscheid altijd terug aan 'zeven heerlijke dagen’ en de leuke jongen aan 'zes heerlijke nachten?’ De Canadese zangeres Shania Twain wijst een serie goedgebouwde of vermogende mannen af die 'don’t impress me much’, en de boodschap zal wel luiden dat ze - iets anders wil? bij nader inzien het celibaat verkiest? binnenkort toch naar Nova Scotia verhuist? Wanneer je de beeldcodes van de televisie niet meer helemaal begrijpt, begin je het contact met je tijd te verliezen, zo beweren boze tongen, maar het is vermoedelijk nauwkeuriger om te zeggen dat je de ideaalbeelden niet meer begrijpt.
VOLGENS HELEN FISHER behoort 'morgen’ aan de vrouwen, maar dat valt nog te bezien. Wanneer vrouwen uiteindelijk evenveel verdienen als mannen en op alle fronten dezelfde status hebben veroverd, zal het ergste leed in het Westen alweer geleden zijn, zodat mannen en vrouwen zouden kunnen overgaan tot de culturele wanorde van de dag, om werkelijk inventief te worden, niet te zeer gehinderd door gepieker over hun biologie. Wanneer de taakgebonden eigenaardigheden inderdaad verdwijnen, zouden mannen en vrouwen kunnen besluiten om hun vruchtbaarste verschillen te beschermen als cultuurgoed, zodat ze elkaar nog wel begrijpen, maar over een kloof heen, die min of meer doelbewust in stand wordt gehouden. Paglia verafschuwt de neiging van feministen om mannen te veranderen in moderne eunuchen: 'We want masculine vigor, and I’m afraid that in order to get men macho again we may have to endure a certain amount of instability in sexual relations.’
Misschien geeft de toekomst een dubbele beweging te zien waarbij mannen en vrouwen enerzijds 'naar elkaar toe’ groeien en anderzijds de verschillen koesteren uit weloverwogen (seksueel) eigenbelang. De historie van het feminisme vertoont de tendens om zowel de gelijkheid als het verschil tussen de seksen - de eigenheid van de vrouw - te benadrukken, en dat hoeft allerminst een tegenstelling te zijn: maatschappelijke en economische gelijkheid moeten worden nagestreefd, maar op cultureel gebied kunnen mannen en vrouwen zonder nare gevolgen blijven 'kiezen’ voor de differentiatie. De vraag 'Qu'est-ce qu'une femme?’ die Simone de Beauvoir aan het begin van De tweede sekse stelt, is onverminderd interessant, maar de even dwingende vraag die er de komende decennia bij hoort luidt: 'Qu'est-ce qu'un homme?’
Cultuur als spel: de vrouwen beoefenen bijvoorbeeld weer het traditionele hard to get, ze bellen net als in de jaren vijftig niet terug, en de mannen, die ondanks alles een held met een five o'clock shadow willen zijn, beulen zich in de logeerkamer af met hun ab(domen) shaper ($229,00), of er wordt iets heel anders verzonnen, een massaal hard to get door mannen, voor de verandering - het is uiteindelijk allemaal lood om oud ijzer, zolang de wereld blijft roteren. Ons gedrag zal in de volgende eeuw nog zelfbewuster en afstandelijker zijn, voorbij de naïviteit, gestuurd door het bewustzijn dat het ook allemaal anders had gekund; we verzinnen, louter voor de aardigheid, nieuwe taboes en gedragsregels (een uitvergroting van Madonna’s oekaze tegen witte sokken; op de oneven dagen en op schrikkeldagen houden mannen de deur open, anders niet) die vervolgens weer doorbroken moeten worden. Met enige weemoed zullen we in die nieuwe wereld terugdenken aan de moeders die tijdens de picknick hun oprechte excuses aanbieden voor de plotseling losbarstende stortbui, en we zullen terugverlangen naar de klaagprogramma’s over mislukte vakanties, waarin de vrouw steevast het woord doet voor de camera (verborgen boodschap: vrouwen klagen vaker?, communiceren beter?) en de man zwijgt-zonder-diepgang tot de aankomst van de vervangende automobiel: 'We kunnen gelukkig weer naar huis.’
ER ZAL, in ieder geval in het Westen, een moment komen waarop het twintigste-eeuwse duel tussen mannen en vrouwen een achterhoedegevecht blijkt te zijn geweest, zodat de mensheid eindelijk haar volle energie kan gaan wijden aan dwingender problemen - slinkende ozonlagen en regenwouden, ziekte, armoede, waterhuishouding, energiekwesties, overbevolking - en de tot op heden onbeteugelbaar gebleken mannelijke agressie, waarvoor de verantwoordelijke genen volgens ironische commentatoren overigens allang gevonden zijn: het hele Y-chromosoom, waarover alleen de man beschikt en dat in genetisch opzicht veel 'armoediger’ is dan het corresponderende X-chromosoom van de vrouw.