Eeuwige onvolmaaktheid

Wellicht geen onderwerp dat een breed publiek trekt: de geschiedenis van het begrip historisme. Herman Paul heeft het knap in kaart gebracht.

Herman Paul, Het moeras van de geschiedenis. Nederlandse debatten over historisme, 1920-1970, 29,95

Eigenlijk is een historicus maar een vervelende betweter. Heb je als gewoon burger naar je eigen gevoel een helder beeld van een bepaald deel van het verleden, komt zo'n klier uitleggen dat het net wat anders zit, of dat er van dat afgeronde plaatje weinig klopt. Nee, onze democratie stamt niet van de oude Grieken. Nee, de middeleeuwers dachten niet dat de aarde plat was. Nee, Calvijn stuurde geen honderden ketters de brandstapel op. Nee, Hitler was niet de grootste massamoordenaar aller tijden. De irritatie over dergelijke wijsneuzerij kan overslaan in regelrechte woede of existentiële vertwijfeling als het om echt belangrijke zaken gaat. Eeuwenlang beschikten christenen over een mooi overzichtelijk geloof, totdat historisch onderzoek uitwees dat de wereld toch veel ouder was dan uit de bijbel viel op te maken en dat we over Jezus eigenlijk niets met zekerheid weten.
Ook van de vaderlandse geschiedenis, die in elk land natuurlijk als even glorieus en uniek werd beschouwd, bleek bitter weinig te kloppen, zodat het moeilijk werd nog een coherent verhaal te vertellen over de ‘nationale identiteit’. (Nee, wij stammen niet af van de Batavieren. Ja, het Koninklijk Huis bestaat louter uit allochtonen.)
Onwankelbare waarheden verkruimelen onder de handen van de historicus, en schijnbaar universele ideeën blijken ineens vreselijk tijd- en plaatsgebonden. Het woord 'vrijheid’ betekende iets anders voor de Romein uit de tijd van Cicero, de burger uit het zestiende-eeuwse Antwerpen, de Jacobijn van 1793 of de hippie uit 1968. De 'tijdloze’ wijsheid van Plato wordt door Andreas Kinneging met andere ogen gelezen dan ooit door Marsilio Ficino.
De geschiedenis blijkt geen keurig aangeharkt themapark, met allerlei spectaculaire attracties die lering en vermaak bieden, of waar je behaaglijk kunt huiveren. Laat staan dat de geschiedenis een imposante kerk is, waar je ootmoedig kunt knielen om er rotsvaste zekerheden en een onfeilbare maatstaf te ontvangen. Nee, de geschiedenis is vaak een moeras waarin, als je zo dom bent het te betreden, steeds verder wegzakt en vergeefs zoekt naar vaste grond onder je voeten. Wie houvast zoekt, op zoek is naar een wereldbeeld dat tegen een stootje kan, wie wil weten hoe hij het leven zin kan geven, die heeft aan de geschiedenis niet veel. Sterker nog, die loopt het risico helemaal kopje onder te gaan in deze drassige dreven.
Het inzicht dat de geschiedenis geen betrouwbare gids is die ons de weg vooruit wijst, stamt uit de negentiende eeuw. Sindsdien hebben tal van auteurs waarschuwingsbordjes geplaatst langs dat verraderlijke moeras, om te voorkomen dat mensen hierin verdrinken. Op die bordjes schilderden zij een term die in het intellectuele debat ooit heel gangbaar was, maar die tegenwoordig wat in onbruik is geraakt: historisme.
Het was een woord dat enigszins leek op een begrip dat vanaf het einde van de twintigste eeuw vaak werd gebruikt: postmodernisme. Als iemand van mening is dat er inzake een bepaald vraagstuk geen eenduidig antwoord te formuleren is, roept een wat dogmatischer ingesteld persoon al snel 'postmodernisme’. Wat er precies mee bedoeld wordt is onduidelijk, maar als Kampfbegriff is zo'n tem onbetaalbaar. Vaak kan de tegenstander het verwijt gemakkelijk terugkaatsen, zonder dat dit veel uitmaakt. 'Je bent zelf een postmodernist!’ Dit soort termen doen sterk denken aan de definitie die Dylan Thomas ooit gaf van een alcoholist: 'someone you don’t like who drinks as much as you’.
Over het gebruik van het begrip historisme, althans in Nederland, heeft de jonge historicus Herman Paul een boeiend en helder boek geschreven. Het moeras van de geschiedenis is een proeve van ideeëngeschiedenis en lijkt dus op het eerste gezicht niet erg spannend. Er vallen geen doden, de strijd wordt geleverd in boeken, artikelen en collegezalen. Paul laat echter heel nauwkeurig zien hoe het gebruik van een begrip evolueert, hoe een 'intellectuele taal’ functioneert, en wat de inzet was van debatten die op ons nu wellicht een tamelijk esoterische indruk maken, maar waaraan ooit hoogbegaafde mannen een groot deel van hun energie en denkkracht wijdden. Misschien geen onderwerp dat een breed publiek trekt, maar wel interessant voor wie geïnteresseerd is in de ontwikkeling en werking van ideeën.
Historisme werd aanvankelijk gebruikt om een bepaalde wetenschapspraktijk mee aan te duiden. In het begin van de negentiende eeuw keerden Ranke en andere Duitse historici zich tegen de naïeve geschiedschrijving uit voorafgaande eeuwen, die grotendeels had bestaan uit het kritiekloos navertellen van verhalen waarin de geschiedenis meestal werd voorgesteld als een zinvol geheel waarin niet zelden de hand van God te herkennen viel. Met scrupuleuze bronnenkritiek wisten wetenschappelijke historici allerlei oude verhalen naar het rijk der fabelen te verwijzen. Bovendien ontdekten zij de 'eigenheid’ van het verleden. Het verleden was een verafgelegen land, waar ze de dingen anders deden. Daarom moest je het verleden niet beoordelen met de maatstaven van de tijd waarin je zelf leefde. 'Jede Epoche steht unmittelbar zu Gott’, aldus Ranke.
Het historisme was een reinigingsmiddel, maar volgens sommige critici gooiden Ranke en de zijnen met het badwater ook het kind weg. Wat overbleef waren droge, dorre feiten die tezamen nauwelijks nog een coherent, laat staan inspirerend verhaal vertelden. Het vergaren van informatie over het verleden was een doel op zichzelf geworden, luidde de kritiek van onder anderen Nietzsche. Wat eerst een heilzame praktijk was, werd allengs gezien als een probleem.
Door zich volledig te concentreren op de feiten vermeden 'historisten’ het vellen van oordelen. Dit zette de deur open naar een allesverlammend relativisme, dat weer kon leiden tot grote onzekerheid en vertwijfeling - het gevoel weg te zakken in een moeras. Wie een beetje sterk in zijn schoenen stond, hoefde daar volgens Johan Huizinga niet bang voor te zijn: 'Wie het leven begrensd weet door eigen persoonlijkheid en omgeving, zichzelf gebonden aan verleden en toekomst, behoeft de historie niet te vrezen. Hij tracht in den tijd iets achter den tijd te begrijpen. De eeuwige onvolmaaktheid, de eeuwige aspiratie.’
Met die 'eeuwige onvolmaaktheid’ konden echter vooral theologen slecht uit de voeten, en Paul wijdt dus het grootste deel van zijn boek aan allerlei theologische debatten waarin de deelnemers elkaar 'historisme’ verweten. De discrepantie tussen Gods woord en de feiten, het verschil tussen historische feiten en 'heilsfeiten’, de vraag of Gods wil zich manifesteert in de geschiedenis - het leverde felle discussies op. En ook onder historici laaide na de Tweede Wereldoorlog een debat op over de vraag of geschiedenis 'geëngageerd’ of 'waardenvrij’ moest zijn.
De wijze waarop Paul dit tamelijk abstracte, vaag omlijnde onderwerp in kaart heeft gebracht is knap. Hij heeft een indrukwekkende hoeveelheid materiaal bestudeerd en hier zeer leesbaar verslag van gedaan. Als hij zich hierna richt op ideeënhistorische onderwerpen van een wat grotere reikwijdte, dan kan dat nog mooie boeken opleveren, die ook voor een groter publiek aanlokkelijk zijn.

HERMAN PAUL
Het moeras van de geschiedenis: Nederlandse debatten over historisme
Bert Bakker, 334 blz., € 29,95