Eeuwige stilte

Nog te zien in Leiden (7 december), Amsterdam (8 december), Drachten (11 december) en Den Bosch (14 en 15 december). Inl.: 073-6123223.
Het toneelstuk is nog maar net begonnen. Het meisje komt met een onthulling: ‘Grootmoeder wil dood/ Maar dat ga ik niet geloven/ Dat kan omdat ik een kind ben/ Het is handig om een kind te zijn.’ Grootmoeder heeft geen hartelijke verhouding met haar kleinkind; ze noemt het ‘een verzinselding’.

Maar die gewenste dood heeft het meisje niet verzonnen. Oma wíl sterven. En ze koos een goed moment. We zijn in het land van de grote rivieren, het water stijgt, iedereen gaat weg. Grootmoeder blijft zitten waar ze zit. Kleinkind Engel, het ‘verzinselding’, heeft zich verstopt en evacueert ook niet mee.
In het leeggehaalde dijkhuis begint een gevecht. Inzet: wat moet een kind beginnen met een oud mens dat niet meer wil leven? En: wat moet een oma met een kleinkind dat zich bij die beslissing niet wil neerleggen? Daarover gaat het theaterstuk Watersnood van Pauline Mol, gespeeld door Artemis in de regie van Peter Sonneveld.
Kind: 'U bent het spook/ En daar schrikken we van. Daar kunnen we toch niks aan doen.’
Grootmoeder: 'En jij bent het monster/ Maar daar schrik ik helemaal niet meer van.’
Kind: 'Ik ben het kind en dat verzint.’
De dood zwerft dwars door het theaterwerk van Pauline Mol. Niet als monster, niet als spook, evenmin als verzinsel (zelfs niet van een kind). De dood is een realiteit. Dat lijkt bizar voor iemand die verhalen vertelt aan kinderen - die hebben immers de toekomst, symboliseren levensdrift. In de toneelstukken van Mol zit de dood hen op de hielen. Ze worden geofferd om een oorlog te laten beginnen (in Ifigeneia, koningskind), ze leven aan de rand van het bestaan (in Het laatste kind), ze worden vermoord en vertellen daarover vol verbazing vanaf 'gene zijde’ (in Vertel Medea Vertel). In Watersnood is sprake van een ommekeer. Hier is het niet het kind dat gaat sterven. Hier sterft een 'miezerig vuil ding’, een oma die scheldt en uitgescholden wil worden.
Het kind is in Watersnood geen slachtoffer. Het kijkt en zoekt en speurt, het steekt met kop en schouders uit boven de 'grote mensen’, boven hun hysterie die 'evacueren’ heet. Het kind is eraan toe om zelfs het grootste geheim van de volwassenen te doorgronden: het verlangen om dood te gaan, het verlangen naar de eeuwige stilte. De mooiste dialoog hebben oma en kind tegen het eind van het stuk.
Kind: 'Zullen we nog een keer lachen?’
Grootmoeder: 'Lachen? Wij? (lacht) Dat hebben we toch nooit gedaan. Dat kunnen wij niet.’
Kind: 'Dat hoort niet bij ons.’
Ze lachen. Het wordt stil.
Watersnood is een mooi toneelstuk. Vol stiltes. Vol ruimte om na te denken. En te lachen. Jammer dat het geen goede voorstelling is geworden. Het is een voorstelling zonder ruimte, zonder tijd om na te denken, een invuloefening, de emotie is al voor ons bedacht. Er valt overigens wel veel te genieten. Het kind Engel (Marieke van Weelden) is bijvoorbeeld prachtig. Ze zit soms tussen ons in. Ze wil niet bij die vreemde hysterie van de watersnood en de doodsnood horen. Ze kijkt ons (en haar oma) aan met een blik vol levensdrift. De grootmoeder (Anita Menist) kijkt dan woedend terug. Die wil nergens meer aan meedoen, die is vooral boos. Maar het blijft een erg platte boosheid. Deze grootmoeder is een eendimensionaal kreng. Je vermoedt er nog een laag onder (het verdwaalde kind dat ze ooit geweest moet zijn, een emotie die ze ergens is kwijtgeraakt). Die laag krijgen we niet te zien. Als ze praat met God, en dat doet ze nogal vaak), dan vermoed je iets raadselachtigs. Wat Anita Menist speelt, is veel dunner dan dat raadsel, een hopeloos voorbeeld van illustratief toneel.
Watersnood is een schoolvoorbeeld van de gemiste kans. Ik lees een tekst die mij veel geeft. Ik zie een voorstelling die alle beloften tracht in te lossen. Maar de toeschouwer blijft met lege handen achter.