Eeuwige stilte

Zijn muziek had de geur van vanille en wierook, schreven de critici - en ze lieten zich erdoor betoveren. Eenzaamheid, de dood en het eeuwige: de ‘homoseksuele esthetiek’ van de Canadese componist Claude Vivier is binnenkort in Nederland te beluisteren.
3 juni, Beurs van Berlage. Asko en Schonberg Ensemble o.l.v. Reinbert de Leeuw, m.m.v. diverse solisten. Programma: Prologue pour un Marco Polo, Zipangu, Shiraz, Lonely Child en Glaubst du an die Unsterblichkeit der Seele.
WAS HET EEN KWESTIE van de goden verzoeken? Glaubst du an die Unsterblichkeit der Seele heette de partituur waar de Canadese componist Claude Vivier nog volop in verwikkeld was toen hij in zijn Parijse appartement door een op straat opgepikt schoffie werd vermoord. Men rook onraad toen hij de volgende dag niet kwam opdagen bij een afspraak met zijn uitgever Salabert en enkele dagen later het vaste telefoongesprek met zijn Canadese hartsvriendin Therese Desjardins niet beantwoordde. Kort daarna vond de politie zijn lichaam: gewurgd en verminkt door zo'n twintig messteken.

Na enig speurwerk werd de dader opgepakt. Het bleek de twintigjarige verslaafde Pascal Delza, die al eerder twee mannen in koelen bloede had neergestoken. Had Vivier zijn dood voelen aankomen? Twee maanden eerder, in januari 1983, had hij aan de in Montreal wonende Desjardins een tekst gestuurd die hij tevens in Glaubst du an die Unsterblichkeit der Seele zou gebruiken: ‘Ik had het koud, het was winter. Althans, ik dacht dat ik het koud had. Ik had het wel degelijk koud! Terwijl God me beloofd had dat ik het niet koud zou hebben. Misschien was ik dood. Het was niet zozeer de dood waar ik bang voor was, maar het sterven. Plotseling had ik het koud, erg koud. Het was nacht en ik was bang…’
IN CANADA EN FRANKRIJK was Claude Vivier een gevierd componist en de muziekwereld reageerde geschokt op zijn dood. 'Nu hebben we de enige componist die de Canadese muziek internationaal bekendheid had kunnen geven, verloren’, verzuchtte een criticus. Pas drie jaar geleden werd Viviers werk voor het eerst in Nederland uitgevoerd. Dat gebeurde op instigatie van Gyorgy Ligeti, die het Asko Ensemble voorstelde zijn eigen werk met dat van Vivier in een programma te combineren. 'Een openbaring’, jubelde De Telegraaf, 'een ontdekking’ meende Het Parool, 'volstrekt uniek’, verklaarde de Haagsche Courant.
Overigens is Ligeti zelf gemengd in zijn oordeel over Viviers muziek. In een interview in 1991 legde hij uit niet van 'de pathetische toon’ in Viviers werken te houden: 'Ik proef een soort mystiek die mij niet aanstaat, ondanks de totale openhartigheid die met deze devotie vergezeld gaat. Bijvoorbeeld in “Wo bist du Licht!” zit een pathos - overigens is dat heel typerend voor Fransen die Duitse teksten gebruiken - dat neigt naar een slecht begrepen super-wagnerisme.’
Bovendien, zo vervolgt Ligeti, gaat het om een 'esthetiek van sterke parfums. Er bestaat natuurlijk een zekere homoseksuele esthetiek die weliswaar van grote schoonheid is - ik denk aan de muziek van Tsjaikovski, de geschriften van Oscar Wilde of de gravures van Beardsley - maar die desondanks een beetje vreemd voor mij blijft.’ Het zijn kanttekeningen bij de grote bewondering die Ligeti voor Vivier koestert, maar hij is niet de enige die een spoor van kitsch in deze muziek meent te bespeuren. Een Duitse recensent noemde haar 'een nieuwe muziek die smaakt naar vanille, ruikt naar lavendel en ook een beetje naar wierook’.
Beluistering van verschillende opnamen maakt duidelijk dat de mate van weeigheid van Viviers muziek staat of valt met de uitvoering. In de interpretaties door het Asko Ensemble valt juist de grote transparantie en precisie van het stemmenweefsel op. Toch heeft zijn muziek karakteristieken die een zekere mystiek in de hand werken. Bijvoorbeeld de aan Messiaen verwante homofone schrijfwijze: grote akkoordblokken die plechtig voortschrijden en die bovendien door een sterke harmonische spanning aan elkaar kleven. Groots en dramatisch.
Deze harmonische pilaren vormen het fundament voor de melodie, die in al zijn kracht, eenvoud en zuiverheid wordt geexposeerd. De melodie vormt het hart van de muzikale belevingswereld van Vivier: verschillende composities bestaan zelfs uit een lange melodie. Het hoeft daarom geen verbazing te wekken dat Vivier veel heeft geschreven voor stem, het melodie-instrument bij uitstek. Zo is Lonely Child een langgerekte klaagzang, die obsessief op een steeds terugkerende d blijft hameren. Vocaal pur sang is de opera Kopernikus waarin grote delen a cappella worden gezongen. De zang is even puur, helder en sober als in de gregoriaanse vocale traditie. Soms is het klankspel verfijnd en van een betoverende schoonheid, dan weer verleidelijk en sensueel in zijn kleurrijke melodieen. Ondersteund door een enkel instrument weeft zich een web van stemmen om de luisteraar heen.
Heel anders van sfeer zijn Paramirabo (een schrijffout van Vivier), Pulau Dewata en Siddharta die - deels voor en deels na een verblijf op Bali geschreven - sterk op ritmische patronen en exotische klankkleuren drijven. Met name Paramirabo verklankt prachtig het hete, lome, flirterige Caribisch klimaat met behulp van een wat pesterig gefluit dat tegelijk ironisch en kwetsbaar klinkt.
Het verblijf op Bali was van doorslaggevend belang voor de componist Vivier, die door Ligeti 'ni neo, ni retro maar ook geenszins een avantgardist’ werd genoemd. Niet alleen had het gamelanorkest zijn interesse en verdiepte hij zich in de specifieke ritmiek (de raga), ook de mentaliteit en de godsdienst (met name het hindoeisme) maakten grote indruk op hem. Het belangrijkste punt van herkenning vormde wellicht de manier waarop muziek en leven bij de eilandbewoners met elkaar verweven waren. Vivier voelde grote sympathie voor het feit dat 'kunst’ en 'leven’ met hetzelfde woord werden aangeduid, want zelden zal een componist zo ondubbelzinnig zijn verlangens, angsten en obsessies in zijn muziek vorm hebben gegeven als Claude Vivier deed.
DE DOOD, DE LIEFDE, de eenzaamheid en zijn kindertijd vormen de onverbloemde Leitmotiven in het werk van Vivier. Hij beschouwde het leven als een grote reis, zoals hij elke daadwerkelijke reis als een innerlijke zoektocht opvatte. Ook zijn verblijf op Bali betitelde hij achteraf als 'een reis naar de diepten in mijzelf’. Een zoektocht achteruit en een zoektocht vooruit. De dood hield hem minstens even sterk bij de lurven als zijn jeugd die hij (als wees) bij adoptiefouders had doorgebracht. Het verlangen naar liefde en harmonie gaf hem een mateloze levensdrift.
Zijn energie vormde een vreemd contrapunt met zijn obsessie voor de dood. Al tijdens zijn verblijf in Europa (hij studeerde eerst een jaar bij Gottfried Michael Koenig in Utrecht en vervolgens bij Stockhausen in Keulen) dook dit thema op. Bij de eerste compositie die hij, 23 jaar oud, hier maakte (Musik fur das Ende uit 1971) schreef hij: 'Instinctief ben ik mensen als doden en niet als levenden gaan zien. In mijn dromen maakte ik steeds vaker de vreemde ceremonie mee van mensen die in het niets verdwijnen, die een “onbepaald moment” in de eeuwige stilte worden.’ Ook Chants uit 1973 noemt hij 'un veritable rituel de la mort’. En de opera Kopernikus heeft als ondertitel: Opera - Rituel de mort. Het verhaal gaat over Agni die een reis door een sprookjesland maakt en ontmoetingen heeft met mythische figuren: Mozart, Merlijn, Tristan en Isolde, Copernicus, Lewis Caroll en de koningin van de nacht. Vivier schreef zelf het libretto en zoals in de meeste teksten klutst hij (van nature een talenwonder) niet alleen verschillende talen door elkaar, maar laat hij ook een groot deel van het verhaal zich afspelen in een zelf verzonnen fantasietaal. Zo zingt de bariton in de eerste akte: 'To ke mo si gna ne ya ko ne mo ni na ko de ko de ko de.’ Niet alleen is het een mooi spel met taal en klank, tegelijk gaat achter dit gebrabbel het drama schuil van een klein kind dat bijna doofstom werd van paniek toen het begreep dat zijn ouders weg waren.
Deze fundamentele eenzaamheid houdt hem zijn hele leven bezig. Bij de compositie Lettura di Dante merkte hij op: 'Wanneer ik schrijf, denk ik vooral aan de eenzame wezens die wij allen zijn. Ik denk dus niet langer aan de “toekomst” noch aan het verleden, maar meer aan een soort verdwenen heden, een ontastbare vreugde die is vermengd met het verdriet van een kind dat zijn moeder kwijt is.’ Vivier schroomt niet de dingen bij hun naam te noemen. 'Ne me laisse pas seul’, klinkt het als een refrein in Journal, een werk voor gemengd koor en slagwerk dat volgens de componist uiteenvalt in vier delen: Childhood, Love, Death, After Death. En natuurlijk gaat Lonely Child (1980) over eenzaamheid en het verlangen naar warmte, terwijl tegelijkertijd de dood zich in de vorm van ijzingwekkend dreunende klokslagen meldt.
OPMERKELIJK IS DAT deze zeer concrete onderwerpen hand in hand gaan met een al even 'figuratieve’, melodieuze muziek. Daar komt bij dat Vivier een mateloos karakter had. Enerzijds uitte zich dat in een onverzadigbare nieuwsgierigheid in zijn studietijd, anderzijds in een sterk mystieke inslag. Als jongetje meende hij dat zijn roeping in de katholieke kerk lag en bracht hij enige tijd door op een seminarium. Het religieuze gevoel zoals dat uit een buitengewoon sentimenteel kerstverhaal uit die tijd spreekt, vertaalt hij later naar een vaag mystieke beleving. Zo zegt hij in een interview over zijn muziek dat elke compositie een 'deur naar de Eeuwigheid’ moet bieden. Een transcendentaal moment dat 'de interval tussen tijd en de noodzaak tot Eeuwigheid’ beschrijft. Van een uitgesproken skrjabinese extase is sprake in de tekst van het koorwerk O! Kosmos, dat de schepping, het heelal en de eeuwigheid bejubelt.
'Het leven van een kunstenaar moet in perfect evenwicht zijn met de vaak onbegrijpelijke kosmische wetten’, schrijft Vivier in 1978. Het zijn observaties die in verschillende vormen terugkeren: kunst maken is een heilige daad. Als hij een compositie voltooid heeft, vraagt hij zich af of hij zich net zo voelt als met Kerstmis. Zo niet, dan is het werk qua intensiteit mislukt.
Zo mateloos als zijn gevoelsleven is, zo extrovert is hij als persoon. Verschillende kennissen roepen zijn 'legendarische lach’ die overal overheen schalde, in herinnering. 'Claude was een geiser van liefde’, meent een vriend. 'Hij was ergerlijk en aandoenlijk tegelijk’, merkt een ander op. Vivier was een man die veel aandacht nodig had en dat niet onder stoelen of banken stak. Goedschiks dan wel kwaadschiks: mensen provoceren en beledigen was zijn tweede natuur geworden.
Gelukkig weet hij in zijn muziek een perfect evenwicht tussen emotie, dramatiek en muzikale zuiverheid vast te houden. Momenten van overdaad staan tegenover momenten van uiterste breekbaarheid. De thema’s die zijn leven kleuren, diept hij in de loop der jaren verder uit. Na de opera Kopernikus, die niet alleen in Canada op de planken wordt gezet maar ook in het Londense Almeida Festival in een regie van Pierre Audi, maakt hij plannen voor een opera over Marco Polo - een figuur met wie hij zich sterk identificeert: een zoeker die door zijn omgeving onbegrepen bleef en een vreemde werd in eigen land. En natuurlijk zijn het opnieuw de innerlijke reizen van Marco Polo die het uitgangspunt vormen voor Prologue pour un Marco Polo, die hij in 1981 in Montreal voltooit.
In juni 1982 krijgt hij een beurs om naar Parijs te gaan, waar hij wil werken aan een opera over de dood van Tsjaikovski (vergelijk Symposion van Peter Schat). In januari 1983 trekt hij een dubbele maatstreep achter Trois airs pour un opera imaginaire, waarvan (door het wederom in fantasietaal geschreven libretto) niet duidelijk is of het enige relatie heeft met Tsjaikovski of niet. Daarna begint Vivier aan zijn zwanezang, Glaubst du an die Unsterblichkeit der Seele, voor vierstemmig koor, negen houtblazers, drie hoorns, drie synthesizers en slagwerk. Terwijl de sopraan zingt 'J'avais froid, c'etait l'hiver’, beschrijft een elektronisch vervormde stem met grote precisie hoe de ik-figuur de metro in gaat en een kaartje koopt. In het rijtuig wordt hij aangesproken door een jongen: ’ “My name is Harry.” Ik antwoordde hem dat mijn naam Claude was toen hij zonder enige verdere plichtpleging uit zijn donkere jasje vermoedelijk gekocht in Parijs een mes haalde en me recht in het hart stak.’
Was Claude Vivier helderziende? Of was zijn dood in feite een geconstrueerde zelfmoord? Gezien Viviers obsessie met de dood en zijn perverse seksuele voorkeuren, gaan er stemmen op die zeggen dat Vivier zijn macabere dood eigenhandig geensceneerd heeft. De partituur van Glaubst du an die Unsterblichkeit der Seele verraadt niets. Het handschrift is tot aan de laatste noot, tot aan de laatste woorden 'en plein coeur’, even nauwgezet en beheerst. Vivier heeft het mysterie rond zijn dood met zich mee het graf ingenomen, maar deze indringende composities garanderen dat zijn ziel voortleeft.