Eeuwige woede andreas burnier

In haar nieuwste roman, ‘De wereld is van glas’, durft Andreas Burnier het na jaren dan toch aan haar joodse identiteit te exploreren. Hoewel ze zich deemoedig tot een rabbi wendt die haar moet helpen, is ook weer de gedreven woede aanwezig die haar oeuvre zo kenmerkt.
Andreas Burnier, De wereld is van glas. Uitg. Meulenhoff, 240 blz., 339,90. Vroeger werk van Andreas Burnier verscheen bij uitgeverij Querido.
WAAROM BEN IK toch nog steeds zo woedend, vraagt Andreas Burnier in haar nieuwste roman De wereld is van glas aan een ‘lieve, onbekende Rabbi’. Vanaf de eerste bladzijde is het duidelijk: hier wordt de balans van dertig jaar schrijverschap opgemaakt. Het faillissement wordt al vrij snel uitgesproken. In geen van mijn boeken, schrijft Burnier aan de Rabbi, is het gelukt in de juiste vorm te zeggen wat ik eigenlijk had willen uitdrukken. ‘Het’ is ongezegd gebleven. Waarschijnlijk komt dit juist door die eeuwige woede, redeneert ze. Hoe kun je anderen iets troostends bieden, iets vermakelijks desnoods, als je zelf vastzit in een razernij over alle lelijkheid en kwaadaardigheid in de wereld en het lijden dat daaruit voortkomt? Lieve Rabbi, kunt u mij alstublieft helpen? Of is het hoogmoedig iets voor anderen te willen betekenen? Is het neurotisch om te zoeken naar het ware, schone en goede? Om haar kwellingen voor hem aanschouwelijk te maken, legt de schrijfster de Rabbi fragmenten voor van de roman waaraan ze al een aantal jaren werkt.

Dit procédé, waarbij het eigenlijke verhaal wordt ingebed in uitweidingen en commentaar, is vaak de toevlucht van schrijvers die alles wat ze willen zeggen maar niet rond kunnen krijgen. Bij Burnier is het echter een logische stap in de ontwikkeling van haar gecompliceerde verhouding tot de romankunst. Zozeer zelfs dat het moeilijk is De wereld is van glas anders te lezen dan als het sluitstuk van een oeuvre. Blijkbaar kan niet meer worden volstaan met ‘gewoon’ een roman, maar moet die vergezeld gaan van zijn eigen exegese.
Veel explicieter dan in haar vorige werk doet Burnier verslag van een zoektocht. Sterker nog: ze is eindelijk op een schat gestuit. De roman in progress, de brieven aan de Rabbi en de twee parabels halverwege het boek laten er geen misverstand over bestaan: hier is gezocht en gevonden. De zwaar beladen kar die vervolgens zwoegend wordt voortgeduwd, doet echter wel eens terugverlangen naar de meer lucide momenten van weleer. Toen er nog tijd verspild mocht worden met slapen, beminnen, vechten en vluchten. Nu moet er nota bene een Rabbi aan te pas komen om de schrijfster van haar wanhoop te bevrijden. In het licht van De wereld is van glas zijn Burniers vroegere romans en verhalen opeens de voorboden van een uitweg geworden. Terwijl de kracht van haar oeuvre tot nog toe juist altijd die ontembaarheid was.
VAN BURNIERS debuutroman Een tevreden lach (1965) is het nu nog voorstelbaar dat hij een sensationele entree in de Nederlandse letterkunde vormde. In een tijdperk waarin collega-auteurs zich op de collectieve vrouwelijke ervaring storten, werkt Burnier aan de verbeelding van haar eigen kosmos. Hierin is geen plaats voor dotjes haar in het afvoergat of spruitjes in de pan. Wel dendert er een woedend meisje over de pagina’s, in te grote soldatenkleren, vlak na de oorlog in Den Haag. Uit wanhoop over haar eerste menstruatie knipt ze haar haren af. Verkleed als jongen bezoekt ze de kroeg, waar ze echter direct door de mand valt. Gymnastische oefeningen kunnen de zwellingen niet tegengaan. Ze zit gevangen in het vrouwenlijf, maar weigert de bijbehorende beperkingen te aanvaarden - zoals ze iedere fixatie in een bepaalde rol beschouwt als de erfzonde, als de val uit een voorgeboortelijk paradijs. De zoektocht naar het kosmisch-embryonale wezen dat ze ooit was, is begonnen. Tegelijkertijd betekent dat de aanvang van het gevecht tegen het deprimerende bestaan. Tegen de hele stervensellende, zoals ze dat noemt.
Dat kosmisch-embryonale klinkt afschrikwekkender dan het is. De herinnering aan een goddelijk gouden licht waarnaar het in het aardse leven halsreikend tasten blijft, levert in de praktijk van Burnier hemelbestormend proza op dat het midden houdt tussen schotschrift, schelmenroman en autobiografie. Haar mooiste boeken combineren elementen uit deze drie genres tot iets geheel nieuws, fris, levendigs. In Een tevreden lach buitelen de wisecracks van de doldrieste twintigjarige Simone, die weigert 'in een huis van lange zachte haren’ dromerig af te wachten, over elkaar. Ik ben een seksebarrièredoorbreker om te beginnen, en de rest: het opstijgen tot hogere stadia van bewustzijn, zal vanzelf wel volgen, zegt Simone. Voortdurend hoor je haar stem, giftig en spottend. Het optekenen van haar verzet lijkt bijna lesbisch-programmatisch, ware het niet dat als er iets is dat een blinde paniek in Simone kan ontketenen, het een zichtbaar lesbische vrouw is. Ooit zal ze gewoon mogen leven, als een man, als een mens, houdt ze zichzelf voor. Van de verschillende toekomstscenario’s waarmee het boek eindigt, is het mijnwerkersbestaan, als man tussen de mannen, duidelijk Simones favoriet.
In Het jongensuur (1969) is Simone jonger en een stuk introverter. Haar moffenhaat, die in Een tevreden lach al vrij unverfroren aan het licht kwam, krijgt met haar onderduikgeschiedenis een kop en een staart. In het jaar van de bevrijding verneemt ze van het Rode Kruis, waar ze samen met haar ouders dagelijks naar overlevenden informeert, dat haar schoolvriend Werner vergast is in Polen. Hoofdstuk voor hoofdstuk, waarin het onderduiken bij steeds weer andere boerenfamilies wordt beschreven ('Geen stadskind vermoedt hoe lelijk de natuur kan zijn’), wordt afgeteld naar het moment dat de oorlog uitbreekt. Simone is dan negen en wordt op een joodse school geplaatst, waar ze Werner leert kennen. Hij is de enige die intelligenter is dan zij. Een vriendschap is geboren. Vergeleken met de stoere taal die kenmerkend is voor Burniers debuut en de verhalenbundel die een paar jaar daarna verscheen, De verschrikkingen van het noorden (1967), is Het jongensuur opvallend beheerst verteld. De ontdekking van hoe de wereld in elkaar zit, wordt echter niet minder navrant verwoord: 'Vrouwen en joden dat is bijna hetzelfde dacht ik. Ze kunnen niets terug doen, ze zijn altijd schuldig.’
De huilende libertijn (1970) en De litteraire salon (1983) zijn de vrolijk-bijtende uitlopers van dit schrijnende levensgevoel. Het is zaak je teweer te stellen en je niet neer te leggen bij dit armzalige aardse leventje. Het ideaal is onbegrensd te zijn in tijd, locatie en bezigheden. In De huilende libertijn trekt de 22-jarige filosofiestudente Jean Brookman de wijde wereld in en komt terecht in de Spaanse revolutionaire strijd. Daar begint ze een vrouwelijke commandotraining, opdat ooit mannen zullen worden opgevoed tot zwijgzaamheid, kuisheid en volgzaamheid.
Met sardonische kracht belicht De litteraire salon datgene waaruit ieder weldenkend mens gillend zou willen weglopen, ware het niet dat het slechts weinigen is gegeven te doorzien dat ze zich in een gekkenhuis voor blinden bevinden. Afgezien van de zekere voorspelling dat de wereld in het algemeen zijn ondergang tegemoet snelt, is er ook voor het dagelijks getob met sufmakend werk en gekmakende verhoudingen weinig hoop op verlichting. Dat De litteraire salon desondanks een vrolijk boek is, heeft te maken met de reviaanse wijze waarop koeien van waarheden worden verkocht: 'Ja wat moet je? Je moet verder.’ Ook het om de haverklap aanroepen van de Hemelse Moeder wordt niet geschuwd. In dat licht wordt zelfs een spirituele ervaring op Hawaii, ten overstaan van een stel dolfijnen, verteerbaar.
Een tevreden lach, De verschrikkingen van het noorden, Het jongensuur, De huilende libertijn en De litteraire salon laten zien dat Andreas Burnier er lange tijd niet bepaald op uit is geweest 'de buitenwereld nog eens in woorden over te doen’, zoals ze het in haar debuutroman noemt. Des te opmerkelijker is het derhalve dat ze in haar laatste twee romans, De trein naar Tarascon (1986) en het onlangs verschenen De wereld is van glas, opnieuw met de vorm is gaan worstelen. Natuurlijk: 'De literatuur stroomt niet vanzelf, zij dient gemaakt te worden, de taal getemd als een wilde, hoogmoedige maagd, de vorm bevochten als de liefde van een weerbarstige geliefde.’ (De huilende libertijn). Maar waarom uit dat gevecht dan opeens de ouderwetse ideeënroman voortkomt die De trein naar Tarascon is, met veel gefilosofeer en krampachtige dialogen? Misschien omdat de meer conventionele romanvorm de schrijfster de gelegenheid biedt het thema van 'die eeuwige moffen’ tot groteske hoogten te voeren. Na jaren broeden ziet William nog steeds de Teutoonse bloedhonden van alle kanten opdoemen. Zijn oorlogsneurose vormt de kapstok voor eindeloze bespiegelingen over Goed en Kwaad. In de inrichting waarin William wordt opgesloten, wacht hem de confrontatie met de minstens zo gevaarlijke medische stand. Werd tien jaar daarvoor, in De reis naar Kithira (1976), nog een kruistocht gevoerd tegen de grote mannen die ons aan de rand van de afgrond hebben gebracht (Darwin, Marx en Freud), inmiddels heeft de paranoia de overhand gekregen.
EEN ROMAN schrijven is eigenlijk een hopeloze onderneming, schrijft Burnier in De wereld is van glas aan de Rabbi. Dan ben je immers verplicht om natuurgetrouwe dialogen en spannende conflicten te verzinnen. Dat leidt maar af van waar het echt om gaat. Als ze dan toch haar romanpersonages introduceert, zegt ze er direct maar bij dat die alledrie afsplitsingen van haar eigen persoonlijkheid zijn. In hen kan ze haar gedachten, gevoelens en vooral frustraties kwijt. Gideon is de jonge jongen die altijd onwetend is gebleven van zijn joodse afkomst. Hij moet iets doen, maar weet nog niet wat. Vooralsnog laat hij zich opsluiten in een glazen kantoorbunker, om daar iets onduidelijks met computers te doen. Zoals zovelen. David is zijn nooit geziene vader, doctor in de klassieke letteren. De oorlogsjaren heeft hij samen met zijn familie veilig in Zwitserland doorgebracht. Zijn hele leven heeft David gedacht dat het vergaren van kennis hem zou bevrijden 'uit de koker des levens’. Overal waar hij kijkt, ziet hij lelijkheid, domheid, agressie en destructie. Hester is zijn ex-vrouw, die Gideon altijd alleen heeft opgevoed. Zij heeft tijdens de oorlog ondergedoken gezeten en is bijna haar complete familie verloren. Dat haar man en zijn familie de dans zijn ontsprongen, betekent voor haar al gauw een onoverkomelijke breuk. Uit bescherming heeft ze haar zoon nooit verteld dat hij joods is. Ze heeft zelfs zijn naam geneutraliseerd tot Guido.
Burnier is het allemaal: de onwetende beginner, de verbitterde man, de beschadigde vrouw. Haar persoonlijke geschiedenis stemt het meest overeen met die van Hester, schrijft ze aan de Rabbi. In het intermezzo 'Oorlog en bevrijding’ doet ze haar eigen geschiedenis uit de doeken, die in verhulde vorm al bekend is door haar vroegere werk. Het is het verhaal van het onvoorstelbare geweld en het grote naoorlogse zwijgen daarover. Van het meisje dat haar soldatenkleren heeft gekregen van het Rode Kruis en op strooptocht gaat in half ingestorte huizen. Op de vlucht voor thuis, waar het loodzware zwijgen heerst en niemand de ander verdraagt. Op school is de enige zorg van de leraren dat er een kantlijn van vijf centimeter wordt aangehouden in de gekartonneerde schriftjes. De petten, laarzen, honden, bevelen, Duitsers zijn nooit meer weg te denken.
De openhartigheid waarmee de schrijfster in De wereld is van glas teruggaat naar haar roots, doet allerlei signalen uit haar vroegere werk rood opgloeien. Het verstijven van Simone in Een tevreden lach als ze de treinconducteur hoort roepen: 'Achtung, Achtung! Wir nähern München!’ De panische reactie van de ik-figuur in het titelverhaal van De verschrikkingen van het noorden als een man in een café haar toevoegt: 'You are a jew.’ 'Dat ben ik niet’, antwoordt ze in een reflex. Het onderduikkind in het verhaal 'Tot volgend jaar in Jeruzalem’ in dezelfde bundel: 'Joods zijn is schuldig zijn, is vermoord zullen worden door blonde slijmreuzen.’ Zelfs het kosmisch zelfbewustzijn, dat zich niet wenst neer te leggen bij enige maatschappelijke rol, krijgt een wrange betekenis. Geen hemelbestormende overmoed, maar pure overlevingstactiek. 'Wie zich eenduidig vastlegt, wordt gedood of affectief verraden, hadden de Germanenterreur en de bevrijding daarvan mij geleerd.’
NA AL DIE JAREN durft Andreas Burnier het aan haar joodse identiteit te exploreren. De zelfanalyse die ze in De wereld is van glas bedrijft, getuigt van de onverschrokkenheid die ook haar andere boeken kenmerkt. De woede is er nog steeds. Woede over de sleurplichten en de vakantieparadijzen, de vernederingen die vrouwen moeten ondergaan en het barbarengedrag van mannen, de perversiteiten van de eugenetici en de griezelige invloed van de informatietechnologen. Nieuw is echter de deemoed waarmee ze zich tot een Rabbi wendt voor hulp. Decennialang, schrijft ze, is ze op zoek geweest naar een goeroe, een Meester. Nu heeft ze hem dan gevonden. Hij moet haar helpen de figuren bij elkaar te brengen die in haar huizen: de zoeker, de zwartkijker en de melancholicus. Blijkbaar biedt het joodse geloof haar daartoe de meeste mogelijkheden.
Het persoonlijk inzicht dat Burnier rijker is geworden, maakt het er niet eenvoudiger op de vorm waarin ze daarvan kond doet, te beoordelen. In plaats van dat zich een roman ontrolt, wordt een ingewikkeld spel gespeeld met fictie en werkelijkheid. Het idee van de romanfiguren die bij elkaar moeten worden gebracht, is even gewrocht als de uitwerking ervan. De beste gedeelten in De wereld is van glas zijn de autobiografische intermezzo’s. Wat wij nodig hebben, schrijft Burnier in een van die stukken, is jarenlange troost. Een liefdevolle moedergodin die ons opnieuw baart, die de geschiedenis ongedaan maakt. Dat ze tot die tijd haar troost zoekt bij een Rabbi, heeft iets van een capitulatie. Was voorheen het enige lokkende perspectief dat van het voorgeboortelijk paradijs, de herinnering aan een lichtere en wijdere wereld waarin alles mogelijk was, nu lijkt het opeens dan toch allemaal ingevuld te worden. Daarmee dreigt Andreas Burnier iemand te worden die het licht denkt te hebben gezien. Zoals zovelen.