Documentaire over De Groene Amsterdammer

Efficiency is een vies woord

Een directeur die over targets praat, zorgt bij De Groene Amsterdammer al gauw voor oorlog. De documentaire Dwars van Marieke van der Winden legt subtiel de spanningen bloot die door zijn komst op de redactie ontstaan.

MARIEKE VAN DER WINDEN is ‘een ontzettende fan van De Groene’ en je vraagt je af of dat de meest geschikte uitgangspositie is om een film over De Groene Amsterdammer te maken. Vroeger was ze een trouw Vrij Nederland-lezer, maar ze begon zich steeds meer te storen aan 'de glimmende voorkanten’ en het 'teveel aan sensatie’ en sindsdien leest ze De Groene, 'alleen in bed’ trouwens, want voor artikelen van vier pagina’s lang 'heb je rust nodig’. Voor het overige heeft ze genoeg aan teletekst en internet, al die 'dikke dagbladen’ kan ze missen als kiespijn.
Dat ze een film over De Groene zou maken, was in eerste instantie niet haar idee. Eerlijk gezegd was ze na haar film over de Bommelerwaard als slagveld van 'oude structuren’ bemand door herenboeren, champignonkwekers en ouderlingen versus een 'nieuwe elite’ van import uit de stad met linkse ideeën en groene hobby’s een beetje klaar met documentaires maken: door de verminderende interesse voor het genre, de druk van de kijkcijfers, het eindeloze geëmmer om de financiering rond te krijgen.
Ze zat in het speeltuintje vlak bij haar huis op haar dochter te passen toen ze in gesprek raakte met een 'aardige man’ die directeur van De Groene bleek te zijn en haar voorstelde een film over het weekblad te maken. Wat deze Paul Disco haar erover vertelde - de voortdurende worsteling om de oplage op peil te houden, het nooit eindigende gevecht tegen de rode cijfers en tegen de tijdgeest die kortademige artikelen in glossy verpakking schijnt te eisen - sprak haar aan: het waren globaal de problemen van een documentairemaakster. En wat hij vertelde over de funderingsproblemen van De Groene maakte haar verbeelding gaande: het weekblad bleek gevestigd te zijn in een oud en eerbiedwaardig pand dat zijn enige eigendom is, maar waarin scheuren zitten die allengs groter worden, zodat het gebouw verzakt. Van der Winden zag er een mooie metafoor in: het bedreigde fundament van een journalistiek instituut. Dat daar in de film uiteindelijk weinig van terug te vinden is doet er niet toe - je moet eerst een verhaal hebben, om met een ander verhaal thuis te kunnen komen.
Het duurde lang eer ze kon beginnen te filmen. De NPS zag niks in het onderwerp en de VPRO zag uitsluitend iets in een film over de historie van De Groene, terwijl zij het verleden juist alleen wilde gebruiken 'om het heden te duiden’. Tot haar verbazing zag de NCRV er wel iets in, waarbij het hielp dat de verantwoordelijke eindredacteur ook een enthousiast lezer van De Groene bleek te zijn. In de tijd die met al deze verwikkelingen heenging bezocht ze 'braaf’ twee jaar lang de redactievergaderingen - en dat was wel nodig ook, om het ijs te breken en het vertrouwen te winnen. Journalisten zijn doorgaans erg voor openheid, maar weinig open waar het hun eigen functioneren betreft.
In de tussentijd trad Xandra Schutte aan als de nieuwe hoofdredacteur en even dacht Van der Winden dat daarin voor haar het spannende verhaal kon zitten. Schutte was immers weliswaar voormalig redacteur van De Groene maar recent afkomstig van Vrij Nederland: zou zij het blad misschien 'meer glossy’ en de artikelen 'stiekem korter’ willen gaan maken? Maar het verhaal dat ten slotte het verhaal is geworden van de film werd haar min of meer in de schoot geworpen.
Dat verhaal wordt de kijker in één klap duidelijk door de manier waarop Trinette Koomen, redactiesecretaresse en veertig jaar lang bij het weekblad in dienst (al sinds haar zeventiende), in de film het woord 'efficiënt’ uitspreekt: als de naam van een vreemd en angstaanjagend insect. Wel heb je ooit: er schijnen mensen te zijn die De Groene nota bene 'efficiënt’ willen maken!
Begrijp mij niet verkeerd: ik drijf met dat sentiment niet de spot, ik ken het maar al te goed (vooral van het voormalige 'collectief’ van de VPRO-radio, maar ook van de Haagse Post, die zichzelf graag 'anarcho-liberaal’ noemde, wat vooral betekende dat iedereen zijn eigen gang ging, de redacteuren tenminste) en ik ben er niet ongevoelig voor. Het is de romantische versie van journalistiek, waarin de journalist een vrijbuiter annex kunstenaar annex halve intellectueel annex bohémien is die het best gedijt als je hem aan laat rotzooien en hem niet lastigvalt met oplagecijfers en dalende advertentie-inkomsten.
Het is in dat verband goed te begrijpen dat Trinette Koomen, die nog op een schrijfmachine tikt waarvan je het lint met de hand moet 'terugwinden’, dol is op René Zwaap, die inderdaad zo'n type journalist is (wars van deadlines en efficiency), en van hem lang na zijn vertrek als redacteur in haar bureaulade een slordig ogend archiefje bewaart voor het geval hij ooit 'een beroemdheid wordt’.
In De Groene, zegt voormalig redacteur Koen Kleijn, is 'ieder klein stukje een kort essay over de staat van de wereld’. Om zo'n blad te maken heb je 'originele geesten’ nodig, individuen met oorspronkelijke en eigenzinnige opvattingen. Toen hij er indertijd aantrad, als adjunct van hoofdredacteur Hubert Smeets, trof hij het blad aan als een 'slapende prinses’ die naar hun inzicht klaar was om wakker gekust te worden door een zekere mate van 'professionalisering’. Maar dat vloekt nu juist met die keurbende van eigenwijze essayisten, die bovendien een sterk esprit de corps heeft: ze geloven diep in hun hart dat ze het kleinste maar veruit het beste weekblad maken en houden elkaar de hand boven het hoofd. Er heerst daar aan het Westeinde te Amsterdam een sterk 'groeps-’ of zelfs 'familiegevoel’ en sommigen spreken met weemoed over wijlen hoofdredacteur Martin van Amerongen als de 'vader’ van de toenmalige Groene-familie. Men voelt zich 'verbonden’ met een 132-jarige 'geschiedenis en traditie vol rare mensen’ en maakt er stilletjes staat op dat De Groene toch nooit verloren gaat.
In die sfeer wordt volgens Kleijn het idee van 'beoordeling’ via zeg een 'functioneringsgesprek’ als 'volstrekt vijandig’ ervaren. Hij mist bij het blad een cultuur van interne kritiek: 'Men heeft hier een autoriteitsprobleem.’ Als er dan een directeur komt die over targets praat en, of het gewoon is, over outsourcen, is het al gauw oorlog en dat was het ook volgens telemarketeer Tiers Bakker, die met lichte overdrijving zegt: 'We hebben vier jaar in staat van oorlog geleefd.’
Het fijne word je er niet van gewaar. Omfloerst wordt gerept van 'reorganisatie’. Moesten er ontslagen vallen? Kleijn had het zo te horen wel gewild, maar Trinette Koomen zegt dat ze in veertig jaar over zoiets gelukkig 'nooit heeft hoeven nadenken’. Maar nu ineens wel! 'Het feit alleen dat het bij iemand opkwam: die begrijpt niet hoe De Groene in elkaar zit’, zegt ze. Het is de perfecte samenvatting van het groepsgevoel: wij ontslaan elkaar voor geen goud.
Ik herinner mij die sfeer van het collectief: we vonden onszelf en elkaar stiekem fantastisch, we gingen onze eigen goddelijke gang en beschouwden de dorknopers die begonnen over targets en doelgroepen, oplage- of luistercijfers, functioneringsgesprekken of conduitestaten als wezens van een andere planeet, maar niet ongevaarlijk. Wel stelden we er prijs op dat maandelijks ons salaris werd overgemaakt, maar eisen aan ons stellen: wie dachten ze wel dat ze waren?
Er moet een tussenweg te vinden zijn tussen het happy-go-lucky-anarchisme met zijn luxe van absolute individuele autonomie, en een zekere stroomlijning van de organisatie met, inderdaad, enige efficiency. Dat was bij de VPRO-radio en de Haagse Post al moeilijk, het is bij De Groene nog moeilijker omdat daar het collectief uiteindelijk de dienst uitmaakt (net als ooit bij HP, maar toen duurde het niet lang eer we door een durfkapitalist van de ondergang gered moesten worden). Berg je maar als je hoofdredacteur van zo'n club wordt, zoals Xandra Schutte, en ik ooit: je krijgt vanzelf enig begrip voor lui die professionalisering voorstaan en voor je het weet ben je voor het collectief de verrader.
In de film zie je Schutte ter redactievergadering voorzichtig pleiten voor, inderdaad, beter papier (dat er inmiddels gekomen is) en je hoort haar de 'rare paradox’ van De Groene uiteenzetten: enerzijds is men er met 'grote zelfbewustheid’ van overtuigd een 'geweldig goed blad’ te maken, anderzijds meent men dat aan medewerkers niet te hoge eisen gesteld kunnen worden omdat het blad klein en armlastig is: het Calimero-complex. Dat is een comfortabele mentale positie: je maakt met elkaar een uitstekend weekblad, maar als dat soms toch niet zo blijkt te zijn is het niet je eigen schuld.
Schutte signaleert dat vroegere redacteuren niet zelden vertrokken zijn 'uit frustratie dat zo'n mooi blad zo knullig uitgegeven wordt in zo'n ruïneus verbrokkelend pand’. Daarmee wordt in één bijzin zowel het betere papier als de renovatie van het gebouw op de agenda gezet, en krijgt Van der Windens metafoor alsnog gestalte, ook in de woorden van Disco: 'De Groene bezwijkt onder zijn verleden.’ Hij wijst daarbij op kastplanken die doorbuigen onder stapels vergeelde, halfvergane kranten, en zegt even later: 'Ik kan slecht tegen het antwoord: het gaat al 132 jaar zo.’ En hij kan al helemaal niet tegen het motto: 'Wij doen morgen wat we gisteren ook al deden.’ Dus als hij aankondigt dat hij de 'ouwe zooi wil opruimen’ gaat het niet alleen om die vochtige kelders maar ook om de cultuur van het Groene-collectief. Dat heeft hij dan ook moeten bezuren. Aan het eind zien we hem schijnbaar onbewogen zijn opvolger als directeur ontmoeten, een man die afkomstig is van Elsevier (dat hij echter 'nooit las’) en die zijn bewind over De Groene in het teken wil gaan stellen van het 'nieuwe optimisme’. De kijker wenst hem in stilte veel sterkte.
Dat de scheidslijn tussen professionals en gedreven amateurs niet, zoals elders veelal het geval is, loopt tussen creatieve types en cijferaars maar schots en scheef dwars door het collectief blijkt als juist die telemarketeer zich het felst uitlaat over Disco als 'de slechtste directeur die De Groene ooit gehad heeft’, een man met funeste 'megalomane’ ideeën, die 'flagrante leugens’ verkoopt en er 'rare hersenspinsels op nahoudt’ over nota bene een renovatie van wel een miljoen om een paar 'scheurtjes van een millimeter’ in de gevel te repareren in plaats van, zoals het hoort, te 'investeren in de kwaliteit van de redactie!’
Die tegenstelling loopt door het personeel van elk medium, met dit verschil dat daar ten slotte overal de directie aan het langste eind trekt, maar bij De Groene het collectief van de redactie. Disco is niet de eerste directeur die er het veld moest ruimen. De spanningen die daaraan ten grondslag liggen zijn door Van der Winden subtiel, onnadrukkelijk blootgelegd. Diverse malen wordt De Groene in de film aangeduid als 'een instituut’. Dat geldt voor het blad dat ik wekelijks op de deurmat vind, maar ook voor het gezelschap dat het maakt, en waarin noties als democratisering en zelfbestuur nog niet naar de mestvaalt van de journalistieke geschiedenis zijn verwezen, met alle voor- en nadelen van dien.

John Jansen van Galen is al ruim veertig jaar schrijvend journalist, onder meer voor Haagse Post, waarvan hij ook hoofdredacteur was, en Het Parool