Hoogleraar theorie van het informatierecht, Universiteit van Amsterdam

Egbert Dommering

De brandende maatschappelijke vragen voor het informatierecht

Het Informatierecht is een ruim 25 jaar geleden aan het Instituut voor Informatierecht opgestart onderzoeksprogramma dat de eigendoms-, vrijheid en ordeningsvragen van de informatiemaatschappij in kaart brengt. Daarbij gaat het om informatie als rechtsgoed, ongeacht de informatietechnologie. Ruwweg kunnen de invalshoeken als volgt geschematiseerd worden.

De bewoners van de informatiesamenleving nemen al of niet in georganiseerd verband op twee manieren aan de informatiesamenleving deel: als producent/consument en als politicus/ambtenaar/ staatsburger. In beide rollen bevinden zij zich op een kruispunt van ‘informatiebetrekkingen’. Die betrekkingen zijn terug te brengen tot een paar hoofdbeginselen, die we samen vatten als het 'free flow’ beginsel, het beginsel van intellectuele eigendom en het beginsel van de bescherming van informatie over de persoon. Onder het eerste beginsel begrijpen wij zowel de openbare free flow van informatie (vrijheid van meningsuiting, toegankelijkheid van informatiebronnen, toegang tot communicatiemiddelen) als de vrijheid van privécommunicatie (brief, telefoon, email). Onder het tweede beginsel begrijpen we alle rechten van intellectuele eigendom (auteursrecht, merkenrecht, octrooirecht). En bij het derde beginsel moeten we denken aan alles wat met privacy te maken heeft, van de privé leefomgeving tot aan databanken met persoonsgegevens.

De twintigste eeuw heeft de eenentwintigste eeuw twee grote omwentelingen nagelaten: het wereldwijde elektronische web dat zich op basis van het internet in de virtuele wereld heeft ontwikkeld, en een complex web van markten en staten dat zich in de echte wereld heeft gevormd. Die heeft van de informatiesamenleving een echte wereldwijde netwerksamenleving gemaakt. Aan de kant van de producenten van informatie is het aanbod sterk geïndividualiseerd en ge- deprofessionaliseerd (iedereen kan informatie maken, samenstellen en verspreiden). Het aanbod wordt niet langer gemonopoliseerd door mediaondernemingen en overheden. Aan de kant van de gebruikers zijn alle drempels van de toegang tot de communicatie netwerken geslecht. Zij kunnen onbelemmerd aan de openbare free flow of information deelnemen. Maar daardoor zijn hun individuele communicatiehandelingen ook tot in de fijnste details traceerbaar, als spoor vast te houden en te analyseren. De wereld van het internet is het walhalla van de vrijheid, maar tegelijkertijd een eldorado voor marketeers en terroristenbestrijders.[1] De verspreiding van informatie kan via het internet met nul marginale kosten. Dat heeft de systemen van exploitatie van de rechten van intellectuele eigendom onder grote druk gezet. Privacyrechten verdampen in een nieuwe Société des Spectacle waarvan de contouren al in de jaren zestig door Guy Debord werden voorspeld.

Wat zal ons de komende jaren het meest bezighouden? Ik denk hoe de hiervoor geformuleerde beginselen in een internationale samenleving van niet eerder gekende technische en maatschappelijke complexiteit een nieuwe inhoud te geven. Laat ik die complexiteit tot slot illustreren met het voorbeeld van Wikileaks, waarin eigenlijk alles samenkomt, en waaraan ook valt te illustreren wat urgent is, niet wordt onderkend of overschat.

Wikileaks is door internet een wereldwijd proces en daardoor juridische nauwelijks is te controleren. Het zal daarom als tegenreactie een al bestaande trend versnellen de nationale controle op de toegangspoorten tot het internet te verscherpen, een aanslag dus op zowel privacy als free flow of information. Het toont de urgentie aan dat we een duidelijk juridisch kader moeten ontwikkelen waarbinnen de vrije toegankelijkheid van internet een plaats kan krijgen. De ongebreidelde toegankelijkheid doorbreekt de afweging die politiek en bestuurlijk gemaakt moet worden tussen openbaar en geheimhouding. Het zal een tegenreactie van technische en bestuurlijke geheimhouding oproepen. De betekenis van deze openbaarheid is dus zwaar overschat en het geeft aan dat we beter moeten nadenken over de openbaarheid in de netwerksamenleving. Het laat ten slotte zien dat informatie tegen nul kosten wereldwijd kan worden verspreid. Het legt de bedreiging bloot waaraan rechten van intellectuele eigendom thans bloot staan. Dat probleem wordt onderschat.


[1] Zie E.J. Dommering, Gevangen in de vrijheid, Amsterdam: Otto Cramwinckel 2008.


Bekijk ook de pagina van Egbert Dommering bij het Instituut voor Informatierecht van de UvA