Egmont en de banier van de vrijheid

«Vrijheid» werd in de Romantiek de ideale slogan. Het klonk zo nobel en meeslepend. Daarom kon Beethovens ouverture bij Goethes drama Egmont dé soundtrack van de Romantiek worden.

Vrijheid – Ach, wat een woord! Niemand kan uitleggen wat het eigenlijk inhoudt. Het is een bezoedelde vlag, maar zodra hij zich ontvouwt, volgt iedereen hem op weg naar alle deugden, alle misdaden en de dood.» Dit is de «definitie» van vrijheid die een van de hoofdpersonen uit Belle van Zuylens roman Drie vrouwen geeft. Dit boek verscheen in 1795, dus op het moment dat de Verlichting, die door velen werd gezien als de heerschappij van de rede, al was omgeslagen in een irrationele furie. De Franse Revolutie, die de Verlichtingsidealen samenvatte in de leus «Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap», was ontaard in de Terreur en had geleid tot massamoord en oorlog.

Ergens was er iets misgegaan. De Verlichting had ideeën voortgebracht die haar eigen droom vernietigden. De verheerlijking van de rede, het empirisch onderzoek en de wetenschappelijke benadering zorgden voor materiële vooruitgang en bevrijdden mensen uit de kluisters van onderdrukkende dogma’s en tradities. Maar sommigen zagen al snel dat de toorts van de Verlichting ook schaduwen wierp, zoals een toenemend materialisme, ongebreideld eigenbelang, oppervlakkigheid en de ontkenning van hogere waarden. Het streven de wereld te ontdoen van zijn magie resulteerde in een kale, schrale en middelmatige werkelijkheid.

Een van de belangrijkste zonen en tegelijkertijd een van de grootste critici van de Verlichting was Jean Jacques Rousseau. Hij ging tekeer tegen het kille, rationele onderzoek en zocht naar een grootse, meeslepende invulling van oude begrippen. Een van die begrippen waaraan hij zich vergreep, was vrijheid.

«De mens is geboren in vrijheid, en overal is hij met ketens gebonden», luidt de openingszin van Rousseau’s Du contrat social. Het is een opmerking die qua nietszeggendheid op eenzame hoogte staat. Volgens Joseph de Maistre kon je met even veel recht zeggen dat schapen van nature vleeseters zijn, maar dat ze overal en altijd maar op grassprietjes knabbelen. De mens wordt natuurlijk helemaal niet vrij geboren. Behalve zijn sociale achtergrond stellen vooral de genen paal en perk aan zijn individuele vrijheid. Rousseau ontkent dat en propageert de vrijheid als totale zelfontplooiing, als de ultieme verwezenlijking van de menselijke vermogens. Dat klinkt leuk, maar ook uitermate vaag.

Vaak zijn het echter de meest nietszeggende begrippen die de grootste aantrekkingskracht bezitten. Daarom kon het woord «vrijheid» inderdaad een vlag worden, een banier waarachter je alle kanten op kon marcheren. Het klonk zo mooi, zo nobel, zo meeslepend. Daarom werd het in de Romantiek de ideale slogan. Daarom kon Beethovens ouverture bij Goethes drama Egmont dé soundtrack van de Romantiek worden. Beethoven gold als het prototype van de compromisloze, Romantische held, die dwars tegen de conventies in zijn eigen weg gaat. Hij was de belichaming van de vrijheid en werd het idool van veel socialisten en nationalisten die de maatschappelijke orde trachtten op te blazen.

Dat Beethovens Egmont Ouverture werd gezien als ideale vertolking van het Romantische vrijheidsideaal is eigenlijk vreemd, want het werd geschreven als muziek bij een toneelstuk waarin een veel oudere, radicaal andere opvatting van vrijheid centraal stond. De vrijheid die de graaf van Egmont tegenover de hertog van Alva verdedigt, heeft niets te maken met de Romantische interpretatie van het begrip. In Goethes uit 1788 daterende drama komt Egmont niet op voor «de Vrijheid» als abstract en universeel begrip, maar voor allerlei heel concrete vrijheden, die historisch zijn gegroeid.

Het verzet in de Lage Landen komt niet voort uit een verlangen naar een andere, vrijere en meer rechtvaardige samenleving, maar is een reactie op het feit dat de koning van Spanje geen rekening houdt met oude rechten en privileges. De eeuwenoude vrijheden van steden, provincies en de diverse standen worden met voeten getreden door een vorst die een moderne, gecentraliseerde staat wil creëren. Goethe laat een van de ontevreden burgers vertellen over de wetten die vroeger golden, en wanneer het volk opstandig wordt laat hij het leuzen aanheffen als: «Veiligheid en rust! Orde en vrijheid!»

Dat «vrijheid» hier op de laatste plaats komt, is veelzeggend. Egmont beseft dat de vrijheid ongelijk is verdeeld, en dat is maar goed ook. Als lid van de hoge adel heeft hij veel meer privileges en rechten te verliezen dan de kramers, de schippers en timmerlieden die protesteren tegen de komst van Alva. Hij maant hen daarom de koning niet te provoceren: «Een gewone burger die eerlijk en vlijtig in zijn levensonderhoud voorziet, heeft overal zoveel vrijheid als hij nodig heeft.» Alva valt Egmont hier dan ook op aan en wijst er fijntjes op dat edellieden als Egmont en Oranje zich aan het hoofd van het volk stellen, maar heel andere belangen hebben. Bovendien vindt hij het onzin om zo krampachtig vast te houden aan al die oude rechten en vrijheden. Op deze wereld is niets blijvend, waarom zou een staatsinstelling dat wél zijn? De vooruitgang kun je niet tegenhouden en wanneer Egmont dat toch probeert, kost hem dat zijn kop.

Egmonts ouderwetse, niet-egalitaire opvatting van vrijheid als het respecteren van oude, in de loop van vele eeuwen gegroeide rechten en privileges mag op ons wat ouderwets overkomen, maar ze vormde een krachtig tegenwicht voor de absolutistische pretenties van vorsten. De centrale overheid diende zich niet overal mee te bemoeien, de lokale en regionale autonomie diende gerespecteerd te worden.

Hoewel dit vrijheidsbesef nog niet hetzelfde is als de liberale notie van individuele vrijheid is er wel een belangrijke overeenkomst met het liberalisme. Ook liberalen hanteren namelijk een negatieve invulling van het begrip vrijheid. Vrijheid is namelijk de afwezigheid van dwang. Je bent vrij wanneer je beschikt over een privé-domein waar de overheid buiten moet blijven, waar de staat niets te vertellen heeft. Wat je in dit privé-domein allemaal doet, of je prachtige poëzie schrijft of je voortdurend klem zuipt, dat is jouw zaak.

Voor veel Romantici was dit onverteerbaar. De negatieve vrijheid was niet voldoende, die moest op positieve wijze worden opgevuld. Vrijheid werd in toenemende mate gezien als de zelfverwerkelijking van het individu. Dat was alleen mogelijk wanneer het individu verbonden was met een groep of een beweging, of wanneer hij zich wijdde aan een hoger ideaal. Volgens Jean Jacques Rousseau was je pas vrij wanneer jouw streven samenviel met de Algemene Wil. Wie nu denkt dat dit een democratische gedachte is, vergist zich. Voor Rousseau was de Algemene Wil niet de wil van de meerderheid, maar datgene wat iedereen zou moeten willen. Het individu is dus pas vrij wanneer het opgaat in het collectief.

Het is dus niet verwonderlijk dat het Romantische vrijheidsidee uitgesproken totalitaire trekken kon krijgen. Het is geen toeval dat stromingen als het communisme en het nationaal-socialisme sterk wortelden in de Romantiek.

De vlag waarover Belle van Zuylen schreef was dezelfde als die wapperde op een van de iconen van de Romantiek, het schilderij De vrijheid voert het volk aan van Eugène Delacroix. Op dit overrompelende doek is de Vrijheid afgebeeld als een topless dame met in de ene hand een vlag en in de andere hand een geweer. Ze klautert over een stapel lijken en wordt gevolgd door een horde jonge mannen. Waar die achteraan lopen? Achter de halfblote dame, achter de vlag, achter een of ander vaag maar meeslepend idee? Het maakt niet zo veel uit. Wanneer je niet heel precies omschrijft wat je onder vrijheid verstaat, welke grenzen je trekt, kun je met dit begrip alle kanten op. Zowel de goede als de slechte.

Beethoven: Egmont Goethes treurspel naverteld
door Wim T. Schippers, zondag 10 september,
nieuwe luxor theater, 14.15 en 16.00 uur.

Familievoorstelling (6+). Rotterdams Philharmonisch Orkest, dirigent Otto Tausk.

Verteller: Wim T. Schippers, Klaartje: Tania Kross (mezzosopraan), regie: Michiel Dijkema