Ger Groot

Ego-verhalen

‘Angélica was de prinses en ik het jongetje dat niet via het bloemenpad, maar via het doornenpad de wereld in trok; en uiteindelijk trouwde ik met de dochter van de koning, met Angélica dus.’ Dat mijmert het naamloze kind wiens dagboek het hoofdbestanddeel vormt van Eduardo Barrios’ verhaal (voor een roman, zelfs een novelle, is de tekst veel te kort) De jongen die gek werd van liefde. Het verscheen in 1915 in Chili en vestigde de literaire faam van de auteur.

Aan succes kan het Barrios niet ontbroken hebben. Een paar jaar later werd hij directeur van de Chileense nationale bibliotheek – drie decennia voordat een nog veel beroemdere auteur in het buurland Argentinië hetzelfde zou doen. Hij schopte het tot minister van Onderwijs, werd grootgrondbezitter en een schrijver van nationale statuur – maar ook niet meer dan dat.

De jongen die gek werd van liefde is nu in een fraaie editie verschenen bij uitgeverij Ad. Donker. De flaptekst noemt het ‘de mooiste studie van de kinderpsyche uit de Zuid-Amerikaanse literatuur’ en inderdaad komen er bij het lezen van dit gewild-naïeve quasi-dagboek een hoop herinneringen boven. Niet aan de waanzin waarin Barrios zijn kleine held ten slotte laat ondergaan. Zo dramatisch, bijna larmoyant is het met de meeste kinderliefdes gelukkig niet gesteld.

Maar wel resoneren in mijn geheugen opnieuw de angsten van de eerste verliefdheid, de vernederingen die die met zich meebracht, de wanhoop en het gevoel van onmacht. En ten slotte de wetenschap met een dergelijke bevlieging in ieders ogen een beetje belachelijk te zijn – het ergst van al in die van de aanbedene.

En dus kwamen er toen verhalen en fantasieën die de pijn daarvan een beetje moesten verlichten. Een andere wereld werd het toneel van een levenssucces dat vooralsnog uitbleef: waarin de held (altijd ‘ik’) mooier, slimmer, beminnelijker, kortom beter is dan wat hij in werkelijkheid steeds weer blijkt. Waarin dus de dochter van de koning trouwt met de enige die haar toekomt: ‘ik’, onfeilbaar en almachtig.

Dat soort verhalen heb ik mezelf jarenlang voor-gefabuleerd, tot op veel hogere leeftijd dan Barrios’ kleine held. En lang niet altijd gingen ze over de liefde. Een van de oudste bezong mijn heldhaftige reddingswerk bij de treinbotsing van Harmelen, in 1962 als ik mij goed herinner.

Het vreemde is dat die ego-verhalen altijd in de verleden tijd staan. Niet in de toekomstige, die de dimensie van het goede voornemen of het heldhaftige plan is. Het verhaal doet geen poging door te dringen tot een werkelijkheid die ooit echt zou kunnen zijn. Het stelt zich tevreden met de creatie van een louter gedacht alternatief, dat zijn eigen feit is. Het ís al gebeurd, het wás al zo, kijk maar: zo ging het… Het heeft er genoeg aan zichzelf te beleven als de meest prille vorm van literatuur.

Ooit moet daaraan een einde gekomen zijn. Al decennialang vertel ik mezelf geen ego-verhalen meer. Of dat een teken is van ontluikende volwassenheid staat nog te bezien. Want de wens-fantasie heeft alleen maar sluipenderwijs een nieuw genre gekozen. Ze vertelt niet meer, maar betoogt. Ze legt uit, argumenteert, verklaart en dialogeert: inderdaad tegenover een bedachte ander die in zijn bijna-werkelijkheid een laatste rudiment is van de vertellingen van toen.

Ik vermoed niet dat ik daarin de enige ben – zoals ook de kindvertellingen van onschuld en almacht zelfs tot in Chili blijken voor te komen. Over de schijnwerelden van hun wensvervulling laten volwassenen nauwelijks meer los dan kinderen. Alleen de bekentenis na een discussie of dispuut altijd zoveel betere argumenten en replieken bij de hand te hebben dan op het moment zelf, kan er nog wel eens af. Ieder weet dat díe ervaring breed gedeeld wordt. Maar om dat te weten, moet elkeen die disputen wel achteraf opnieuw hebben na-gespeeld, in talloze varianten, totdat de al half gefantaseerde ‘ik’ uiteindelijk op het spoor kwam van het meest gevatte weerwoord. Ook op dit innerlijke toneel hervindt de ik zijn heldenrol in een tastend bijeengedroomd, experimenteel theater.

Zo neemt het argument de functie over van het verhaal – zoals dat in het groot ook met de beschavingsgeschiedenis gebeurd is. Mythe werd wetenschap, en daardoor – meent zijzelf – pas rationeel. Slechts zelden vertellen wij, grootgewordenen, onszelf nog verhalen. En als we het doen, is het meteen ook ernstig. Zelfs daarvan geeft de kleine held van Barrios een voorproefje: ‘Ik zou willen dat er iets vreselijks met me gebeurde (…) en dat ik dan uiteindelijk doodga… Maar zij zou het allemaal moeten weten, dat wel…!’