Egodocument als bron

Zowel Bart van der Boom alsRemco Ensel en Evelien Gans ver­wijzen in hun discussie naar het artikel dat wij publiceerden over het gebruik van egodocumenten door historici (‘De gevaar­lijkste van alle bronnen’, in Egodocumenten: Nieuwe wegen en perspectieven (Aksant 2004).

Wij vinden het daarom zinvol een bijdrage­ te leveren aan het debat. In zijn boek heeft Van der Boom 164 dag­boeken doorgelezen om antwoord te vinden op de vraag of de schrijvers weet hadden van de massa­moord die gepleegd werd op gedepor­teer­de Neder­landse joden. Van der Boom vond geen dagboek waarin dit duidelijk is ­opge­schre­ven en conclu­deert dat de schrijvers dus niets wisten van wat later de holocaust werd genoemd. Hij veralge­meni­seert zijn conclusie vervolgens tot alle Nederlanders: wij hebben het niet geweten.

In ons artikel - en meer nog in andere publica­ties - hebben wij laten zien dat dagboe­ken nooit recht­streeks inzicht geven in de gedach­ten van de schri­jvers, maar die opvatting heeft Van der Boom in zijn boek terzijde geschoven. Hij heeft bewust voor ééndi­mensionale rechtlijnig­heid geko­zen.

Historici hebben al eerder op deze naïeve wijze gebruik gemaakt van dagboeken. Zo was er een ­heftig debat of ouderliefde al dan niet bestond in vroeg-modern Europa. Linda Pollock bestu­deerde ­vierhonderd dagboe­ken en stelde in haar studie Forgot­ten Children vast dat ouders bijna nooit ­schre­ven ­dat ze hun kinderen sloe­gen. Ze conclu­deerde daaruit dat de relatie tussen ouder en kind ­historisch onver­anderlijk liefde­vol was. Op die conclu­sie is terecht kri­tiek gekomen. Wie onderzoek doet op basis van egodocumenten moet namelijk ook met ‘stiltes’ kunnen omgaan. Egodocumenten lenen zich goed ­voor histo­risch onder­zoek, maar dan wel met inzicht in hun aard en vanuit een vraag­stelling zonder het simplisme van een wel-of-niet-formu­le­ring.

Eigenlijk is het onbegrijpelijk dat iemand die 164 dag­boeken heeft bestudeerd nog steeds gelooft dat zulke teksten een onbeslagen spiegel zijn van wat de schrijvers dachten of voelden. Misschien komt dat doordat Van der Boom al vooraf wist wat hij ging concluderen: een weerlegging van wat Ies Vuijsje in 2006 had geschre­ven in Tegen beter weten in: Zelfbedrog en ­ontkenning in de Nederlandse ­geschied­schrijving. Vuijsje schreef dat velen ­wisten van de massa­moord op ­gedepor­teerde joden, zodat Van der Boom concludeert: er was geen Neder­lan­der die wist wat er met joden gebeurde nadat ze de grens met Duitsland waren ­gepas­seerd. De combinatie van een tunnelvisie met moeilijk te interpreteren bronnen kan echter nooit tot een goede conclusie leiden.

Op de redelijke kritiek van Remco Ensel en ­Evelien Gans reageerde hij met ­buitensporig verbaal geweld. Op zijn blog noemde hij hun artikel ­'beschamend en dom’. In zijn gedrukte reactie richtte hij zich vooral tegen Evelien Gans, die hij ­'ten­den­tieus’ noemt en beschul­digt van ‘kwade trouw’: ze ‘ver­giftigt de ­discus­sie’. In plaats hiervan had Van der Boom er ons inziens ­verstandiger aan gedaan zijn gebruik van egodocu­menten beter te verantwoor­den en de resul­taten van zijn onder­zoek te nuanceren.

Arianne Baggerman Rudolf Dekker