Crisis in België

Egoïsten en dronkenlappen

De Vlaming is een fascist, de Franstalige is een gluiperd. Zie daar het wederzijdse wantrouwen van de twee taalgroepen in België.

De zoveelste crisis in België legt de vertrouwensbreuk tussen Vlamingen en Franstaligen weer eens genadeloos bloot. Waarom kunnen ze daar niet door één deur?
Even was het rustig in België. De recessie was als een warme deken over sluimerend zeer. De zo geroemde rustige vastigheid van toenmalig premier Herman Van Rompuy deed wonderen. Maar in de aanloop naar de val van de regering van Yves Leterme vloog de modder weer als nooit tevoren. Zoals op 16 maart, toen de grootste Franstalige krant van België, Le Soir, een opiniestuk over de Vlaamse ‘wooncode’ plaatste. Die code verplicht de kandidaat-huurder van een sociale woning in Vlaanderen 'de bereidheid te tonen Nederlands te leren’. Het artikel werd vergezeld van een foto van een massagraf in Nigeria. Dat is waar intolerantie toe leidt, was de boodschap.
Het typeert de gevoeligheid van de Belgische twisten en het wederzijdse gebrek aan begrip. Neem het conflict rond de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde (bhv), dat het land al bijna veertig jaar achtervolgt en meer dan alleen deze regering de kop heeft gekost. Waar buitenstaanders de commotie niet begrijpen over wat zij zien als een onbenullige burenruzie over waar de heg moet staan, is het de Belgen dodelijke ernst - maar om verschillende redenen.
De Vlamingen hebben het gevoel dat hun land wordt ingepikt. Land dat ze met veel bloed, zweet en tranen hebben weten veilig te stellen van de eeuwenoude onderdrukker, de Franstalige bourgeoisie. Die nestelt zich de laatste jaren steeds vaker in de groene, Vlaamse gemeentes rondom Brussel (een de facto Franstalige enclave omringd door Vlaams grondgebied). Dertig jaar geleden spraken ze daar nog Nederlands; nu is de meerderheid er Franstalig en profileert zich steeds meer als zodanig. En de kieskring bhv, die naast Brussel de westelijke helft van Vlaams-Brabant omvat, werkt die trend in de hand, zo wordt verondersteld, omdat het ze daar in staat stelt te stemmen op Franstalige partijen in Brussel.
Vandaar die strenge Vlaamse maatregelen, die soms tot bizarre situaties leiden: een grotendeels Franstalige gemeenteraad die in gebrekkig Nederlands vergadert; Nederlandstalige scholen met louter Franstalige kinderen; gemeentebedienden die anderstaligen consequent in het Nederlands te woord staan en adviseren een tolk mee te brengen als ze het niet verstaan (zoals vastgelegd door een undercoverreportage van het vrt-programma Panorama); of Franstalige huizenkopers die niet geschikt worden bevonden door de zogeheten Provinciale Evaluatiecommissie. Een inwoonster van Sint-Genesius-Rode werd in maart nog afgewezen voor een huis een paar straten verderop.
Geen wonder dat de Franstaligen - Walen én Brusselaars - zich geschoffeerd voelen. Gediscrimineerd zelfs. Ze wijzen graag naar uitspraken van de Raad van Europa, een mensenrechtenorganisatie van 47 lidstaten die het Vlaamse beleid meer dan eens veroordeeld heeft. Ze dachten in een vrij land te leven waar je kunt gaan en staan waar je wilt. Maar ze voelen zich systematisch in de hoek gedreven door wat zij ervaren als een bijna fascistische Vlaamse meerderheid in het land.
Dat verklaart deels waarom de emoties zo hoog oplopen. Het is de identiteit van de één versus de mensenrechten van de ander. De Vlamingen gaan uit van het territorialiteitsbeginsel, het recht van de gemeenschap haar culturele karakter te waarborgen; de Franstaligen van het personaliteitsbeginsel, het recht van het individu. Beide uitgangspunten zijn verdedigbaar, beide zijn in principe te begrijpen. Maar niet in België, waar twee parallelle taalgemeenschappen volledig langs elkaar heen leven.
Vroeger waren er nog unitaire partijen, partijen die álle Belgen vertegenwoordigden. De zuilen van weleer overstegen de interne taalverschillen. Katholieken, socialisten en liberalen van over het hele land stemden op één en dezelfde partij. Maar met de politieke hervormingen door de jaren heen, tot en met de federale staat in 1993, zijn ze uiteindelijk allemaal gescheiden. Politici vandaag hebben weinig meer te maken met hun collega’s van over de taalgrens. 'Politici die elkaar kennen, kunnen elkaars woorden op waarde schatten’, schreef ook NRC Handelsblad vorige week vrijdag, na een chaotische dag in het parlement. 'Maar Vlaamse en Franstalige politici in België kennen elkaar niet meer.’
Opvallend is de eensgezindheid in beide kampen. Alle Vlaamse partijen willen bhv splitsen; de Franstaligen zijn unaniem in hun verzet daartegen. Alleen de groenen vertonen nog enige onderlinge verwantschap. Ook de media zijn in zekere mate partijdig, hoewel de ene krant wat meer gebalanceerd is dan de andere. Waar het commentaar van Le Soir sprak over een 'staatsgreep’, de dag nadat de Vlaamse liberalen uit de regering waren gestapt, vond De Morgen het 'verfrissend’.
Ook de burgers van België kennen elkaar niet meer. Van de veertigduizend huwelijken in 2006 waren er nog geen duizend tussen mensen uit verschillende gewesten. Karikaturale stereotypen blijven zo springlevend. De Vlaming is een fascist, een egoïst die te beroerd is solidair te zijn met de zuiderburen die het momenteel economisch moeilijk hebben, terwijl hijzelf jarenlang op steun heeft kunnen rekenen. De Franstalige is een gluiperd, een arrogante vlerk die weigert Nederlands te leren of een werkschuwe dronkenlap die leeft van Vlaams belastinggeld.
Het einde van België is vaak voorspeld. 'Alleen buitenlanders doen dat’, zeggen ze dan, 'wij komen er wel weer uit.’ Toch is het moeilijk te zien hoe deze kloof ooit gedicht kan worden. Sterker, het zijn de separatisten die garen spinnen bij iedere nieuwe crisis. De salonfähige Nieuw-Vlaamse Alliantie van de populaire politicus Bart de Wever is aan een indrukwekkende opmars bezig. Nieuwe verkiezingen zullen hem geen windeieren leggen. Of die er komen is nog onzeker. Maar één ding staat vast: België gaat een interessante tijd tegemoet.