«Egypte is geen Syrië» en ook nog lang geen democratie

«Egypte is geen Syrië»

Onder toenemende internationale druk om politieke her vor mingen door te voeren, besloot president Hosni Moebarak onlangs dat het Egyptische volk moet kunnen kiezen uit meerdere presidentskandidaten. Maar een democratie is Egypte nog lang niet.

CAIRO – Het was een «bruidsdag voor de democratie» en een «politieke oversteek even heroïsch als de militaire oversteek van het Suezkanaal in 1973». Egyptische parlementsleden kwamen woorden te kort toen zij op 9 maart president Moebaraks voorstel om artikel 76 van de grondwet te wijzigen unaniem goedkeurden. En dus mag het Egyptische volk dit najaar voor het eerst kiezen uit meerdere kandidaten voor het presidentschap.

Tot nu toe koos het parlement altijd een kandidaat die vervolgens door het volk kon worden goedgekeurd. Sinds 1981 is die kandidaat steevast Hosni Moebarak, die elke zes jaar met goedkeuringspercentages van hoog in de negentig door het volk werd «verkozen».

Niet iedereen was vol lof over het wetsvoorstel. Terwijl binnen het parlement volks vertegenwoordigers de president bezongen, demonstreerden buiten zo’n vijftig socialisten die de grondwetswijziging niet ver genoeg vonden gaan. Demonstraties zijn een nieuw verschijnsel in Egypte. Sinds december vorig jaar vinden ze met enige regelmaat plaats.

Meest opvallend en luidruchtig waren de duizenden mensen van de Kifaya-beweging die onder de slogan «genoeg is genoeg» om het aftreden van Moebarak riepen. Iets wat tot voor kort ondenkbaar was in het land van de Nijl, dat met ijzeren vuist geregeerd wordt door de 76-jarige voormalige officier en diens almachtige Nationale Democratische Partij (NDP).

Na de landelijke verkiezingen in Irak en Pales tina, de gemeentelijke in Saoedi-Arabië en de massale manifestaties in Beiroet, lijkt het op het eerste gezicht dus ook de goede kant op te gaan met de democratisering van Egypte. Maar de laatste maanden gaf het Egyptische bewind nogal tegenstrijdige signalen af. Bovendien spelen fundamentelere kwesties een rol.

Zo noemde de NDP de roep om democratie begin januari nog «futiel» en beschuldigde Moebarak «buitenlandse bronnen» ervan Egyptische oppositiepartijen met zeventig miljoen dollar te ondersteunen. Vervolgens werd op 29 januari de populaire parlementariër en oppositieleider Ayman Nour gearresteerd, hoewel deze op papier parlementaire onschendbaarheid geniet.

Volgens de Egyptische justitie had de 41-jarige advocaat zich schuldig gemaakt aan het vervalsen van documenten ter oprichting van de Al Ghad («Morgen») Partij. Maar volgens onafhankelijke waarnemers diende zijn arrestatie slechts ter intimidatie van de oppo sitie.

Zijn arrestatie bleef internationaal niet onopgemerkt. Washington, sinds het tekenen van het vredesakkoord met Israël Egyptes voornaamste financiële en militaire sponsor, bevroor enkele miljoenen aan hulp en Condoleezza Rice zag af van een staatsbezoek. Nours aanhangers riepen wekenlang om diens vrij lating vanaf het balkon van zijn advocatenpraktijk in hartje Cairo.

Na zes weken te hebben doorgebracht in de crucifix, een speciale cel van nauwelijks een meter hoog, werd Nour uiteindelijk op 12 maart op vrije voeten gesteld. Enkele dagen daarvoor had het eerste nummer van het Al Ghad-partijblad te kennen gegeven dat Nour zich beschikbaar stelde voor het presidentschap. Blijkbaar realiseerde de Egyptische regering zich dat het geen fraaie indruk zou maken wanneer Moebaraks eerste tegen strever zich achter de tralies bevond.

De Al Ghad Partij bestaat pas enkele maanden. Het is een liberale partij die zich met name richt op het introduceren van een vrije markt in Egypte en goede contacten met het Westen, terwijl ze zich verre houdt van netelige kwesties als de vrede met Israël en Egyptes islamisten. Geen wonder dat de partij goed ligt in Washington en door de NDP als een enorme bedreiging wordt beschouwd.

Een van de meest prominente leden is Mohamed al Sadat, neef van de voormalige president Anwar al Sadat, die in 1981 door een moslim extremist werd vermoord. Gezien zijn familieachtergrond lag een glorieuze carrière binnen de NDP in het verschiet. Toch koos Mohamed voor Al Ghad. «Ik denk dat mijn oom trots op me zou zijn geweest», zei hij: «De NDP praat al 25 jaar over verandering, maar er gebeurt niets. Zo kampen we met een enorme werkloosheid en corruptie, en vergt het meer dan vierhonderd stappen om zelfs maar een bakkerij te openen. Ik denk met Al Ghad meer kans te hebben op daadwerkelijke verandering.»

Sadat verwelkomde de beslissing van Moebarak om de presidentsverkiezingen open te stellen. Hij hoopte echter ook dat dit slechts een eerste stap was op weg naar verdere democratisering: «Zo moet er maar eens een einde komen aan het beleid dat een partij slechts kan worden opgericht met toestemming van het regime.»

Hij haastte zich echter te benadrukken dat de eenheid van Egypte altijd voorop staat: «Wij zijn een oppositiepartij, maar wij willen geen buitenlandse bemoeienis. Als Moebarak het nationale voetbalelftal is, dan staan wij als één man achter hem, ook al verschillen we wat betreft de binnenlandse politiek van mening.»

Gezien de arrestatie van Nour en een recente verstoring van een partijbijeenkomst door twintig onbekenden in trainingspak, vermoedelijk allen politie in burger, is het niet zo vreemd dat Sadat zich voorzichtig uitlaat.

«De aanvankelijk blijde verbazing over de grondwetswijziging is inmiddels flink afgenomen», zei Essam Montasser, professor politieke economie aan de Amerikaanse Universiteit van Cairo. «De vraag was of het besluit een oprechte stap richting democratie was. Vandaag de dag weten we dat dat niet zo is.»

De teleurstelling van Montasser, en met hem vele anderen, betreft allereerst de wetswijziging zelf. Inmiddels is duidelijk dat iemand zich niet zomaar kandidaat kan stellen, maar moet beschikken over een nog te bepalen minimum steun in de Egyptische Eerste en Tweede Kamer, waar de NDP een absolute meerderheid geniet. Daarnaast zijn er praktische overwegingen. De NDP beheerst kranten, televisie en staatsorganen en is niet van plan de oppositie een eerlijke strijd te gunnen.

Belangrijker is het feit dat Moebarak en de NDP er niet over peinzen een einde te maken aan de noodtoestand die sinds 1981 van kracht is. Deze werd ingesteld na de moord op Sadat en geeft de staat ongelimiteerde macht. Met een beroep op de «staatsveiligheid» kan een ieder, zonder enige aanklacht en zonder enige vorm van proces, maanden en zelfs jaren opgesloten worden.

De militaire noodtoestand diende aanvankelijk om de macht van militante moslim groepen als de Islamitische Jihad en Gamaa al Islamiya te breken. Vooral in de jaren tachtig voerde Egypte een ware vuile oorlog. Duizenden mensen werden opgepakt en de politie deinsde er niet voor terug mensen in koelen bloede neer te schieten. Met het merendeel van hun leden dood of in de gevangenis zwoeren genoemde organisaties midden jaren negentig het geweld af. Maar de noodtoestand is nog altijd van kracht.

Egypte heeft naar schatting twintigduizend politieke gevangenen, die volgens Human Rights Watch bloot staan aan systematische en routinematige martelpraktijken. Overigens is ook elke islamitische partij met politieke aspiraties verboden, hetgeen vanuit het oogpunt van het regime wel begrijpelijk is. De niet- militante Moslim Broederschap zou bij open verkiezingen ongetwijfeld een enorme overwinning boeken.

Met de noodtoestand in werking is het ook staatstraditie om politieke tegenstanders, indien nodig met hun familie en aanhangers, vlak voor de verkiezingen een tijdlang te doen verdwijnen. Toen de socioloog Said Ibrahim melding maakte van dergelijke en andere ontoelaatbare praktijken verdween hij zelf in de gevangenis, onder meer wegens «het opzettelijk verspreiden van valse informatie in het buitenland schadelijk voor de belangen van Egypte».

Maar het zijn niet alleen islamisten en politieke hoogvliegers die te duchten hebben van de veiligheidsdiensten. Zo vertelde Mohamed, een tapijtenhandelaar, hoe hij na een verblijf in Libanon drie maanden lang werd verhoord. Hij had zich, zo bleek, te dicht in de buurt van Israël begeven. Hala vertelde hoe een vriend van haar maanden in de gevangenis verdween vanwege «communistische affiliaties».

«De noodtoestand wordt in het buitenland verkocht als zijnde noodzakelijk in de strijd tegen het terrorisme, maar dat is slechts een façade», zei Montasser. «Overal ter wereld zie je hetzelfde mechanisme. Naarmate legitimiteit en geloofwaardigheid van het regime afnemen, steekt de politiestaat de kop op. Egypte is niet anders.»

Het aantal agenten in het Egyptische straatbeeld is opvallend. Zo is de Amerikaanse Universiteit omringd door busjes oproerpolitie, en wie op vrijdag na het bidden de aloude Al Azhar Moskee verlaat, staat oog in oog met een cordon politieagenten in vol ornaat. Alles in naam van de veiligheid.

Een medewerker van een Frans onderzoeksinstituut in Cairo, die verzocht anoniem te blijven, definieerde het Egyptische bewind als «etatisme ten top». Enige doel: het handhaven van de status-quo en voorkomen dat het volk zich in beweging zet.

«Egypte is helemaal voor democratie», zei hij ironisch, «maar dan wel een democratie à la Egypte, dat wil zeggen een democratie gecontroleerd door de staat. Immers, alles in Egypte, van media tot vakbonden en oppositie, wordt gecontroleerd door de staat.»

Neem de demonstraties van de laatste tijd. Denk niet dat die een spontane uiting waren van de Egyptische volkswil. Niets daarvan. Telkens was tevoren in overleg met het regime bepaald hoeveel mensen op welke plek zouden demonstreren. Vadertje staat Moebarak weet immers het best wat goed is voor zijn onder danen, en voor hemzelf.

Voor zijn onderdanen is dat rust, orde en veiligheid. Voor hem en zijn partijmakkers is dat een vijfde termijn, zodat zij de (corrupte) vruchten van de macht kunnen blijven genieten, waarna zoonlief Gamal de zaak kan overnemen. «Egypte is geen Syrië», zei Moebarak eerder. Dat moge zo zijn, maar Egypte is evenmin de democratische heilstaat waar Bush en Blair van dromen als zij spreken van het nieuwe Midden-Oosten.