Kaddisj voor de zomer van 2005, door Tom Lanoye

Egyptisch intermezzo

Tom Lanoye ondervond in Sharm-el -Sheikh, Egypte, wat je krijgt met al die globalisering. Op den duur weet je niet meer wat je bent: lid van een dominante cultuur, of juist niet. Kortom, brave new globe!

Twee maanden terug was ik in Sharm-el-Sheikh, het plaatsje waar anderhalve week geleden De Aanslag Van De Week plaatsvond. Tachtig doden, een paar honderd gruwelijk gewonden, onder wie veel toeristen – maar weinig Engels taligen, dus niet al te veel spel in de internationale pers. Die had meer oog voor vijf nieuwe aanslagen in Londen. Mislukte aanslagen, bovendien – als we het neerkogelen van een Braziliaan door de politie even niet meerekenen.

(Eerste Les Voor het Slachtoffer: wil je voldoende zendtijd en aandacht? Leer Engels. Inburgeringscursussen zijn voor niemand een luxe. En raak gemutileerd in een plaats die internationaal tot de verbeelding spreekt. Londen of Parijs dus, niet een omgebouwd vissersdorp aan de Rode Zee.)

(En bovenal: wees geen illegaal, als je überhaupt de sympathie wilt behouden.)

Een presidentieel oponthoud

Het was bedoeld als een tussenlanding, mijn «verblijf» in Sharm-el-Sheikh, maar het liep uit tot bijna een uur. We mochten ons vliegtuig niet uit. Geruchten wilden dat de Egyptische president zelve van de luchthaven gebruik diende te maken en dat alle verkeer was stil gelegd vanwege zijn veiligheid. Dat schiep meteen een band. Zelfs de president voelde zich bedreigd in zijn land. Dan voel je je als vreemdeling al bijna thuis.

President Hosni Mubarak zou in Sharm-el-Sheikh – het Knokke van Egypte, zeker qua betonmegalomanie – een villa bezitten. Ik weet niet of dat klopt. Ik heb het alleszins nergens horen vermelden als reden waarom Sharm-el-Sheikh wél werd geviseerd, en niet dat andere paradijs van de package deal-toerist: het tweelingdorp Hurghada, onze bestemming, een slordige honderd kilometer verderop aan de kust. Met tientallen mastodonthotels en een stijgende interesse van touroperators.

Zeer aan te bevelen, overigens. Zeker nu. Ik durf te wedden dat de prijzen gekelderd zijn. Het is nochtans het moment om te gaan. Alle statistici zullen het beamen. Veiliger dan Brussel en Antwerpen samen – om maar te zwijgen van Londen-Zuid, waar je ook nog eens moet uitkijken voor alles wat een kepie draagt.

In Egypte zit je er, als buitenlander toch, ook veilig omdat er verkiezingen aankomen. President Mubarak, die een vijfde (sic) ambtstermijn ambieert, zal er niets aan gelegen laten om te regeren met nog meer knoet dan anders. Talloze honderden verdachten worden nu al opgepakt, terecht of niet. Als je maar genoeg mensen op laat pakken, zitten er altijd wel een paar schuldigen bij. Je blijft niet voor niets vijf keer president in Egypte. Die man heeft iets te verdedigen. De economie van zijn land, de goodwill van het Westen en een villa in de geburen… Dan zitten je gevangenissen snel vol. Verkrachtingen en folteringen zullen wel weer niet van de lucht zijn. Iedere bondgenoot heeft zo zijn tradities. De ene daarvan respecteer je al wat makkelijker dan de andere. Maar hey! Amnesty International kan weer extra personeel aanwerven. En hoh! We leven in 2005. De hoogbloei van het internationale gevangeniswezen. Op geheime boten, in bevriende buitenlanden, op een ver eiland, maakt niet uit. De gevangenis is zelden zo hip geweest.

Pas als de foltercellen leeglopen, lang na de komende verkiezingen, en als alle gevangenisverhalen de ronde doen – dán wordt het weer tijd om de Rode Zee te mijden. Die zou haar benaming wel eens kunnen waarmaken. Het begrip «menselijke bom» zou wel eens op heel scherp kunnen worden gezet. Maar dat is later. Laten we nu het in godsnaam hebben over mijn weekje vakantie!

Met het betere Houellebecq-gevoel. Wie is hier eigenlijk de gevangene: de toerist of de autochtoon? En wanneer barst hier de bom?

En dan maar liggen genieten in je strandstoel, dat de stukken eraf kletsen.

Hotte duimelotten

Moeilijk is dat, niet met een toepasselijk boek in de hand (Imre Kertész, Liquidatie). En je raakt hoe dan ook toch verdoofd door iedere dag die woestijnzon, aan de rand van die viooltjesblauwe zee vol prachtige koraalriffen waar je niet eens naar hoeft te duiken – er vaart een bootje over met een glazen bodem.

O luiheid, o overgewicht!

Andere hotelgasten nemen in jouw plaats wanhopig enthousiast deel aan de ochtendgymnastiek, aan het volksdansen en aan het kennismaken met mekaar. Eeuwige vriendschappen van een week. Op tijd en stond schuif je zwijgend tussen hen aan voor grote buffetten met alles erop en ernaast, van curryworst tot kikkererwt, allemaal even vers. Alle kelners hebben ogen als karbonkels, op zoek naar kruisende blauwe vrouwenogen. En van de ochtend tot de avond is alle mogelijke sterke drank à volonté verkrijgbaar, na het tonen van je plastic armbandje. Ja, er wordt zelfs onafgebroken geschonken aan een betegeld toogje dat deels in het zwembad is verwerkt. Een grote hit, zeker als er een gast z’n vijfde bloody mary achteroverkwakt met zichzelf erbij. (De hit wordt minder groot als iemand een acute kater krijgt en, uit gewoonte, tussen zijn armen overgeeft dat het klatert. Zeker na het nuttigen van twintig bloody mary’s.)

Van gin tot bier, van wijn tot wodka – alles wordt gebrouwen in Egypte zelf. Dat komt de kwaliteit niet steeds ten goede. Ook sterke drank is een kwestie van traditie, bondgenoot of geen bondgenoot. En de islam, indien al eeuwen dominant, levert zelden goede fusten voor wijn, laat staan voor wodka.

Voor de Russen allemaal geen bezwaar. Zij waren in de meerderheid. Of dat aan de goedkope drank ligt of aan de goede vliegtuig verbinding, weet ik niet. De vliegtuigverbinding kan natuurlijk de goedkope drank zijn ge volgd. Er waren hoe dan ook opvallend veel Russen. Ze zagen eruit als familie van Tony So prano, tot ze hun mond opendeden. Zelden zo veel goud gezien, zelfs niet in de muil van de prachtigste ochtendstond.

De Russen maakten er sowieso hun werk van uit te stralen dat ze zeer vermogend waren, en ook nog eens heel erg modern. Ik kreeg bijvoorbeeld de indruk dat de vrouwen in downtown Moskou zelfs hun ramen lappen in monokini, met als enig broekje de tip van hun zeemvel. Maar dan wel een zeemvel van de duurste designer en met een diamant ter hoogte van hun hol. Ik zeg het maar zoals het is. Dat is geen racisme. Ik hou van rijke Russen. Dat komt al licht omdat je geen woord verstaat van wat ze zeggen. Als ik niet verstond wat Vlaamse parvenues zeiden, ik zou ook van hen houden.

Zelf ben ik niet zo’n drinker. Ik heb het meer begrepen op wellness. Dat is ook een internationale trend. Zo gaat dat. Aan internationale trends geen gebrek. Voor de ene vijf jaar cel zonder proces, voor de andere een Zweedse massage. Ik ben daar een doorzetter in. Ik arriveer ergens en ik ga meteen kijken of er een mas sage te rapen valt. Eerst de massages, dan het eten. Ik ben wat je noemt «een atypische Vlaming».

Bij de tweede masseur had ik prijs. De collectieve wellness-zaal liep maar eventjes leeg en hij zat al met zijn duim waar een duim niet hoort te zitten. Niet onknap, stuk in de twintig – hijzelf, niet zijn duim. Met een beetje verbeelding kon je in zijn gelaatstrekken een fa rao herkennen, maar dat kan aan de verduis terde toestand van de zaal hebben gelegen. «Massage okay, mister?» vroeg hij. Ik kon niet opmaken of hij het bedeesd bedoelde, of uitnodigend – misschien had hij meer opties in de aanbieding dan alleen zijn duim. Het kan ook aan zijn accent hebben gelegen, dat nog slechter was dan dat van de rijke Russen. Hij had geen goud in de mond. Althans, toch niet letterlijk.

Na afloop wist ik nog niet of ik heb hem nu een baksisj, een fooi, moest offreren dan wel aftroggelen. Dat krijg je, met al die globalisering. Op den duur weet je niet meer wat je bent: lid van een dominante cultuur, of juist niet.

Een nieuwe wandeling

De volgende dag gingen mijn echtgenoot en ik ’s avonds wandelen buiten het hotel, naar het dorpje Hurghada, dat hij zich herinnerde van een reis twintig jaar geleden. Een klein vissersdorp, toentertijd. Een roedel verwilderde honden had ’m bij valavond bijna aangevallen op het strand, waar zich niet veel meer accommodatie had bevonden dan wat vervallen koloniale hotelletjes en shabby hostels… Zo dicteerde de herinnering.

Een taxi bracht ons weg uit ons huidige hotel, een marmeren paleis met vijfhonderd ka mers en drie restaurants. Dat ging niet vanzelf, de chauffeur moest tweemaal laten controleren of hij wel was wie hij zei te zijn. Wij zagen er alvast uit als wie we zeiden te zijn, twee toeristen.

Nou! Dat hebben we geweten. We werden gedumpt in de hoofdstraat – a broken boulevard of souvenirwinkels. We werden al in de eerste die we passeerden nagenoeg binnengesleurd, naar aloude gewoonte, om te beginnen af te dingen op tapijten en papyrustaferelen die we niet eens wilden kopen. We raakten heelhuids buiten, zelfs met vriendelijke wederzijdse groe ten erbovenop.

Daarna flaneerden we ineens maar de straat af. Die bleek langer dan, niet eens zo lang geleden, het hele dorp was geweest. Veel modern bedoelde gebouwen, de meeste niet afgewerkt. Een bestrating die de tred van de vooruitgang niet had kunnen volgen. Hels verkeer met veel geclaxonneer, verstikkende uitlaatgassen, rot fruit, modderige plassen, tientallen Indische matrozen in onberispelijk wit uniform naast besjes in burka, de geur van waterpijpen en ko riander, de zang van een muezzin, geschetter van popmuziek. Een overmaatse en poepdure McDonald’s bijna letterlijk naast een oude moskee, boordevol devoot biddende ge lo vi gen, pas daar en daar alleen iedereen in tradi tionele kledij… Een miniatuur-Cairo met de charme van de provincie en de wanhoop van de uithoek die nog niet gewend is aan zijn toeristieke doem.

Het eethuis waar we dineerden schonk on danks zijn mondain bedoelde interieur geen druppel alcohol, maar de visbereiding was voortreffelijk. Een jonge kerel passeerde het restaurantraam en keek naar binnen. Ik meende de masseur te herkennen. Hij stapte door zon der terug te knikken. Hij leek minder op een farao dan op een jonge, bittere Al Pacino. Kauwend op de voortreffelijke vis moest ik denken aan het interview met een Egyptische schrijver in Le Monde. «Dit land bestrijdt het terrorisme niet», zei hij, «het roept het juist in leven.»

Hij had het niet eens over de clash van mo derniteit tegen traditie. «Als je vader maar ma chi nist is, krijg je nooit een fatsoenlijke baan, of zelfs maar een kans op de universiteit. De strijd tegen de islamisten is een overheidsalibi geworden voor het instandhouden van corruptie en nepotisme. Wie daartegen wil vechten, eindigt eerst in de cel, daarna in de armen van de extremisten. En wie beiden durft te kritiseren, regering én traditionalisten, loopt twee keer gevaar.»

Hij zei te vrezen voor zijn leven maar wilde niet stoppen met schrijven.

Na afloop wilden we naar ons hotel teruglopen. Het werd ons afgeraden, en niet vanwege verwilderde honden. Op de terugweg zagen we vanuit de taxi, tegen de laatste resten rood oplichtende wolken in, ons hotel weer liggen. Een lange hooivork in de dode zee – twee tanden van glas en marmer, met aan weerszijden kamers, elk met een balkonnetje, en met daarvoor nog een stukje strand. Prima bereikbaar per boot. Overdag prima begluurbaar per verrekijker.

De huiskameel was nergens te bespeuren, alsook zijn begeleider. Samen met de muzikanten was hij de enige die in het hotel in traditionele klederdracht rondliep. Tegen betaling mocht je op zijn kameel zitten en een foto laten trekken. «Daar houdt onze God niet van», had hij die middag tegen me gezegd, toen ik aan de strandbar twee pils vroeg. «Onze God keurt dat sterk af.»

Hij wees met zijn bebaarde kin naar de pils. Aan zijn grijns kon ik niet afmeten of hij me in de maling nam dan wel probeerde te waarschuwen. Ik bleef hem aankijken, tot hij in lachen uitbarstte en me een schouderklop gaf. Achter mijn rug lag downtown Moskou in middels uitgebreid haar volle tietenwerk in te smeren, tegen de ongenadige woestijnzon. Met gespreide benen en de fonkeling van een zeldzame diamant.

Brave new globe. Brave new globe.