Egyptische vissers merken nog niks van de revolutie

Caïro - Dat viel even tegen: op 19 maart stemde 77 procent van de Egyptische kiezers vóór de voorstellen om de grondwet aan te passen. Dat was niet de bedoeling, volgens de Egyptische Facebook-jeugd uit de rijke Caïreense wijken zoals Zamelek, Maadi en Heliopolis.

‘Een revolutie is niet iets om halverwege met compromissen af te sluiten’, vertelt Karim Farag, een 35-jarige christelijke Kopt uit de welvarende wijk Maadi. ‘Wil je trouwens een joint?’ Zijn vader, generaal Farag, bouwde in de jaren zestig de antidrugsbrigade in Egypte op. Zelf doet Farag junior iets in de agrowereld en onroerend goed.
Wat de Facebook-jongeren even vergeten waren: de meerderheid van de Egyptenaren is nog altijd straatarm en, zacht gezegd, niet erg goed in het politieke proces ingevoerd. Zoals Mohamed Seif, een 43-jarige visser uit El Hawatra, een dorp langs de Nijl, drie uur ten zuiden van Caïro. ‘In ons dorp spraken we over het referendum en besloten we om voor te stemmen. Het was een historische dag, nooit eerder konden we eerlijk stemmen. Het stembureau moest langer openblijven, omdat de rijen zo lang waren.’ Waarom de vissers voor stemden, blijft onduidelijk. Vivian Samir, een christen uit het nabijgelegen El Minya, weet het wel. ‘De moskeeën waren voor. Sommigen zeggen dat ze de mensen geld hebben geboden.’ Samir vindt het maar niks: ‘De kerken hadden opgeroepen om te gaan stemmen. Tegen de voorstellen. Iedereen die ik ken heeft tegengestemd.’
De aanpassingen aan de grondwet betekenen onder meer dat toekomstige Egyptische presidenten maar één keer herkozen mogen worden en dat een staat van beleg alleen door een unaniem parlement mag worden uitgeroepen. In Egypte heerst al ruim dertig jaar de staat van beleg. De uitslag van het referendum betekent ook dat er binnen een half jaar verkiezingen moeten komen: een voordeel voor goed georganiseerde partijen als de moslimbroederschap, nadelig voor de tientallen nieuwe partijen.
Voor visser Ashraf El Hakeem spelen de politieke overwegingen geen rol. Hij hoopt vooral op meer gerechtigheid in zijn dagelijks leven: ‘Ik ben een arme visser. De viskwekerij van de overheid levert haar vis illegaal aan rijke ondernemers en het Nijl-water wordt illegaal afgetapt door een voormalige minister. Ik hoop dat de revolutie ook naar mijn dorp komt, maar voorlopig merk ik er nog niets van.’ Hij schuift zijn hoofddoek eens heen en weer. ‘Wanneer beginnen jullie trouwens een revolutie?’