Ei

We waren uit eten geweest, man en ik. Het was laat geworden, er was veel gedronken en arm in arm liepen we naar huis. Ik vertelde over het boek dat ik een week eerder gelezen had, over de vreemde vernielzucht die met liefde gepaard kan gaan. De verleiding iets te vernietigen om het te voltooien. ‘Ja’, zei man. ‘Of gewoon zonder hogere bedoeling dingen aan flarden trappen. Al eeuwen een razend populaire bezigheid.’ Ik moest denken aan de eigenaar van de brillenwinkel die ik op televisie zag, nadat relschoppers zijn winkel hadden vernield en geplunderd. Hij hield een verbogen montuur in zijn handen toen hij geïnterviewd werd. ‘Er is duidelijk sprake geweest van enorme agressiviteit’, zei hij rustig. Hij sprak over de rellen als over een orkaan die voorbijgetrokken was. Als iets dat nu eenmaal gebeurde, van tijd tot tijd, onder bepaalde omstandigheden. Man en ik sloegen de hoek om, nog twee straten van huis vandaan, toen we het ei zagen liggen. Een zo te zien hardgekookt ei, in stukken.

Het zou ons misschien niet opgevallen zijn als het niet tussen een grote hoeveelheid glasscherven had gelegen, midden op de stoep. Het knerpte onder onze voeten. Ik zocht de gevels af. Linksboven, op één hoog, zag ik het vernielde raam. Het kozijn bijna glasloos, op wat scherpe tanden na. Ik kon tegeltjes onderscheiden. Een ovenwant aan een haakje. Een pan die glom. De keukenscène was gemakkelijk te bedenken. Zij foeterde, terwijl ze de sla in stukken scheurde. Hij luisterde en keek naar het ei, dat op het aanrecht lag af te koelen. Zij ging maar door, oeverloos, woedend. Hij pakte het ei, woog het in zijn hand. Midden in een zin moest ze opzij springen. Hoe hadden ze elkaar, toen de ruit aan diggelen was, aangekeken? Wat hadden ze gezegd? ‘Wij gooien nooit met eieren’, zei ik. Het klonk vreemd genoeg behoorlijk jaloers. Man schoof met de neus van zijn schoen wat glas opzij. ‘Onze woede zit onderhuids’, zei hij. ‘Dan heb je er langer plezier van.’ Ik lachte. Toen liepen we arm in arm naar huis, heel vredig.