Ei zonder geslacht

In ‘Ik wist dat je ging zuchten’, de derde afdeling in Zaailingen van Anne-Fleur van der Heiden, staat het gedicht ‘In de nacht wordt het feest’:

Het donker brengt vrolijkheid
cabrio’s voor het stoplicht

armen omhoog joelend de nacht in
onder de sterren van een stad

Mooi hoe Van der Heiden hier in vier regels iets vangt van de prettige, onbestemde opwinding die vrijheid en jong zijn met zich mee kan brengen. Je ziet het meteen voor je, al ga je zelf misschien eerder lopend, fietsend of met het openbaar vervoer de nacht in. Wel is dat ‘cabrio’s’ bij nader inzien apart: staan er twee naast elkaar, of gaat het om een hele stoet cabrio’s?

Hierna zoomt het gedicht in: ‘de onbekende jongen vraagt of hij je zoenen mag’. Ergens kon ik die regel natuurlijk zien aankomen, na al dat hormonale, nachtelijke gejoel. Wat ik niet zie aankomen, is de regel die volgt op die zoen: ‘we ademen zestien keer per minuut’. Wellicht een interessant weetje, maar hoe sluit dat aan bij dat zoenen? Of wordt hier gereflecteerd op een tijd die voorbij is, een tijd die zorgeloos was, zonder al te grote gejaagdheid die het gemiddeld aantal keer ademhalen per minuut fors omhoog kan schroeven?

Ook de slotregels zijn van een raadselachtige helderheid. De ik lijkt zichzelf moed in te spreken, of zichzelf in elk geval bij de les te willen houden: ‘blijf bewegen/ om jezelf terug te vinden’. De verzuchting die daarop volgt vat alles knap samen, en ook weer niet: ‘maar toen ik rookte/ hield ik meer van zomernachten’. Het is het nietszeggende woordje ‘maar’ dat daar zo goed staat: de regel lijkt daarmee op de vorige aan te sluiten, maar doet dat niet helemaal, waardoor er veel lucht in die laatste strofe zit.

Wat in die laatste regel wordt samengevat, is iets wat eigenlijk onuitgesproken blijft. Alsof het gedicht halverwege afdwaalt, wegdroomt, en mij als lezer vergeet en verweesd achterlaat. Van der Heiden doet dat vaker in haar poëziedebuut, zeker als ze de ogenschijnlijk transparante regels en beelden het werk laat doen.

In dezelfde derde afdeling staan meer regels die intrigeren, zoals ‘Is het leven een hiernamaals, overledenen/ waarden hebben om door te geven// Zoals dit boek van jou/ de kunst van het relativeren’. Hier gebeurt niets schokkends, integendeel, het gedicht neemt een fragment uit de Liezi bij de hand om te reflecteren op de gelijktijdigheid van groei en afsterven, maar de regels zijn op een prettige wijze in elkaar geschroefd, waardoor ze winnen aan meerduidigheid. Of neem deze frase, uit ‘Zijn meisje’:

Is ze mooier in de herinnering van een lach
haar naakt, zijn meisje al lang niet aangeraakt
handen om haar billen, stuifregen door het zolderraam

Dat ‘haar naakt’, wat staat het daar lekker plompverloren.

Eenzaamheid, verlangen, ontwortelingen – het lijken de belangrijke thema’s in Zaailingen. Dat is terug te zien in het woord ‘zaailingen’ zelf, en in een titel als ‘Heimwee naar het onbestemde’, of in de titel van de tweede afdeling, ‘Ik zou een concubine kunnen zijn’. In ‘Walruskalf’ geeft de ‘ik’ te kennen graag ‘als zoog gekust te worden/ door een moeder met snorharen’, liefst met daarbij ‘een vader die de grootste heeft/ van het dierenrijk, 60 centimeter’. Het liep anders:

maar ik werd geboren als lederschildpad
ei zonder geslacht, door mijn moeder
in het zand begraven, met de taak
alleen uit te kruipen, te water te gaan, kwallen te eten

Niet alle gedichten zijn even opzienbarend. Juist omdat te zien is wat Van der Heiden kan met weinig taal, vallen de gedichten die nog te veel taal bevatten of omslachtig aandoen des te meer op, zoals ‘We zijn fractalen’. Dit kan Van der Heiden strakker: ‘Het gaat over, liefde, maar zo had ik het niet gewild/ want voornemens had ik en ik ben niet van plan weg te gaan.’ Een frase als ‘Ooit kocht ik een beeldje’ wil met dat woordje ‘ooit’ eigenlijk te graag poëzie zijn. Ook een zekere gevatheid, die meer doet denken aan kleinkunst dan aan poëzie, lees ik terug in Zaailingen: ‘Symbiose leerde ik/ later is het langdurig samenleven waarbij het voor een van de twee/ gunstig is’. Of in ‘Aanwezigheid’: ‘of gebieden waar mensen in stukjes/ liggen – bedoel ik niet schrijnend, maar het is zo’.

Of poëzie de juiste plek is voor het debiteren van levenswijsheden, betwijfel ik. Ik word in elk geval niet wijzer van een slotstrofe als ‘misschien is aanwezigheid/ geen synoniem voor liefde/ maar voor zelfredzaamheid’, en ook niet van ‘om het licht niet meer te beoordelen naar kilowattvermogen/ licht is ellendig voor een vlieg die zijn vleugels brandt aan een vlam’, uit ‘Champagne’.

Daar staat echter genoeg bijzonders tegenover, zoals de gedichten ‘Victoria’, ‘Soldaten’, ‘Kleinste versie van mij’, ‘Brief uit Italië’, en de teksten in de afdeling ‘Ik zou een concubine kunnen zijn’, die in al hun sensualiteit kwetsbaar en intiem zijn. Als Van der Heiden dít kan, wacht er nog veel moois:

Een verzwakte bij zit in mijn vensterraam
ik geef hem honingwater, misschien een laatste
avondmaal, hoor je hem wel zoemen over zijn
naderende einde, tot zijn vliesvleugels versleten zijn?

Aambeeldhoofd

Sterfscènes onder de douche bedenken, een lichaam
zwaar als een hond met een doorweekte vacht
stem die zegt dat het nooit lukken zal, ik
beter kan stoppen voor ik begin, terug moet
naar waar ik vandaan kwam, de donkere
wolk inadem door mijn longen verspreid
ik heb geleerd om mijn aambeeldhoofd op te richten
naar de vrouw die de eerste noten op haar
viool krast op weg naar de upside down
in de schoot van de zwarte moeder aarde
een Chinees gezegde luidt: als je huilt
omdat je de zon mist, mis je ook de maan en de sterren