Eichmann in Nederland

De film Hannah Arendt (2013) van Magarethe von Trotta volgt de filosofe tijdens het proces tegen de Duitse oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann in 1961. In een artikelenreeks die Arendt daarover voor The New Yorker schreef, kwam ze tot de conclusie dat het kwaad van de daders van de holocaust niet zozeer ‘diabolisch’ of ‘ideologisch’ was als wel banaal: in de moderne samenleving kon conformisme ‘gewone’ mensen verschrikkelijke daden laten begaan.

Medium images 1

De artikelen van Arendt, later gebundeld in het boek Eichmann in Jeruzalem, leidden in de Verenigde Staten tot veel discussie, iets dat in de film terugkomt als we zien hoe een groot deel van Arendts joodse vrienden met haar breekt. Ook de Nederlandse pers besteedde uitgebreid aandacht aan het proces. Twee aanwezigen, schrijver Harry Mulisch en journalist Abel Herzberg, zouden door de confrontatie met Eichmann in Jeruzalem fundamenteel anders over daderschap en de Tweede Wereldoorlog gaan denken. Hun denkbeelden over ‘fout’ in de oorlog spelen ook in hedendaagse discussies nog altijd een grote rol.

De arrestatie van Eichmann in 1960 leidde tot een stroom van publicaties in de Nederlandse pers. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Eichmann bij de Sicherheits Dienst werkzaam als expert op het gebied van ‘joodse aangelegenheden’. Als hoofd van het Referat IV B 4 speelde hij een belangrijke rol in het mogelijk maken van de vernietiging van het Europese jodendom. Zo was hij onder meer verantwoordelijk voor de transporten naar de vernietigingskampen van het Derde Rijk. In 1950 ontvluchtte Eichmann Europa. In het Argentinië van dictator Perón, waar onder anderen ook Josef Mengele zich schuilhield, probeerde hij een nieuw bestaan op te bouwen. In 1960 kwam hij echter in het zoeklicht van de Oostenrijkse nazi-jager en kampoverlevende Simon Wiesenthal_._ Mede op diens aanwijzingen werd Eichmann op 11 mei 1960 door de Israëlische geheime dienst Mossad ontvoerd, om in Jeruzalem terecht te staan.

In de verschillende biografische schetsen die Nederlandse dag- en weekbladen in reactie op de arrestatie publiceerden, werd vaak het diabolische karakter van Eichmann benadrukt. Zo stelde de redactie van de Haagse Post in het artikel ‘Het beest aan de ketting’ dat Eichmann gezien moest worden als een van de vier belangrijkste ‘nazi-slachters’. Dezelfde toon komt ook terug in een artikel van Vrij Nederland met de veelzeggende kop ‘Ik wil u een miljoen joden verkopen’. Panorama publiceerde een biografie van een heel andere toon door in het artikel ‘Eichmann en vrouwen – de schokkende waarheid’ uitgebreid het liefdesleven van de oorlogsmisdadiger te bespreken.

Daarnaast vroegen commentatoren zich voorafgaand aan het proces af of er überhaupt ‘recht’ gesproken kon worden in de zaak-Eichmann: was de ‘misdaad’ niet te groot? Elseviers Weekblad plaatste een prent waarop Vrouwe Justitia te zien is met een weegschaal in haar hand. Op de ene schaal liggen boeken over internationaal recht, op de andere zien we een aantal uitgemergelde mensen met daaronder ‘6 miljoen’. De redactie van De Groene Amsterdammer vroeg zich openlijk af of het niet beter was geweest als ‘(…) dit gevaarlijke insect was doodgetrapt, zoals men met gevaarlijke insecten pleegt te doen’.

Het kwaad krijgt een nieuw gezicht

Op 11 april 1961 startte het proces tegen Adolf Eichmann onder grote internationale belangstelling. In de periode daaraan voorafgaand was een beeld ontstaan van Eichmann als reïncarnatie van het kwaad, niet in de laatste plaats in de Nederlandse pers. Geen enkele journalist wist echter precies wat de confrontatie met Eichmann in de rechtszaal teweeg zou brengen. De Haagse Post voorspelde op 15 april 1961 bijvoorbeeld dat het proces wel eens ‘angstwekkende energieën’ kon vrijmaken. Het eigenlijke optreden van Eichmann in de rechtszaal zorgde bij veel aanwezige journalisten echter voor een radicaal andere kijk op het fenomeen daderschap. Maar weinigen konden in Eichmann de diabolische en fanatische moordenaar herkennen die ze aanvankelijk hadden beschreven: steeds benadrukten ze juist hoe ‘normaal’ Eichmann eigenlijk was en steeds sterker werd in deze normaliteit de oorzaak van zijn verschrikkelijke daden gezocht.

Ook de jonge schrijver Harry Mulisch, die als kind van een joodse moeder en een collaborerende vader een begrijpelijke fascinatie voor het thema ‘daderschap’ had, reisde voor Elseviers Weekbladnaar Jeruzalem af. Zijn artikelen zouden later gebundeld worden in De zaak 40|61. Een reportage (1963).

In zijn roman Het stenen bruidsbed (1959) betoogde Mulisch nog dat de verschrikkelijke gebeurtenissen die in periode 1940-1945 plaatsvonden vooral gezien moesten worden als een vorm van ‘anti-historie’: daden en gebeurtenissen ‘waar geen gedachte meer is, geen bedoeling en geen gevolg – alleen het niets’. De Tweede Wereldoorlog, de vernietigingskampen, de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki – ze maakten volgens Mulisch allemaal deel uit van de anti-historie, omdat ze een terugval waren in de barbarij: de antithese van vooruitgang en de moderniteit. Het Eichmann-proces zou hem echter op andere gedachten brengen.

Vanaf het begin van het proces viel het Mulisch op hoe gevoelig Eichmann was voor autoriteit en hiërarchie. Het werd voor hem zo steeds moeilijker om te geloven dat de man in de beklaagdenbank een satanische moordenaar was. Het bracht Mulisch ertoe de misdadigers van het naziregime onder te verdelen in drie categorieën. Ten eerste was er Hitler, de god. Zijn tweede categorie werd gevormd door de gelovigen, waarvan Himmler het schoolvoorbeeld was. Eichmann behoorde volgens Mulisch tot een nieuwe derde categorie, die slechts in een moderne samenleving kon ontstaan: de zogenaamde schrijftafelmoordenaar. Volgens Mulisch hadden daders van deze derde categorie maar één god: het bevel.

Het gewone, of banale, van het kwaad school dus, volgens Mulisch, niet in het feit dat er mensen als Hitler waren, maar dat de Eichmannen van de wereld, onder de juiste omstandigheden, elk bevel opvolgden. Dit omschreef hij als psychotechniek: mensen als machines, die niet meer in staat zijn morele keuzes te maken, maar functioneren als robots. Eichmann was dus niet het hoogtepunt van de anti-historie van Het stenen bruidsbed, maar juist het hoogtepunt van het bureaucratisch conformisme van de moderne samenleving. De visie van Mulisch kwam grotendeels overeen met die van Arendt. Het is dan ook zeer waarschijnlijk dat de twee elkaar regelmatig in Jeruzalem gesproken hebben. Zo schreef Arendt in een van haar artikelen: ‘De Nederlandse correspondent Harry Mulisch (…) is de enige verslaggever van het proces (…) wiens conclusies op belangrijke punten overeenkomen met die van mijzelf.’

De oudste Nederlandse correspondent die verslag deed van het proces was Abel Herzberg. De oorlog had hij onder meer doorgebracht in de kampen Westerbork en Bergen-Belsen, waar hij Eichmann al in de winter van 1944 ontmoette. Door zijn boeken over de jodenvervolging zou hij na de oorlog een beroemd schrijver worden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Herzberg in 1960 als verslaggever voor dagblad Trouw naar Jeruzalem afreisde.

Net als Mulisch kon Herzberg zich niet vinden in het beeld van Eichmann als reïncarnatie van het kwaad: ‘Ik heb Eichmann een “beest” horen noemen, een “monster”, een “roofdier” (…). Ik wou dat het waar was. Maar het is, helaas, niet waar. Eichmann is een mens, en naar ik ernstig vrees, nog een gewoon mens ook.’

Ook Herzberg benadrukte dus het ‘gewone’ van Eichmann. Bij hem nam het beeld van de ‘schrijftafelmoordenaar’ echter een andere vorm aan. In dit beeld is de ‘banaliteit van het kwaad’ bij mensen als Eichmann niet altijd latent aanwezig, maar zijn het maatschappelijke omstandigheden die dat – als het ware – ‘activeren’. De ideologie van het Derde Rijk is bij Herzberg in dat kader te zien. Herzberg benadrukte dus eigenlijk de onbeduidendheid van Eichmann: de maatschappij en de ideologie zijn verantwoordelijk voor zijn misdaden. ‘Is de man aansprakelijk voor de moord, die de staat en de maatschappij hebben bedreven?’ zo vroeg hij zich openlijk af.

Op het eerste gezicht lijken de visies van Arendt, Mulisch en Herzberg vrijwel overeen te komen. Toch verschillen ze op een belangrijk punt. In de humanistische visie van Herzberg hebben mensen de keus om zich niet te laten meeslepen door de ideologie. Bij Mulisch bestaat deze keuze niet: het bevel is een fatum geworden. Hiermee verschilt de boodschap die Mulisch en Herzberg aan het proces ontlenen dan ook sterk: Mulisch en Arendt waarschuwen voor de onzichtbare Eichmannen in de moderne wereld, Herzberg roept op ze te bekeren.

De confrontatie met Eichmann in de rechtszaal zorgde ervoor dat de Tweede Wereldoorlog als moreel ijkpunt een ander karakter kreeg in de jaren zestig. Het kwaad als uitwas van conformisme in de bureaucratische samenleving kan immers ook goed gebruikt worden om eigentijdse misdaden, bijvoorbeeld door de keurige democratische Verenigde Staten begaan in Vietnam, aan de kaak te stellen. Ook het ‘goede’ Nederland werd hierdoor met zichzelf geconfronteerd. Zo vroeg Mulisch zich af of de Indonesische president Soekarno niet evengoed de kapitein Westerling zou kunnen laten kidnappen om hem voor oorlogsmisdaden terecht te laten staan.

Meer dan alleen met de banaliteit van Eichmanns kwaad confronteerde zijn proces Nederland ook met het conformisme in de eigen geschiedenis. Hoe kon het bijvoorbeeld dat er een uitzonderlijk hoog percentage van de Nederlandse joden was gedeporteerd? En hoe zat het met het optreden van onze eigen soldaten, ambtenaren en burgers in de recente ‘politionele’ acties in Indonesië?

In de huidige discussie over ‘goed’ en ‘fout’ in de oorlog is de keuzevrijheid die individuen tijdens een oorlog hebben het belangrijkste punt van discussie. Was de oom van Auke Siebe Dirk een overtuigd en fanatiek nationaal-socialist, of was hij als Nederlandse SS’er ook ‘slachtoffer’ van zijn tijd? In de artikelen van Mulisch en Herzberg zijn de huidige standpunten al goed zichtbaar omdat ook hier de keuzevrijheid van het moderne individu centraal staat. Is de keuzevrijheid tijdens een oorlog dusdanig beperkt en ‘grijs’ dat het eigenlijk onmogelijk wordt om mensen hierop aan te spreken? Of heeft ieder mens altijd een keuze, of in ieder geval de verantwoordelijkheid om deze zo veel mogelijk bij zichzelf en anderen op te zoeken? Over de ‘Eichmannen’ van deze wereld schreef Herzberg al in 1960: ‘Onze verantwoordelijkheid is, hem voor de rampzaligheid te behoeden, waartoe hij vervallen kan.’ Die uitspraak zou ook nu nog tot de nodige discussie leiden.


Beeld: Eichmann in Jerusalem, Hannah Arendt