Hoofdcommentaar

Eigen armen eerst

reageer online

De recente prijsstijging van melk heeft weinig tot niets te maken met de stijgende vraag naar melk in China. De internationale zuivelmarkt is klein. Bijna negentig procent van de geconsumeerde zuivel komt uit eigen land. De prijsstijging is het gevolg van het opdrogen van de melkplas, veranderingen in het Europees landbouwbeleid en de incidentele droogte in Australië en Nieuw-Zeeland. Toch kopte NRC Handelsblad op 20 augustus: ‘Welvaart in China maakt melk duurder’. Die misser is tekenend voor de schrikbarend snel groeiende zucht naar artikelen en berichten waarin de opkomst van China wordt geduid als een gevaar. Een artikel met een correcte kop als ‘Hardwerkende Chinezen zorgen voor spotgoedkope T-shirts’ blijft ongeschreven of krijgt een plaatsje diep achter in het economiekatern. Ook journalisten doen graag mee aan de bangmakerij: je wilt immers gelezen worden.

Neem de beddenaffaire van afgelopen week. Matrassen- en beddenverkoper Beter Bed meldde de pers dat een container uit China vergiftigde matrassen bevatte. De VPRO sprak over ‘duizenden’ matrassen en ‘vijftien’ containers. Nadat onderzoeksinstituut TNO een partij van 1350 Chinese matrassen had onderzocht, moest Beter Bed toegeven dat er niets mee aan de hand was.

Natuurlijk bestaat er wel degelijk gevaar voor de consument. In Amerika bevestigden afgelopen week maar liefst vier bedrijven dat de verf waarmee hun in China vervaardigde speelgoed is gekleurd, lood bevat. Bij inslikken kan dat gevaar opleveren. Wal-Mart vond sporen van de onveilige stof melamine in hondenkoekjes. Maar wiens schuld is dat? In een reactie op deze ‘onthullingen’ wees een hoge Chinese ambtenaar erop dat zestig procent van de Chinese export door buitenlandse bedrijven wordt gemaakt. En inderdaad, het enige dat Chinees is aan de fabrieken van Wal-Mart, is het grondgebied, de goedkope werknemers en de formulieren van de belastingdienst.

De Chinezen begrijpen dat ook in China goedkoop duurkoop is, en dat ze verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van hun producten. Maar ze zien beter dan wij dat de oorzaken voor het gif in de dikwijls wanstaltig slechte exportproducten net zo goed bij ons liggen, de westerse consumenten en multinationals. Niemand wordt met het pistool op zijn hoofd naar de speelgoedwinkel gejaagd om daar de allergoedkoopste plastic troep uit China te kopen. Het staat de consument vrij zelf na te denken. Wie in de supermarkt een kipfilet voor minder dan een euro koopt (dat kan!), weet dat het vlees niet afkomstig is van een tevreden scharrelaar. Een consument is goed, maar niet gek. Tegelijk heeft het Chinese lood hem de afgelopen jaren geen windeieren gelegd: het Centraal Planbureau becijferde dat de Nederlandse consument door de import uit China per jaar 300 euro goedkoper uit is.

Toch voedt de bangmakerij de roep om protectionistische maatregelen en ‘verscherpte controle’ op containers uit China. Vooral een partij als de SP roept om maatregelen die het Nederlandse bedrijfsleven moeten beschermen. Uit naam van de solidariteit.

Maar solidariteit met wie? Met de Nederlander aan de onderkant van onze samenleving, mensen die door ziekte of werkloosheid van een minimale uitkering moeten rondkomen, oudere werknemers voor wie omscholing geen zin meer heeft en al die anderen die het moeilijk hebben in de op twee na meest genivelleerde samenleving ter wereld. Die solidariteit betreft alleen ‘eigen’ armen en houdt bij de grens op. Toch zou die solidariteit ook China moeten gelden. Want behalve dat juist de minder goed verdienende Nederlanders baat hebben bij de lage prijzen van producten uit China, heeft de toenemende vraag naar Chinese waar in dat voorheen straatarme land enorm veel betekend voor de armoedebestrijding. Honderden miljoenen Chinezen zijn in de afgelopen vijfentwintig jaar van de bedelstaf gered. Om preciezer te zijn: sinds 1980 kromp de groep allerarmste Chinezen met acht miljoen mensen per jaar, een ongelooflijke prestatie. In het ronkende geweld van angstaanjagende krantenkoppen hoor je daar geen enkele politicus over.

Natuurlijk, solidariteit met alle hongerigen ter wereld is te veel gevraagd van de mens. Dat geldt voor zowel de SP-stemmer als de Chinees. Maar zelfs als de Nederlandse politiek wil vasthouden aan de eis ‘eigen armen eerst’, kan ze zich verheugen in de groeiende Chinese welvaart. Want als Nederlandse bedrijven dankzij extra investeringen in het onderwijs en een efficiënte toepassing van nieuwe kennis populaire nieuwe vindingen weten te produceren, vinden ze een afzetmarkt die groter is dan ze ooit hadden kunnen dromen. Dat liet de Finse mobieltjesboer Nokia deze week nog eens zien in zijn jaarcijfers: China en India zijn Amerika gepasseerd als hun grootste afnemer. Ook al die Chinese ex-boeren, met inmiddels gevulde magen, willen mobiel bellen.

Het zou redelijk zijn tegen de Chinezen te zeggen: ‘Fijn dat jullie goedkope arbeid leveren en gewillig consumeren.’ Maar daaraan zouden we, als we eerlijk zijn, moeten toevoegen: ‘Reken er niet op dat we dankbaarheid zullen tonen – ook al halen jullie meteen het lood uit de plasticverf. De gedachte dat jullie bezig zijn net zo rijk te worden als wij, doet te velen van ons pijn. Want jullie winst voelt als ons verlies.’ Al is dat nog zo’n onzin.