Essay Solidariteit moet geen grenzen kennen

Eigen armen eerst

Landen willen best wat geld geven voor het goede doel, maar het mag niet te veel zijn en het moet ook het nationale eigenbelang dienen, en liefst worden opgediend in de vorm van een vrolijk amusementsprogramma. En dat terwijl er even verderop mensen sterven van de honger.

Het is niet dat we het niet weten. Integendeel, we zijn beter geïnformeerd dan ooit. We weten heus wel dat wij ondanks onze crisis het per saldo heel erg goed hebben met elkaar, en dat de werkelijke armoede door anderen op de wereld gevoeld wordt. Maar we kijken weg. En we snijden weg. Ook in de nieuwe plannen, olijk aangekondigd onder het mom van ‘bruggen slaan’ wordt er weer verder op ontwikkelingshulp bezuinigd. De bruggen tussen armen en rijken worden blijkbaar vooral alleen nationaal geslagen.

En dat terwijl de werkelijk grote ongelijkheid, de grote armoede­crisis voorbij de grenzen van onze natiestaat in veel gevallen evident dramatischere gevolgen heeft. Want zelfs in onze geavanceerde mondiale 21ste eeuw sterven er nog steeds talloze mensen als gevolg van honger. Tegelijkertijd sterven er mensen als gevolg van een overdaad aan voedsel. De vloek van de armoede en de zucht naar de overdaad gaan gelijk op. Natuurlijk, er is de laatste decennia een toenemende publieke en politieke aandacht voor ontwikkelingsverschillen en dat heeft zeker tal van positieve effecten gehad. Maar de huidige mondiale verdeling tussen armen en rijken is nog steeds niets minder dan schrijnend te noemen. Enkele kerngegevens om een beeld te schetsen (zie: globalissues.org):

- De totale mondiale welvaart is in de afgelopen twee eeuwen toegenomen, maar tegelijkertijd is ook het welvaartsverschil tussen de armste en rijkste landen veel groter geworden.

- Bijna tachtig procent van de mensen leeft in landen waar de inkomensverschillen tussen arm en rijk niet verminderen, maar juist groeien.

- Meer dan een miljard mensen leeft op minder dan een dollar per dag, gemeten in relatieve koopkracht, ‘purchasing power parity’ (ppp). Dat wil zeggen dat het vergelijkbaar is met het moeten rondkomen van dat bedrag per dag in de Verenigde Staten.

- Bijna drie miljard mensen van de zeven miljard mensen op aarde hebben minder te besteden dan tweeënhalve dollar per dag (ppp).

- Bijna tachtig procent van de mensheid leeft van minder dan tien dollar per dag (ppp).

- zes procent van de mensheid heeft bijna 59 procent van de mondiale rijkdom in handen. Als je de rijkste twintig procent van de mensen bekijkt, is dat zelfs driekwart van de mondiale welvaart.

- Het nationale inkomen van de veertig armste landen samen is minder dan het bezit van de zeven rijkste individuen op aarde.

- Ongeveer de helft van alle kinderen op de wereld leeft in armoede. Iedere dag sterven er circa 22.000 kinderen onder de vijf jaar als gevolg van armoede (dat is jaarlijks iets meer dan acht miljoen).

- Armoedeziekten als tuberculose, ondervoeding en kindersterfte eisen vergelijkbare aantallen slachtoffers als extreme welvaartsziekten als obesitas, diabetes en hart- en vaatziekten.

- Voor minder dan één procent van de jaarlijkse hoeveelheid geld die gespendeerd wordt aan wapens kunnen alle kinderen op de wereld onderwijs ontvangen.

Gezien deze dramatische cijfers zou je redelijkerwijs verwachten dat een bestrijding van de persistente mensonwaardige ongelijkheid op aarde de eerste, meest vanzelfsprekende en onaantastbare prioriteit is van de mensheid. Dat de successen en de mislukkingen van armoedebeleid dagelijks voorpaginanieuws zouden zijn. En dat een aanzienlijk deel van het budget voor onderzoek en onderwijs gericht is op het vinden van creatieve, wetenschappelijke oplossingen voor de mondiale armoede. Dat we, kortom, er alles aan doen om iedereen, waar ook geboren of woonachtig, een fatsoenlijk en menswaardig bestaan te bezorgen.

Maar niets is minder waar. De mondiale armoedekloof tussen mensen is nauwelijks een onderwerp van publiek debat. Nationale mediale hypes als de hypotheekrente, Hedwigepolder, hoofddoekjes, files, Holleeder en Moszkowicz en consumentenvertrouwen krijgen altijd weer voorrang in het nieuws, maar ook in de politiek. Als er over sociaal beleid wordt gesproken, wordt er automatisch eerst gekeken naar de eigen bevolking. De politiek van eigen armen eerst. Zelfs als Zuid-Europa gevaarlijk onder spanning staat en meer dan een miljard mensen op de wereld om dreigt te komen van de honger. De eenzame politicus die het waagt de armoede in de wereld als een gelijkwaardig of zelfs belangrijker probleem te beschouwen, loopt het risico te worden weggehoond.

Ook de fraaie woorden in het nieuwste regeerakkoord ‘Nederland kent van oudsher een sterke internationale oriëntatie, zowel omdat het in ons belang is als uit overtuiging’ zijn niet meer dan retoriek, want tegelijkertijd wordt er verder bezuinigd op ontwikkelingssamenwerking. Het warme omhulsel van internationale solidariteit is vandaag niet veel meer dan een rafelig kleedje. De voorbode van deze verdere uitkleding van de internationale solidariteit was al te zien in de verkiezingsdebatten eerder dit jaar, waar het onderwerp buitenland, als het al ter sprake kwam, vaak gereduceerd werd tot ‘Brussel’. Internationale samenwerking en ontwikkeling voorbij de EU werd vrijwel nooit besproken. En als het over Brussel ging, dan ging het vooral over de mate van afdracht van nationale soevereiniteit en over hoeveel geld het buitenland en de Grieken ‘ons’ zouden kosten. Helaas is Nederland niet uniek hierin. In veel staten op de wereld wordt de armoede elders bejegend met een berustend schouderophalen, soms met verwijten van falend beleid in arme landen zelf, en in het beste geval met een gevoel van onmacht. Grensoverschrijdende, mondiale politieke tegengeluiden zijn zeldzaam.

Maar intussen groeit de ongelijkheid wel stevig verder. En dat is in onze hoogtechnologische mondiale samenleving dus veel vaker het resultaat van niet willen dan van niet kunnen. Het is het protectionisme van de nationale grenspolitiek die elk idealistisch streven naar grotere mondiale rechtvaardigheid frustreert en blokkeert. Ondanks vele eeuwen van internationale handel, een groeiende uitwisseling van goederen, diensten en kapitaal en mondiale migratiestromen van mensen wordt er nog steeds gedaan alsof de wereldkaart van omlijnde nationaal gekleurde vakjes de dagelijkse menselijke realiteit weerspiegelt.

In werkelijkheid is de wereldkaart al lang een wirwar van verbindingen en vervlechtingen geworden. Geen welvaartsstaat is autarkisch. De welvaart van een land is in belangrijke mate afhankelijk van de mate waarin mensen in dat land erin slagen om in te spelen op mondiale trends en afhankelijkheden. Sterker, nationale protectie werkt op de lange termijn zelfs averechts op de eigen welvaart. De Europese Unie is daar wellicht het meeste bekende voorbeeld van. De Nederlandse welvaart na de Tweede Wereldoorlog is voor een belangrijk deel te danken aan de grensoverschrijdende handel in Europa. En het geldt eens te meer voor de huidige economie die voor het merendeel draait op de onderlinge verwevenheid en interdependentie van staten. Om uit de veelheid aan huidige mondiale stromen, verbindingen en afhankelijkheden nog altijd economisch begrensde containerstaten te destilleren is een leugen, of op zijn best ziende blindheid. De wereld is geen blokkendoos.

Het klassieke onderscheid tussen strikt nationaal en strikt internationaal is niet alleen een illusie, het is ook normatief uiterst dubieus, aldus filosoof Thomas Pogge. Het maakt namelijk alles wat de staatsgrenzen overschrijdt tot een exceptie. De boodschap die daarmee wordt verkondigd is dat de statelijke indeling van de wereld vanzelfsprekend is en moreel rechtvaardig en dat ieder land de illusie kan koesteren dat problemen die zich buiten die grenzen voordoen in principe niets te maken hebben met de eigen politieke keuzes en economische strategieën. Dat wringt. Het is alsof het moedwillig najagen van het nationale eigenbelang door de exploitatie van arbeidskrachten en hulpbronnen overal ter wereld alleen nationaal gelegitimeerd hoeft te worden. Zelfs als die verrijking direct of indirect ten koste gaat van de welvaart van anderen buiten die nationale grenzen.

Het is een goed gebruik in herverdelingsbeleid om de sterkste schouders de zwaarste lasten te geven. Dan wordt er wel vrijwel automatisch alleen naar de eigen burgers gekeken. Maar wat nu als je die sterkste-schouders-redenering zou toepassen zonder alleen maar naar de nationale armeren te kijken? Als we uit zouden gaan van de morele gelijkwaardigheid van alle mensen en niet alleen voor onze medeburgers? Als we met andere woorden een eerlijke welvaartsverdeling zouden moeten genereren zonder a priori de geboortegrond of bloedverwantschap van mensen te kennen, noch de sociale status of het geluk in de verdeling van natuurlijke kwaliteiten en talenten – wat zou dan een rechtvaardige verdeling zijn?

Het is deze aanname, gebaseerd op de idee dat alle mensen ongelijkaardig maar principieel moreel gelijkwaardig zijn, die filosoof John Rawls (1921-2002) heeft uitgewerkt als de ‘sluier der onwetendheid’. Als die aanname mondiaal toegepast zou worden is het zeer onwaarschijnlijk dat de huidige kloof tussen arm en rijk en de verschillen in kansen de uitkomst zou zijn. Want waarom moeten de armen die buiten die zelf geconstrueerde nationale grenslijn wonen zich dan tevreden stellen met liefdadigheidsgiften, terwijl dat voor de armen binnen de nationale grenslijn nooit geaccepteerd zou worden?

Waarom schreeuwen nationale politici moord en brand als Amanda uit Assen drie procent moet inleveren, maar geven ze niet thuis als, laten we zeggen, Alisha in Abuja vreselijke honger lijdt tot de dood erop volgt? En waarom hebben we in de vorm van gemeenschappelijk betaalde belastingen wel een herverdelingsmechanisme voor Amanda maar niet voor Alisha? Terwijl het in beide gevallen mensen zijn die we persoonlijk niet kennen en voor wie we a priori ook geen vriendschappelijke of familiaire gevoelens koesteren. Wat rechtvaardigt dit onderscheid tussen mensen, deze rechtvaardigheid met twee gezichten? Wat maakt de verbeelde gemeenschap die we ‘natie’ noemen zo speciaal dat we op basis van haar toevallig ontstane grenzen een onderscheid maken naar armoede van mensen, zelfs tot de dood aan toe?

Nationale grenzen mogen historisch toevallig zijn, het naleven ervan, zelfs als dat ten koste gaat van anderen, is geen toeval, maar een bewuste keuze. Grenzen discrimineren. Tussen wij en zij en hier en daar. Op zichzelf is dat nog geen moreel probleem. Discriminatie tussen mensen, het maken van onderscheid, is onvermijdelijk. Of het nu om het kiezen van een huwelijkspartner, een selectie voor een voetbalteam of de keuze voor een werknemer voor een bedrijf gaat, er wordt voortdurend onderscheid gemaakt. Maar wat het negentiende-eeuwse ideaal van de exclusief begrensde natiestaat in de huidige vorm, zeker in deze tijd van mondiale vervlechting, normatief dubieus maakt is dat er nog altijd een onderscheid wordt gemaakt op basis van iets waar je niets aan kunt doen of veranderen, namelijk geboortegrond en/of bloedverwantschap.

Er wordt een ethisch verschil gemaakt tussen mensen die op de eigen grond of uit nationale ingezetenen zijn geboren en zij die dat niet zijn. Het Nederlandse woord allochtoon (allos = anders, chtonos = aarde, grond), waarover onlangs even discussie ontstond maar dat nog altijd gebruikt wordt, is illustratief voor deze aanhoudende dubieuze geboortegrondpolitiek. De leuze ‘eigen volk eerst’, waarbij ‘eigen’ wordt gedefinieerd in termen van bloed- en bodemverwantschap, is als het gaat om mondiale rechtvaardigheid geen uitzondering of onsmakelijke anomalie, maar staande praktijk.

Tegelijkertijd en in schril contrast daarmee is het in veel landen bij wet verboden om intern te discrimineren naar afkomst. Waar iemand woont, binnen welke provincie- of gemeentegrenzen, en of iemand nu geboren is in Assen of Almere, mag geen rol spelen voor zijn of haar kansen bij een sollicitatie. In Nederland is dat zelfs vastgelegd in het allereerste artikel van de grondwet. Toch is discriminatie op afkomst precies wat aan de grens zelf wel wordt gedaan. Wat we nationaal veroordelen, namelijk aantasting van artikel 1 van de grondwet, is internationaal de norm. Scherper gesteld: discrimineren op afkomst aan de grens is een vorm van institutio­nele apartheid. Dat dit bepalend kan zijn voor de rest van iemands leven behoeft geen uitgebreid betoog. Iemand die geldt als Mexicaan omdat hij of zij op Mexicaanse grond wordt geboren heeft doorgaans een ander toekomstperspectief dan iemand die net aan de andere kant van de grens, in de Verenigde Staten, wordt geboren.

Wanneer je het principe hanteert van morele gelijkwaardigheid van individuen en mondiale kansengelijkheid, dan is het criterium van geboortegrond of bloedverwantschap geen rechtvaardige grond om onderscheid te maken tussen mensen of om ongelijkheid te rechtvaardigen. De aldus begrensde samenleving lijkt verdacht veel op het feodale systeem van privileges en kansenongelijkheid, aldus filosoof Joseph Carens. Want we leven in een wereld van begrensde natiestaten waarvan het lidmaatschap en daarmee de toekomst van mensen in belangrijke mate wordt bezegeld door het land waar ooit hun wieg stond.

Dat het vasthouden aan nationale grenzen onvoldoende grond is om een mondiaal armoedeverschil te rechtvaardigen, is iets wat de drie grote politieke ideologieën − liberalisme, confessionalisme en socialisme – althans volgens hun eigen grondbeginselen ook onderschrijven. Alle drie hebben ze in de kern een duidelijke grensoverschrijdende morele inslag. Als bijvoorbeeld liberalen hun eigen ideologie werkelijk serieus nemen, dan zouden zij iedereen, ongeacht afkomst, toegang moeten gunnen tot de vrije, meritocratische samenleving van gelijke kansen die zij bepleiten. Dat zou immers de totale som van het mondiale geluk vergroten. Volgens filosoof Will Kymlicka zijn nationale grenzen in de ware liberale logica dus een moreel affront voor het ideaal van vrijheid en zelfrealisatie voor het individu.

Ook degenen die hun politiek baseren op een bepaalde geloofsovertuiging kunnen niet verklaren waarom waarden als naastenliefde, broederschap en rentmeesterschap zouden moeten stoppen bij de nationale grenzen. En voor socialisten van allerlei pluimage geldt dat de internationale solidariteit tussen arbeiders en het erkennen van rechten van de werkzame bevolking van alle landen van oudsher de grondslag van hun partijpolitiek is. Je mag er toch van uitgaan dat op congressen van tal van arbeiders­partijen de Internationale niet helemaal voor niets wordt gezongen.

In de praktijk speelt voor alle drie de ideologieën mondiale rechtvaardigheid echter nauwelijks een rol in de dagelijkse politieke realiteit. Wat het verschil maakt is dat de partijen doorgaans niet spreken over de morele gelijkwaardigheid van individuen, naasten of arbeiders, dus niet over mensen, maar over de morele gelijkwaardigheid van burgers. En daarmee wordt de exclusieve focus op de mensenklasse die Nederlanders wordt genoemd gerechtvaardigd, en de status quo-van een statelijk begrensde en verdeelde wereld impliciet bevestigd. Het is die nationale verenging van de mensenmaatschappij die de aandacht wegtrekt van verdelende rechtvaardigheid en solidariteit voorbij het zelfgecreëerde blikveld.

Natuurlijk, er bestaan allerlei mondiale hulpprogramma’s, er is een Wereldbank, er worden mediagenieke geldinzamelacties georganiseerd en tal van landen verlenen ontwikkelingshulp. Maar al die activiteiten zijn niet meer dan een aalmoes vergeleken bij de rest van de nationale uitgaven. Of zoals de Ghanese politicoloog Amma Asante het onlangs in Trouw verwoordde: ‘Ontwikkelingssamenwerking helpt hooguit om het ergste te voorkomen, maar is niet krachtig genoeg om economische ontwikkeling te stimuleren. Zonder vrijhandel is ontwikkelingshulp een doekje voor het bloeden. Rijke landen geven met de ene hand maar pakken dat met de andere even hard weer af. (…) Het wordt tijd dat in het debat over ontwikkelingssamenwerking niet alleen gepraat wordt over normen van 0,7 of 0,8 procent voor hulp aan zielige mensen, maar vooral over de wijze waarop de resterende 99,3 procent van ons bnp wordt verdiend.’

Landen willen best wat geld geven voor het goede doel, maar het mag niet te veel zijn en het moet ook het nationale eigenbelang dienen, en het liefst worden opgediend in de vorm van een vrolijk amusements­programma. En dat terwijl er mensen sterven aan de buitengrenzen van het welvarende deel van de wereld dat zich met hoge hekken heeft afgesloten van de rest. Het wegkijken van de schrijnende mondiale ongelijkheid laat zich niet legitimeren door een politiek van nationaal eigen­belang. Wegkijkpolitiek is onbeschaafd en onrechtvaardig. In de woorden van Louise Fresco, onlangs in NRC Handelsblad: ‘Solidariteit (…) niet alleen uit welbegrepen eigenbelang, zoals sussend door deskundologen wordt gezegd. Maar omdat het een fundamentele waarde is van onze beschaving.’

Een debat over de vraag hoe we een mondiale rechtvaardigheid in de 21ste eeuw genereren, gebaseerd op morele gelijkwaardigheid van mensen, is meer dan ooit nodig. Omdat dat moet uit oogpunt van moraliteit en ook omdat het kan. De mensheid heeft voor het eerst in de geschiedenis de technische en organisatorische middelen om iedereen een redelijk bestaan te garanderen. Dat we er niet alles aan doen om dat mogelijk te maken mogen we ons ook nationaal aantrekken.

Het nieuwe kabinet zou er goed aan doen haar slogan van bruggen slaan meer te laten zijn dan retoriek voor alleen de eigen burgers. Allereerst zou het veel actiever en constructiever dan nu kunnen bijdragen aan het helpen verbeteren van mondiale organisaties die een rechtvaardige herverdeling nastreven. Maar ook in eigen huis valt veel te verbeteren. Het misschien wel meest dringende aandachtspunt is een einde te maken aan de nationale begrenzing van artikel 1 van de grondwet. Durf na de conservatieve kaalslag van de afgelopen jaren moreel weer gidsland te zijn. Pas artikel 1 mondiaal toe, zodat deze immorele discriminatie op geboortegrond of bloedverwantschap aan de grens in ieder geval in Nederland alvast eindigt.

En verder zou de regering kunnen nagaan wat de internationale rechtvaardigheidsconsequenties van haar eigen nationale beleid zijn, zoals die van de overheidsprotectie van bepaalde landbouwproducten en industrieën, en de handel in wapens en illegaal gekapt hout. Een dergelijke doorberekening zou standaard aan de nationale begroting kunnen worden gekoppeld. Wellicht ook dat het huidige nivelleringsdebat naar aanleiding van de nieuwe kabinetsplannen dan een minder benauwd en navelstarend perspectief zou krijgen. Want als het gaat om de schrijnende onrechtvaardigheid voorbij die nationale grenzen is nog een wereld te winnen.

Henk van Houtum is werkzaam op het Nijmegen Centre for Border Research, Radboud Universiteit Nijmegen. Dit is een aangepaste versie van de inleiding die hij schreef voor het samen met Joos van Vugt geredigeerde boek Eerlijke nieuwe wereld (uitgeverij Klement), dat 21 november verschijnt. Voor de boekpresentatie zie ru.nl/sp/eerlijkenieuwewereld