Snijden in de kunst Filistijnen en bohémiens

Eigen broek eerst

In Museum Ludwig opende onlangs La Bohème: de tentoonstelling van een intrigerende collectie foto’s over kunstenaars aan de rand van de maatschappij. Is het bohèmemodel een bruikbaar antwoord op de draconische bezuinigingen in de kunsten?

PUCCINI MAAKTE ER een opera van, Aki Kaurismäki een film, en professor Bodo von Dewitz een tentoonstelling. Alle drie namen Scènes de la vie de bohème van de Franse schrijver Henri Murger als vertrekpunt voor hun schets van het leven in de kleurrijke marge van Parijs, volgens Murger ‘de enige stad waar men het leven van een bohémien kan leiden’. Dat zijn in 1851 als populaire krantenfeuilleton verschenen vertelling latere generaties zou blijven inspireren, had de schrijver waarschijnlijk niet kunnen bevroeden.
Scènes de la vie de bohème is een lichtvoetig verslag van het leven van een drietal straatarme kunstenaars en schrijvers dat zich aan de herculische taak zet het onbetwiste meesterwerk te scheppen, om daarna stoom af te blazen in het café, het bordeel of het theater, het liefst in het gezelschap van mejuffrouw Mimi, de 'demi-mondaine’.
Ondanks de vrolijke toonzetting - de krantenlezer moest onderhouden worden - ging de schrijver de meer grimmige kanten van het leven in de antiburgerlijke marge niet uit de weg. 'De bohème is de eerste stap in het kunstenaarsbestaan’, schreef Murger, 'en ze vormt de introductie tot de Academie, het ziekenhuis of het mortuarium.’ Daarmee zette de schrijver kanttekeningen bij het door hemzelf de wereld in geholpen cliché van de kunstenaar als arme, maar van alledaagse fatsoensnormen bevrijde geest die kon leven van water en de spreekwoordelijke romantisch doorbakken broodkorst. 'Slechts de namen der grote drinkers leven voort’, dichtte de Rotterdammer Riekus Waskowsky eens, maar in het Parijs van Henri Murger sneuvelden heel wat van die drinkers volslagen vergeten en verpauperd, eerste slachtoffers van het door de Romantiek gepropageerde vrije kunstenaarschap, los van de bemoeienissen van kerk, adel en koningshuis.

DE TENTOONSTELLING La Bohème - Die Inszenierung des Künstlers in Fotografien des 19. und 20. Jahrhunderts brengt die tijd, toen Parijs het epicentrum was van de nieuwste ontwikkelingen in de kunsten en Picasso, Alfred Jarry, Modigliani en Cocteau over haar boulevards flaneerden, weer tot leven. Opmerkelijk: de kunstenaars op de door fotograaf Nadar genomen portretten ogen opvallend verzorgd. In tegenstelling tot het later ontstane beeld van de bohémien - denk aan de Beats, de autarkische hippie of de door Ed van der Elsken geportretteerde sjofele jazzliefhebbers en situationisten in Saint-Germain-des-Prés - poseerden schrijvers en schilders als Charles Baudelaire, Gustave Courbet en Théophile Gautier als hooghartige dandy’s voor de camera.
In Museum Ludwig heeft curator dr. Bodo von Dewitz - iedere bohémien krijgt de professor die hij verdient, luidt een academische wet - ruim driehonderd foto’s verzameld die de bohème als artistiek en sociologisch fenomeen onder de loep nemen. Dat is een ambitieuze onderneming, waarbij tal van tekstborden worden ingezet om de betekenis van de getoonde daguerrotypen, zilverdrukken en ingekleurde afdrukken te verduidelijken. Wie de moeite neemt om de teksten te lezen en de overzichtelijk, maar wat stijfjes gehangen foto’s bekijkt, raakt thuis in een fascinerende tijd waarin het woord 'overheidssubsidie’ niet bestond.
De bohème, betoogt Von Dewitz, was niet een zorgeloze enclave van kunstenaars die zich los wilden zingen van de maatschappij, maar de door economische ontwikkelingen gedicteerde antithese van de bourgeoisie. Op de anonieme vrije markt moest een schilder, schrijver of beeldhouwer aandacht trekken door zijn talent én door zijn unieke, opvallende persoonlijkheid. Stilering van het kunstenaarsimago was een vereiste om bekendheid te verwerven, het epateren van de bourgeois door een aanstootgevende, losbandige levensstijl het middel.
Het romantische beeld van de provocerende kunstenaar werd in de loop van de negentiende eeuw dankzij de fotografie en de karikatuur tot cliché en bleek buitengewoon behulpzaam bij het in gang zetten van kunstenaarscarrières. Opnamen van orgieën, extravagante verkleedpartijen, dansende naakte vrouwen en zwarte mannen in het atelier, reizen naar exotische oorden met verleidelijke Oosterse modellen aan de voeten van de schilder gedrapeerd, experimenten met hasj, opium en absint: kunstenaars deden er alles aan om zich te onderscheiden van de brave burger, en ontwikkelden voor het oog van de camera een heel arsenaal aan poses. Van koele, mensenhatende dandy tot het getroebleerde genie en de van levensdrift overlopende homo universalis die niet moeizaam zoekt, maar spontaan vindt.
Op de foto’s van Nadar, Alphonse Mucha en August Sander is te zien hoe Ernst Ludwig Kirchner ('Man muss “skandalfähig” sein’), Otto Dix, Georg Grosz en Paul Gauguin - aan het harmonium van fotograaf Alphonse Mucha - op zoek waren naar de 'Selbstilisierung’ die hen van aandacht zou verzekeren. 'Kunstenaars gaven het publiek waar het om vroeg, verkleedden zich als volstrekte buitenstaanders en bezorgden de burger precies dat lichte gevoel van afschuw waar het op hoopte’, merkt Von Dewitz op. Wie als geen ander had begrepen hoe dit wederkerig systeem van aantrekken en afstoten in elkaar stak, was de charmante iconoclast Marcel Duchamp, die met zijn kubofuturistisch Nu descendant un escalier en zijn omgekeerd op een sokkel geplaatste pisbak zowel het kunstpubliek als zogenaamd onafhankelijke kunstjury’s op de kast wist te jagen.

HOE VER LIJKEN de tijden van de bohème en geruchtmakende kunstenaarsgroepen als Die Brücke en de Fauves verwijderd van het naoorlogse tijdsgewricht, waarin de staat zich met de beste bedoelingen over het sociale welzijn van de kunstenaar boog. De bohémien - de benaming verwees oorspronkelijk naar de uit Bohemen afkomstige zigeuners die naar Frankrijk waren getrokken - mocht dan een vrijgevochten ziel zijn die niet maalde om aardse zaken, na de crisis van de jaren dertig was voor hem zelfs de broodkorst onbereikbare lekkernij geworden. Een mensonterende situatie, oordeelden wijze mannen uit het kunstenveld, en namen snel maatregelen. Vanaf toen hoefden kunstenaars niet langer onderdak te zoeken in morsige dranklokalen luisterend naar feeërieke namen als Le Lapin Agile ('Het behendige konijn’), maar konden ze zorgeloos hun beroep uitoefenen in door de staat gesubsidieerde, zondoorstraalde ateliers. Dankzij de garantieafname in de BKR en een subsidiesysteem dat realistische en figuratieve tendensen afwees, ontstond, zo wil de overlevering, een 'staatsavant-garde’ die zich vervreemdde van het publiek - 'Henk en Ingrid’ zouden we nu zeggen. En dat publiek weigerde de portemonnee te trekken voor de 'knoeiers, kladders en verlakkers’ van de hedendaagse kunst.
Met diezelfde Henk en Ingrid in het achterhoofd - zestig procent van de Nederlanders vindt volgens onderzoek dat op kunst en cultuur fors bezuinigd mag worden - en op de hielen gezeten door de recente wereldwijde crisis, zetten de smalschedelige cultuurspecialisten van Rutte het mes in de subsidies. Gedaan is het met de in vergelijking tot andere Europese landen toch al minimale ondersteuning voor de kunsten (0,5 procent van de rijksbegroting), gedaan met de ooit door Willem Sandberg, Pierre Janssen en Joop den Uyl vol verve uitgedragen overtuiging dat kunst en cultuur onze horizon weldadig verbreden, gedaan met de idee dat een samenleving die van brood alléén leeft een - moeilijk elitewoord - gedepriveerde samenleving is.
Vanaf nu eist de overheid een vrijwel fictieve zelfredzaamheid, zowel van kunstenaars als kunstinstellingen. Samengevat: de Filistijnse bijl gaat erin, tweehonderd miljoen euro gaat van het budget af en op de kaartjes voor de podiumkunsten wordt negentien procent btw geheven, als de Kamer akkoord gaat. Gerenommeerde orkesten en theatergroepen zullen sneuvelen, musea zullen ondanks hun erfgoedstatus voor de programmering de broekriem flink moeten aanhalen, beeldend kunstenaars, een selecte groep daargelaten, zien een toch al weinig rooskleurig beroepsperspectief nog verder verschralen. 'Onherstelbare schade’, 'kaalslag’, 'aanslag op de cultuur’ en 'flagrante schanddaad’ zijn de protestbanieren waaronder de terecht geschokte kunstsector zich organiseert.
Te laat? Volgens een onderzoek van Beerenschot is de indirecte 'economische waarde’ (inkomsten door werkgelegenheid en toerisme) van de kunst- en cultuursector goed voor een bedrag van zeventig miljard euro jaarlijks. Met een klein beetje ondersteuning van de overheid brengt de sector dus een verbijsterend veelvoud op aan te belasten revenuen. Wie dan nog over kunst en cultuur als linkse hobby durft te spreken, snijdt vooral zichzelf in het weke economische vlees, zou je zeggen. En toch schuilt er in de meerderheid van de Nederlanders een pervers nietzscheaans geïnspireerde tabula rasa-kabouter die schreeuwt om een herbegin van de cultuur, een reiniging van de elitaire Augiasstal onder voortvarende leiding van PowNed, Onze Blonde Man uit Venlo, secondant Martin Bosma en de lafferige, grijze 'cultuurspecialisten’ van OCW, die het belang van de kunst graag offeren voor voortzetting van de carrière op de ministeriële apenrots.

LOGISCHE UITKOMST van een ontwikkeling waarbij de kleinburger de macht heeft gegrepen, zou de resurrectie van de bohème moeten zijn. Heeft iemand per slot van rekening Picasso, Mondriaan of Malevich ooit subsidieformulieren zien intikken? Wanneer de nacht over Nederland valt zullen in menig onverwarmd atelier en spaarzaam gemeubileerde kelderwoning de woorden van individualist pur sang Marcel Duchamp als een mantra weerklinken boven de glazige aardappels: 'De kunst is als een schipbreuk: het is ieder voor zich’, gevolgd door het ophangen van het tegeltje aan de voordeur met de tekst 'Grote kunstenaars zullen in de toekomst ondergronds gaan’. Woorden van een man die zijn oeuvre had ondergebracht bij de schatrijke collectioneur Walter Arensberg en leefde van de slimme verkoop van Brancusi-sculpturen.
Bij het wegvallen van de subsidie is het laatste woord aan de vijfduizend verzamelaars die Nederland naar (zeer optimistische) schatting telt. Die vijfduizend - en daar zitten zeker geen Peggy Guggenheims of Helene Kröller-Müllers tussen - moeten wel op de juiste manier worden geprikkeld om kunst te kopen. Een kwestie van poses aannemen, opschudding veroorzaken en epateren. Na een aantal snoeiharde Rutte-jaren zullen we dan zien hoe Henk en Ingrid de Picasso’s, Malevichen en Mondriaans van hun tijd nog steeds vervloeken als elitaire kladders en verlakkers, maar tegelijkertijd de duim opsteken voor de broek die deze 21ste-eeuwse bohémiens op eigen kracht ophouden, eindelijk bevrijd van door de overheid verstrekte linkse-hobbybretels. Dat het merendeel van de kunstenaars dan al in het door Murger beschreven armenhuis is beland, zal de kleingeestige rancunekabouter een zorg zijn. Eigen broek eerst.

La bohème, Museum Ludwig, Keulen, t/m 9 januari 2011. Voorstelling Aki Kaurismäki’s La vie de bohème in EYE Film Instituut Nederland, Amsterdam, 5 november, 21.45 uur