Verenigde Staten - Schoolkeuze in New York

Eigen kind eerst

Een jaar lang navigeerde Mars van Grunsven door het even ingewikkelde als competitieve schoolsysteem van New York om een goede school te vinden voor zijn vierjarige zoon Alex. Er kwam hulp, godzijdank.

Medium hh 55123744

Het zijn geen kinderachtige bedragen die Joyce Szuflita, bijgenaamd ‘de Brooklyn school lady’ voor haar consultaties vraagt: tweehonderd dollar per uur voor een bezoek aan huis, met een minimumduur van twee uur — want, zo weet Joyce, zoveel tijd kost het om ouders wegwijs te maken die hun kinderen voor het eerst in New York op school doen. Wie al vooronderzoek heeft gedaan en aan één uur genoeg denkt te hebben, is aangewezen op een telefonisch consult. Mijn vrouw Rachael en ik hoorden bij die laatste groep, maar overtuigden Joyce om voor 250 dollar toch voor een uur bij ons thuis te komen.

Voordat Joyce aanbelde, vroegen we ons nog eens af: hebben we ons gek laten maken dat we dit doen? Toen Alex net was geboren, in juli 2011, en wij ons druk maakten om de juiste crèche te vinden, hadden ouders met andere kinderen ons al voorgehouden: de echte stress begint pas als-ie naar school gaat. Een crèche vonden we inderdaad vrij eenvoudig, want dankzij furieus lobbyen kregen we een plekje in de uitstekende crèche op de hoek van onze straat. De lagere school, die in de Verenigde Staten begint met de kleuterklas (Kindergarten), was nog een ver-van-ons-bed-show. Bovendien konden we ons niet voorstellen dat de openbare scholen in Fort Greene – onze sinds enkele jaren welvarende buurt in Brooklyn – niet goed zouden zijn. En mocht er iets aan Alex’ toekomstige school schorten, dan zouden eventuele plooien toch glad te strijken zijn door als ouders de krachten te bundelen?

Maar langzaam begonnen de griezelverhalen tot ons door te dringen. Over slecht gefinancierde scholen in beroerd onderhouden gebouwen, scholieren uit sociaal achtergestelde gezinnen die liggen te slapen in de klas, vechtpartijen, gedemotiveerde leraren, extreme discipline en focus op testresultaten, stampen in plaats van leren, vijfjarigen die huiswerk mee krijgen, fastfood voor lunch, nauwelijks tijd voor buiten spelen. Niet dat de misstanden op alle scholen speelden, maar het was zaak om je goed te informeren, want je kind kon goed verkeerd terechtkomen.

Hóe verkeerd bleek uit de wederwaardigheden van vrienden van ons, die ik hier om privacyredenen de Johnsons zal noemen.

Net als Rachael en ik bezochten de Johnsons zelf ooit openbare scholen – in hun geval in Chicago en Philadelphia – en net als wij dachten ze dat als alle ouders gewoon hun kinderen naar de dichtstbijzijnde openbare school zouden sturen die vanzelf zou opknappen. De Johnsons waagden dit met hun vijfjarige zoon D., de leeftijd die onze Alex deze zomer ook heeft. Hij kwam op een school terecht waar ruim tachtig procent van de kinderen uit Spaans-sprekende gezinnen komt en de ouders hun kinderen niet naar het klaslokaal mogen brengen. Die laatste regel werd ingevoerd, zo ontdekten de verbouwereerde Johnsons, nadat een vader zijn broekriem had uitgetrokken om daarmee zijn ongehoorzame kind en plein public af te rossen.

De principes van onze goedbedoelende vrienden hielden niet lang stand: D. maakte zijn eerste schooljaar af op een privé-school, waarna zijn ouders zich zetten aan de helse taak om hem op een betere openbare school in Brooklyn te krijgen – wat overigens inmiddels gelukt is.

Dus nee, zo hielden we onszelf nogmaals voor, het was geen gek idee geweest om de Brooklyn school lady in te schakelen. De kordate dame, die met haar montuurloze bril onder haar rossige haar wel iets van Elizabeth Warren heeft, toonde zich vastbesloten om ons na exact zestig minuten achter te laten met een panklaar plan. Eerst voerde ze ons langs de beginselen van het New Yorkse openbare-schoolsysteem, ook al hadden we aangegeven dat in grote lijnen te snappen. De stad is verdeeld in districten, die weer verdeeld zijn in zones. In de school van je zone kun je hoe dan ook terecht, maar als je dat niet wilt, dan kun je je bij andere scholen opgeven – met de aantekening dat je buiten je eigen district nagenoeg geen kans maakt. Sommige scholen hebben ook zogeheten _Gifted Talented-_klasjes. Kinderen die de intelligentietest daarvoor doorstaan kunnen een school met een G binnen hun district uitkiezen.

Daarnaast zijn er charterscholen, die net als de openbare scholen gratis zijn. Charterscholen ontvangen publiek geld maar hoeven zich niet aan alle regels van het reguliere schoolsysteem te houden. In ruil voor die vrijheid verplichten deze scholen zich bepaalde resultaten te boeken, die zijn opgenomen in het charter. Voor charterscholen wordt geloot, waarbij het lot van kinderen uit het eigen district zwaarder meeweegt.

Wat we zagen stemde ons niet vrolijk: gesloten gordijnen, korte buitenspeeltijd, huiswerk voor kleine kinderen

De opkomst van charterscholen is het gevolg van een jarenlange lobby voor meer marktwerking in het falende onderwijs – alsof meer markt structurele problemen als armoede en inkomensongelijkheid kan wegpoetsen – en gaat hand in hand met almaar meer testen van leerlingen (al vanaf hun vijfde). Het idee achter dat laatste is dat de testresultaten tot meer accountability van scholen en leraren leidt. De push hiervoor begon landelijk met Bush’s wet No Child Left Behind (2002), maar wordt voortgezet door Obama’s ‘Common Core’-richtlijnen. Uiteindelijk geldt net als voor ‘gewone’ openbare scholen dat er goede en slechte charterscholen zijn: het hangt allemaal af van het charter, de cultuur binnen de school, de kwaliteit van de leraren en de motivatie van de scholieren.

Vervolgens stelde Joyce aan de hand van enkele gerichte vragen vast welk type school wij voor Alex zochten: een ‘progressieve’ school waar het kind centraal staat, waar leren niet betekent uit je hoofd leren maar door ervaringen wijzer worden, en waar veel aandacht is voor kunst, sport, spel, muziek en samenwerken. PS 38 was niet zo’n school, waarschuwde ze meteen. En ze had nog een waarschuwing: de scholen die haar wel geschikt leken zijn zeer gewild en hebben zich verplicht om veertig procent arme kinderen aan te nemen. Kortom: daar kom je nauwelijks tussen, ook omdat kinderen die al een broer of zus op school hebben voorrang krijgen.

Dit stond ons te doen: zo snel mogelijk de vijftien openbare scholen bezoeken waarvan ze verwachtte dat ze bij Alex pasten of die in ieder geval geschikter waren dan PS 38 en waar hij kans maakte op plaatsing. Maak op basis daarvan een lijst van twaalf scholen en geef die door aan het Department of Education (doe). Daarnaast raadde ze rondleidingen door enkele progressieve charterscholen en twee betaalbare privé-scholen aan. Er was veel, heel veel om op te letten, waarschuwde ze: de verzuimpercentages (hoog verzuim is een indicator van diepe problemen), codetermen als ‘academic rigor’ (veel huiswerk en testen) of progressief (tegenovergestelde), de indeling van de klaslokalen (zitten de kinderen in groepjes, of zijn de banken naar de leraar gericht?), doet het schoolhoofd de tour zelf (goed), is hij of zij al lang schoolhoofd (lang = in de regel niet goed) en is er een actieve pta (parent teacher association)?

Het uur was om. En het moet gezegd, Joyce had wat mij betrof bewezen waarom zoveel Brooklynites haar expertise inhuren – en niet alleen ouders, ook onderwijsprofessionals als studiebegeleiders en ambtenaren van het deo zelf. We hadden zojuist honderden uren aan research over het New Yorkse schoolsysteem en een krankzinnige tolerantie voor bureaucratische details over de vloer gehad.

Een half jaar lang ging bijna geen week zonder schooltour voorbij, die Rachael en ik zo veel mogelijk onderling verdeelden. Wat we zagen, stemde ons doorgaans niet vrolijk. Oververhitte ruimtes, overdag gesloten gordijnen om ‘de kinderen niet af te leiden’, korte buitenspeeltijd, kinderen die niet naar buiten mochten als het een beetje regende of vroor, leraren die de simpelste vragen over hun methodes niet konden beantwoorden, schooluniformen, huiswerk voor kleine kinderen, testen, testen, testen. De enige scholen die ons wél bevielen waren de scholen die Joyce als progressief had bestempeld. Wat daar pijnlijk opviel, was steeds het enorme aantal overwegend blanke ouders die naar de tours kwamen – voor vaak niet meer dan twintig, dertig beschikbare plekken.

Geleidelijk begonnen we ook steeds beter te begrijpen waarom zoveel scholen slecht functioneren, ook nu de buurten waarin ze staan onder invloed van gentrification zo rap welvarender worden. Dat heeft deels te maken met de samenstelling van de leerlingen. De buurt mag dan rijker worden, de duizenden kinderen die in sociale woningbouw wonen (‘the projects’) zijn niet vertrokken en moeten ergens naar school. Die school houdt zich van oudsher staande door de kinderen een structuur te bieden die ze thuis niet krijgen. Dat betekent strikte regels, discipline, hard werken. En dan nog halen veel kinderen slechte cijfers of haken helemaal af.

Die combinatie van een cultuur van tucht met beroerde resultaten schrikt de nieuwe, rijkere en veelal blanke buurtgenoten af. Voeg daarbij dat scholen structureel ondergefinancierd worden, wat ‘blanke’ scholen succesvol oplossen met fundraisers waarmee ze hun budget aanvullen maar waar ‘zwarte’ scholen veel minder goed in zijn, en je ziet hoe moeilijk het is om dit te veranderen – zeker als het schoolbestuur die oude, strenge cultuur blijft omarmen. Zo draaien veel scholen rond in een vicieuze cirkel waar ze maar moeilijk uit komen zolang maatschappelijke factoren een rol spelen die buiten hun invloed liggen – zoals economische ongelijkheid, raciale ongelijkheid en het aanhoudend bezuinigen op onderwijs.

Tussendoor was er nog de test voor het Gifted Talented-klasje. Op een zaterdagmorgen fietste ik met Alex naar het schoolgebouw waar de test zou plaatsvinden. Voor elk kind was een instructeur ingehuurd die één op één de test zou afnemen. Bij het oefenen was Alex foutloos geweest, maar hoe zou het hem zonder mijn aanwezigheid vergaan? Hij is vier. En, moet ik hier trots aan toevoegen, als Alex ergens geen zin in heeft, doet hij het niet.

De scène die zich ontspon in onze huiskamer had zo een promo kunnen zijn voor een loterij

Alex en zijn instructeur kwamen als laatsten uit de klas. Gevraagd naar hoe het ging, zei hij: ‘Ik was moe en heb met mijn hoofd op de tafel geslapen.’

Dus dat was dat.

De meeste schooltours zaten er inmiddels op. Alleen PS 38, niet onbelangrijk, resteerde nog. De tour werd de verwachte deceptie. De kleuterklassen bleken om half tien ’s ochtends in geblindeerde klaslokalen naar The Polar Express te kijken, een film van anderhalf uur, wat volgens de lerares een goed idee was omdat ze zo de film met het boek konden vergelijken. Ook de walm van frituurvet in de eetzaal en het trotse gehamer op de ‘academic rigor’ van het curriculum door het niet bijster sympathieke schoolhoofd bevestigden: PS 38 is niets voor Alex.

Thuis vulden we ons definitieve lijstje van twaalf scholen in, met de waarschijnlijk onhaalbare progressieve scholen bovenaan. Op de tienduizenden door New Yorkse ouders ingevulde voorkeurslijstjes zou de doe het door Nobelprijs-winnaars Lloyd Shaply en Alvin Roth ontwikkelde algoritme loslaten waarmee ook de grote Amerikaanse medische faculteiten bepalen welke studenten ze toelaten. Tevens voegden we Alex’ naam toe aan de loterijen voor twee progressieve charterscholen, die alleen buiten zijn district liggen. Want je weet maar nooit.

Na een nacht slecht slapen besloten we om Alex ook op te geven voor de Greene Hill School, een van de door Joyce aangeraden privé-scholen, die een inkomensschaal heeft. Het collegegeld bedraagt een kleine dertigduizend dollar per jaar, wat overigens ‘weinig’ is voor een New Yorkse privé-school, maar wellicht zouden wij voor een van de lagere schalen in aanmerking komen. Zo prangend ervoeren we de situatie: voor het noodalternatief voor het gratis PS 38 waren we bereid 14.500 (schaal 4) of zelfs 20.200 dollar (schaal 5) per jaar te betalen.

Hoe dan ook, we vulden de financiële papieren in en schreven het verplichte essay over wat we belangrijk vinden in de opleiding van ons kind. Drie weken daarna werd Alex uitgenodigd voor een ‘playdate’ met andere aspirant-scholieren, waarop hij een uur lang ‘We all live in a yellow submarine’ zong. De week daarop werden Rachael en ik gegrild in een interview van een uur, dat deels op ging aan Rachaels dappere pogingen om mijn niet door de directrice begrepen grappen te repareren met verstandige opmerkingen over opvoeden en onderwijs.

En toen hadden we gedaan wat we konden en was het wachten op nieuws. Dat kwam op 5 februari met het bericht, zonder opgaaf van redenen, dat Alex niet was aangenomen op de Greene Hill School. Hetzelfde lot trof hem op de charterscholen waarvoor we hem hadden opgegeven. Wat Joyce had voorspeld, kwam uit: Alex had geen enkele kans gehad in de gewogen lotingen. Zo was hij voor de Compass School, die ruimte had voor veertig nieuwe scholieren en een van onze favoriete charterscholen was, op plaats 715 op de wachtlijst beland.

Het zou allemaal lood om oud ijzer blijken. Op 15 maart ontvingen we een opgewonden mailtje van een van Alex’ klasouders: de doe had de plaatsingsbrieven voor de openbare scholen in de database gezet. Ze eindigde met de mededeling dat ze hoopte dat anderen meer geluk zouden hebben dan zijzelf. Rachael en ik, we werkten die dag beiden thuis, logden onmiddellijk in op de doe-website. De scène die zich vervolgens ontspon in onze huiskamer had zo een promo kunnen zijn voor deze of gene loterij. De opengesperde ogen. Het manisch glimlachen en elkaar in de armen knijpen. Opnieuw naar het scherm kijken. Ja, het stond er echt: Alex was op de Children’s School geplaatst, nummer 2 op onze lijst en een van de meest gewilde scholen van dit deel van Brooklyn.

Aan het einde van de dag pikte ik Alex van de crèche op en nam hem, gelukzalig onwetend van dit alles, mee naar het park waar we na school wel vaker bij mooi weer naartoe gaan. Enkele van zijn vriendjes waren er al, evenals hun ouders. Van een afstand zag ik aan de geagiteerde gezichten dat ‘de plaatsingen’ het onderwerp van gesprek waren. Iedereen in het groepje, waaronder enkele vrienden, was in PS 20 geplaatst. Zonder in details te treden: dat was geen goed nieuws. Bijna beschaamd nam ik de felicitaties voor Alex’ plaatsing in ontvangst, die op z’n Amerikaans – dus gepaard met hugs en uitbundige smiles – werden geoffreerd: ‘We are so happy for you! You must be thrilled!’

Dat was ik, maar ik voelde me op dat moment een oude dief, bezwaard door de pech van mijn gelijken. Want voor al deze ouders begint nu het bellen van in hun ogen betere scholen waar hun kroost op een ‘haalbare’ plaats op de wachtlijst is beland. De fanatiekelingen onder hen zullen zich als vrijwilliger voor schooluitjes aanmelden, de schaamtelozen vermelden achteloos dat ze eigenaar zijn van de boekwinkel in de buurt met die geweldige kinderafdeling (waar gebeurd). Ik weet in ieder geval wel beter dan te suggereren dat ze gewoon met z’n allen hun kinderen op PS 20 moeten zetten en dat alles goed komt. Dat risico neem je niet met je kind. En het is ook niet de modus operandi van New Yorkers. Die luidt, ook voor ons, zo moet ik bekennen: eigen kind eerst. Alleen pakte de wedloop voor ons wel goed uit. Dat was niet eens omdat wij harder hebben gerend dan de rest of omdat het New Yorkse schoolsysteem zo goed werkt. Het was gewoon mazzel.


Beeld: Ondanks strikte regels, discipline en hard werken halen veel kinderen in New York slechte cijfers (Peter van Agtmael / Magnum / HH)