Participeren in Amsterdam Nieuw-West

Eigen kracht gaat niet helemaal vanzelf

De Amsterdamse welzijnsinstelling Combiwel probeert mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt te ‘activeren’. Betaald werk is niet het primaire doel; het gaat om ‘duurzame participatie’. De dragende samenleving in volle glorie.

Medium rc20140710 co s kitchen 04

Pionieren, daar zijn immigranten vaak erg goed in. Die zelfredzaamheid hebben ze al jong meegekregen. In Nederland zijn gastarbeiders eigenlijk gebruikt, bijna als slaven. Ze gingen de fabrieken in. In één klap werden al hun zelfstandige capaciteiten niet meer aangesproken’, zegt Frits de Wolf (62), een welzijnswerker met jarenlange ervaring. Vroeger was hij ambtenaar in de Vogelwijk, een achterstandswijk in Amsterdam-Noord. Tegenwoordig geeft hij trainingen aan bijstandsgerechtigden. ‘De essentie is: hoe stimuleer je weer die eigen kracht? Hoe prikkel je?’

In een lokaal in Amsterdam Geuzenveld werken bijstandsgerechtigden uit Amsterdam Nieuw-West aan hun portfolio. De meesten vinden het lastig. ‘Wat zijn competenties?’ vraagt Murat. ‘Heb ik die?’ De Wolf zit naast hem. ‘U werkte vroeger op het land bij uw ouders. Dan hebt u dus geleerd van het voorbeeld van anderen. U bent sterk in zelfvoorziening.’ Er volgt een geanimeerd gesprek over het aantal schapen en geiten op de boerderij van Murats familie in Marokko. De Turkse Nilgün zegt dat ze ‘niets kan’, maar na een gesprek met Frits schrijft ze op haar formulier: ‘Ik bak brood. Mijn buren willen mijn brood.’

Marlijn van de Pol (41) is sociaal werker bij Combiwel, de Amsterdamse welzijnsinstelling die de cursus organiseert. Ze praat met een groepje vrouwelijke deelnemers. Iedereen houdt van koken. ‘Jullie hebben met elkaar een menukaart samengesteld tijdens de vorige bijeenkomst. Dat betekent dat jullie kunnen samenwerken. Die menukaart is het bewijs van de competentie samenwerken.’ Van de Pol heeft binnenkort een ruimte waar de dames met elkaar kunnen koken. ‘Oefenen met catering en horeca. Lijkt jullie dat leuk? Ik kan met jullie meegaan, dan maken we er een excursie van.’ De vrouwen lachen.

Esther (62) verloor in 2011 haar baan bij een farmaceutisch bedrijf. ‘Daarna is alles bergafwaarts gegaan’, vertelt ze tijdens de koffiepauze. ‘Ik wilde nooit een uitkering aanvragen, maar mijn zus zei dat ik het toch maar moest doen.’ Via Van de Pol heeft ze nu een plek gevonden als vrijwilliger bij brede school Fiep Westendorp. Ze helpt tien uur per week bij de receptie. ‘Ze kunnen niet meer zonder me’, zegt ze lachend. Esthers droom is remigratie naar Curaçao. ‘Ik wil daar gaan koken voor kinderen. Sommige kinderen gaan elke dag zonder eten naar school.’ Van de Pol buigt zich over haar portfolio. Esther vertelt dat ze vroeger bij het farmaceutische bedrijf als enige de sleutel had van de afdeling opiaten. ‘Ze vertrouwden je dus volkomen’, zegt Van de Pol. Samen vullen ze de competentie ‘betrouwbaarheid’ in. Met als ‘bewijs’ de sleutel.

‘Hoe zie jij het nu verder?’ Van de Pol stelt de vraag aan Naïma, een van oorsprong Marokkaanse vrouw die een participatietraject heeft gedaan dat nu is afgelopen. Ze heeft vier kinderen; in september gaat de jongste dochter naar de voorschool. ‘We kunnen iets gaan zoeken om te gaan doen. Of je kunt zelf gaan zoeken’, oppert de welzijnswerkster. Naïma: ‘Ik kan nu niet werken. Want er is geen werk, toch? Of wel?’

Het is stil onder de vrouwen. Niemand schrijft in de map. Van de Pol: ‘Jullie hebben toch bij buurtcentrum Tagerijn gewerkt? Bij Vrouw en Vaart? Schrijf dat maar op.’ Stilte.

‘Oké, ik ga het nu even dicteren, want jullie zitten te zwemmen. “In 2004 heb ik vier maanden bij buurtcentrum Tagerijn vrijwilligerswerk gedaan”…’

‘O’, roept de knappe Libanese Yara opeens uit, ‘dat heb ik al opgeschreven. Vrijdag had ik computercursus.’

‘Nou, dan kun je dit daar verder uittypen en mooi maken. Toch?’

‘Maar ik heb geen e-mailadres en ik heb last van mijn handen.’

‘Je kunt de tijd ervoor nemen. Hebben jullie trouwens thuis een computer?’ Yara heeft er wel een, maar gebruikt hem nog niet. Esther doet ‘wel eens iets, maar aan mailen ben ik nog niet begonnen’. Daarop roept Van de Pol enthousiast: ‘Dan kun jij dus ook naar de computercursus via ons! Ik breng de formulieren morgen wel even bij je langs op school.’

Van de Pol loopt de ruimte rond en probeert ‘haar’ activiteiten te slijten. Computerles, Nederlandse les, sporten. De mannen van de cursus probeert ze over te halen te sporten, want de meesten bewegen nooit. ‘Je kunt ook wandelen’, zegt ze tegen Abdul, die aangeeft last te hebben van zijn rug. ‘Murat komt ook.’ Abdul wil graag aan de slag als chauffeur, maar het lukt hem niet om een baan te vinden. Bashir heeft niet veel interesse in de sportbijeenkomst. Hij kijkt somber voor zich uit. De psychiater heeft aangegeven dat hij last heeft van zware depressies, maar dat hij toch wel acht uur per week ‘iets’ zou kunnen doen.

Bij voetbalclub Nieuw-West heeft Van de Pol een afspraak met Arie, een ‘combinatiefunctionaris’ van de gemeente die verbindingen moet leggen tussen verenigingen, de buurt, welzijnswerk en onderwijs. De club is op zoek naar vrijwilligers, dus wie weet? Na lang praten heeft ze Murat en zelfs de depressieve Bashir overgehaald om mee te gaan.

Ze is opgelucht als ze Murat naast Arie ontdekt en Bashir in de verte aan komt lopen. Van de Pol heeft het tweetal deze week wel een paar keer gebeld en om ze te herinneren aan de afspraak.

‘Salamaleikum!’ roept Arie uitbundig. Hij heeft veel jongeren ‘weer op de rit’ gekregen. Zijn _no nonsense-_benadering blijkt goed te werken en ook nu valt hij met de deur in huis: ‘We hebben hier ook een Marokkaanse vereniging zitten en tja, dat is opvoeden, opvoeden, opvoeden.’ Murats gezicht betrekt.

‘De kinderen, bedoel je toch?’ probeert Van de Pol.

‘Nou, nee, volwassenen zijn vaak nog moeilijker’, antwoordt Arie. ‘Je moet ze allemaal dingen leren. Op tijd is op tijd. Het is hier geen theehuis, maar een clubhuis. En wij willen dus de papa’s én de mama’s hier binnen hebben. Tja, dat is mijn Hollandse cultuur hoor.’

Murat en Bashir houden hun jas aan. Murat lacht beleefd; Bashir staart met glazige ogen in de verte en wrijft zijn handen over zijn gezicht. ‘Wat zou jij nou leuk vinden om te doen?’ vraagt Arie aan Bashir, maar die lijkt de vraag niet te begrijpen. ‘Ik bedoel daarmee: wanneer gaat voor jou nou echt het zonnetje schijnen?’

‘Ik voel me vaak niet goed’, zegt hij, ‘en ik heb last van de kou. Ik kan niet goed buiten zijn.’

‘Waarom ben je dan naar Nederland gekomen, man?’ roept Arie lachend. Hij bedoelt het joviaal. Even later: ‘Tja, ik voel me ook wel eens niet goed. Maar ik probeer altijd uit te gaan van wat ik wél kan.’

Murat vertelt dat hij niet goed tegen geluid kan. Ook heeft hij last van zijn rug. En van oorsuizen. Hij kan niet tegen het geluid van de televisie, de stofzuiger. Arie: ‘Tja, er lopen veel kinderen rond op een voetbalclub. En die maken wel geluid natuurlijk.’

‘Vroeger hoefden mensen er zelf niets voor te doen, ze konden zo aanschuiven. Dat is nu heel anders’

De kleedkamers moeten regelmatig worden geveegd. Murat doet voor hoe hij bij een lichte buiging van zijn rug al de hele dag moet bijkomen. ‘Dus vegen kan niet. Dat doe ik thuis ook nooit.’ Van de Pol verbreekt de spanning. ‘Oké, dit wordt het dus niet. We gaan op zoek naar iets anders.’

Murat klaart op en kletst er vrolijk op los. Bashir is inmiddels weggevlucht. ‘Ik heb een afspraak. Ik moet gaan.’

Medium rc20140710 co s kitchen 01

Van de Pol is verantwoordelijk voor de begeleiding van honderd bijstandsgerechtigden die door de Dienst Werk en Inkomen (dwi) zijn aangewezen om te worden ‘geactiveerd’. Betaald werk is niet het primaire doel; het gaat om ‘duurzame participatie’. De groep is afkomstig uit het zogenaamde ‘granieten bestand’ van dwi. In jargon heet dit ‘trede 2’: mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.

Welzijnsstichting Combiwel moet er binnen een jaar voor zorgen dat alle mensen ‘ergens’ mee bezig zijn, vertelt leidinggevende Ruud Fiere. Het doel is dat 35 procent van de deelnemers doorstroomt naar re-integratie- of leerwerktrajecten, 35 procent naar vrijwilligerswerk en de overgebleven dertig procent moet worden doorgeleid naar activiteiten of het trainings- en hulpverleningsaanbod binnen het stadsdeel.

Er is voor deze opdracht tweeënhalve ton en daarvan worden drie medewerkers en twee trainers betaald. Een koopje, in vergelijking met de bedragen waarmee vroeger de activering van deze groep gedaan werd. Bovendien wordt Combiwel gekort als de doelstellingen niet gehaald worden. Fiere: ‘Vroeger had je langdurige trajecten. Werkgevers kregen meerjarige subsidie om mensen langdurig in dienst te hebben. In die tijd was er vaak geen sprake van ontwikkeling op weg naar concreet werk.’

De ‘tegenprestatie’ die in de nieuwe Participatiewet staat vermeld, verplicht bijstandsgerechtigden om iets ‘terug te doen’ voor hun uitkering. Dit project neemt een voorschot op de wet die in 2015 van kracht wordt. Betaald werk blijft het uiteindelijke doel, maar participeren is de norm. De welzijnsmanager gelooft in de methode: ‘We maken gebruik van alle netwerken die er al zijn in de buurt. Het is echt buurtgericht. En wij geloven in de groepsaanpak. Mensen moeten weer mede-eigenaar worden.’ Het bijpassende jargon zit er ook goed in: de ‘welzijnswerker nieuwe stijl’ moet volgens Ruud ‘pamperen en peperen’. Vroeger werd er alleen maar gepamperd, maar daarmee ‘laat je mensen in de steek’. De moderne welzijnswerker is ‘een bondgenoot van de buurtbewoner’. ‘Je moet mensen serieus nemen en met innovatieve manieren een plan maken. Ik geloof in onze aanpak en ga hiermee zeker de boer op.’

Van de Pol praat over haar werk in nuchterder bewoordingen. Toch waardeert ze het enthousiasme van haar leidinggevende. Die oprechte toewijding ziet ze niet vaak. ‘Er is zoveel cynisme in de welzijnswereld. Maar daar kom je uiteindelijk niet veel verder mee.’

Ze ziet zeker ook een groot verschil met het oude welzijnswerk: ‘Vroeger werden er allerlei activiteiten georganiseerd voor mensen. Ze hoefden er zelf niets voor te doen, konden zo aanschuiven. Dat is nu heel anders. Alles is gericht op initiatieven van bewoners zelf. Wil je een naaiclubje? Prima, kom maar met een plan.’

De Marokkaanse Soraya bijvoorbeeld organiseert een naaiclub en een loopclub voor vrouwen die na de zomer van start moet gaan. Ze maakte een plan en vroeg een bijdrage voor haar ‘bewonersinitiatief’. Een buurvrouw moest de aanvraag mede-ondertekenen en onlangs tekende ze zelf ook weer een aanvraag voor de buurvrouw. Zo ontstaan allerlei contacten.

Soraya doet mee aan de training Opwaarts die allochtone vrouwen voorbereidt op arbeidsparticipatie. Judith Krauwel verzorgt de trainingen als vrijwilliger. De vrouwen oefenen met presenteren, doelen formuleren en vooral ook netwerken. Veel deelnemers hebben een zwaar verleden achter de rug: mishandeling, scheiding, problemen in de familie, alleenstaand moederschap. Toch is aan het eind van de training bijna iedereen ergens aan de slag in de buurt. Als vrijwilliger. Want betaald werk is voor de meesten op dit moment geen haalbare kaart. Zelfs Soraya, die fungeert als hét grote voorbeeld voor de andere vrouwen, met al haar activiteiten en bewonersinitiatieven, heeft geen betaald werk. Tijdens de bijeenkomsten moedigt ze de andere vrouwen wel voortdurend aan. ‘Op het Staalmanplein is binnenkort een banenmarkt. Ik raad jullie allemaal aan om daarheen te gaan.’ Van de Pol maakt een afspraak met Soraya om over haar toekomst te praten. ‘Want je doet zoveel voor anderen, maar je moet ook aan jezelf denken.’

Tijdens de laatste bijeenkomst houden alle vrouwen een presentatie aan de hand van een zelfgemaakte collage. Soraya heeft op haar collage een foto geplakt van een werkende moeder. ‘Ik wil mijn kinderen laten zien dat mama een baan heeft.’ Ze wijst vervolgens naar de foto van een strand: ‘En van dat geld gaan we dan op vakantie.’ Iedereen lacht.

Zaida, een Marokkaanse moeder van drie kinderen, heeft een collage gemaakt van luxe-artikelen: schoenen, merkkleding, parfum, lippenstift. Ze heeft voor de gelegenheid een extra mooie djellaba aan en ze heeft haar hoofddoek af gedaan. Na zeven bijeenkomsten voelt ze zich op haar gemak bij deze vrouwen. ‘Ik houd van mooie kleren.’

Een deelneemster wijst naar de merkkleding en zegt: ‘Met wat voor baan ga jij dat betalen? Word jij advocaat of zo?’ De hele groep moet lachen, maar Zaida laat zich niet van haar stuk brengen. ‘Nee, geen advocaat, want dan moet je eerst studeren. Ik kan in de aanbieding spullen kopen. Soms is er ook korting. Toch?’

Zaida wil graag in een verzorgingshuis werken om ouderen te verzorgen. Judith vraagt of ze al heeft nagedacht over een eerste stap om dit te bereiken. Dat heeft ze nog niet. Van de Pol legt uit dat veel verzorgingshuizen op dit moment juist hun deuren sluiten. ‘Maar als vrijwilliger aan de slag met ouderen is wel een mogelijkheid.’ Zaida kijkt naar Marlijn en dan naar haar collage. Vrijwilligerswerk brengt die dure schoenen natuurlijk niet dichterbij.

Van de Pol houdt de vrouwen voor: ‘Dat is ook iets waar jullie zelf over na moeten denken. Er is steeds minder zorg voor ouderen. Het is dus belangrijk dat je mensen om je heen verzamelt. Je eigen netwerk opbouwt.’

Soraya: ‘Ja, dat is heel belangrijk in je buurt. Dan ben je niet alleen.’

Zaida: ‘Ik heb zoveel geleerd van jullie vrouwen hier. Ik ga jullie nog missen!’

Alle vrouwen hebben op hun collage foto’s van vakanties geplakt. Iedereen wil een baan en dan meteen heel lang op vakantie. Van de Pol merkt op: ‘Mensen die een baan hebben mogen ook niet altijd op vakantie. Wisten jullie dat? Normaal gesproken heb je maar vijf weken vakantie per jaar en die mag je ook niet altijd zomaar achter elkaar opnemen.’ Tijdens de zomervakantie mogen de vrouwen wel vakantie opnemen van dwi, maar sommigen willen daarna nog graag weg. ‘Want ik wil niet weg tijdens de ramadan. Dan doe ik helemaal niets.’

De Turkse Kelebek werkte lange tijd bij de Lidl achter de kassa en legt uit aan de anderen: ‘Als je een baan hebt, moet je ook gewoon werken tijdens de ramadan. Of als je naar school gaat, dan kun je je ook niet ziek melden. Alles gaat gewoon door.’ Kelebek werd door haar ex-man voor de keuze gesteld: je gezin of je werk. Hij wilde niet dat ze werkte. Ze voelde zich genoodzaakt haar baan bij de Lidl op te zeggen. Inmiddels is ze gescheiden en sinds oktober zit ze in de bijstand. Op haar vele sollicitaties kreeg ze het afgelopen jaar ‘altijd slecht nieuws’. Inmiddels is ze namelijk ‘al’ dertig jaar. ‘Voor dat geld kunnen ze bij de supermarkt drie jonge meisjes betalen.’ Ze heeft veel op de training geleerd: ‘Ik heb nu een netwerk en ik weet dat ik stap voor stap moet gaan.’ Van de Pol is onlangs met haar mee geweest naar een sollicitatiegesprek bij de Aldi en nu is het wachten op de uitslag. Ze hebben allebei goede hoop. Van de Pol: ‘Ze is misschien wat duurder, maar ze weet wel precies hoe alles werkt. De Aldi blijkt hetzelfde kassasysteem te hebben als de Lidl.’

Choukria is een Marokkaanse moeder van 52. Haar ex-man wilde toentertijd niet dat ze Nederlands sprak en ze heeft zichzelf de taal stiekem aangeleerd. Toch is ze onzeker. ‘Niks lukt mij’, vertelt ze. Ze stottert een beetje en legt uit dat ze daar vroeger mee werd gepest. Ze heeft allerlei kruiden uit haar tuin geplukt en op een vel papier geplakt. Als ze eenmaal begint te praten over de kruiden houdt ze niet meer op. ‘Marjolein helpt bij een te hoge bloeddruk. Venkel is goed tegen buikpijn, lavendel om te slapen, citronella voor babykrampjes. Rozemarijn tegen rimpels. Als masker met honing op je gezicht.’ Ze heeft zelfs kruiden die helpen om je buik plat te maken. Iedereen veert op. ‘Hoe heet dat kruid?’ vraagt Ceren, die droomt van haar eigen beautysalon. Soraya spreekt af dat Choukria een cursus over kruiden komt geven aan de vrouwen die in haar naaigroep zitten. Iedereen wisselt telefoonnummers uit. Opeens hangt er energie in de lucht. Hoop.

‘Hoe depressief Bashir ook is, ik geef hem niet op. Niemand wil de hele dag alleen thuis zitten’

Na de eerste groepsbijeenkomsten maakt Van de Pol een indeling voor meer specifieke subgroepen. Zo gaan de vrouwen met veel interesse voor beautysalons apart bij elkaar zitten. ‘Ze moeten ook een realistisch beeld krijgen’, benadrukt Van de Pol. ‘Als je man werkt en jij hebt een baantje erbij, dan is schoonheidsspecialiste prima. Maar om als alleenstaande moeder een gezin uit de bijstand te trekken is het niet bepaald een geschikte weg.’ Bovendien betaalt dwi alleen nog maar voor opleidingen waarmee een duidelijk uitzicht op betaald werk ontstaat.

Voor al die mensen die houden van koken en daar graag iets mee willen doen, heeft Van de Pol een nieuwe cursus georganiseerd bij Co’s Keuken, een wijkrestaurant van Combiwel. Om negen uur ’s ochtends is ze druk aan het bellen om de afzeggingen aan te nemen en de mensen die onderweg zijn uitleg te geven over de route naar deze locatie. Co’s Keuken is gevestigd in een wijk met dure nieuwbouwflats. Van de Pol heeft de deelnemers uitgelegd dat dit misschien iets verder van huis is, maar dat het een goede buurt is om afhaalmaaltijden te verkopen. ‘Er wonen rijke mensen. Tweeverdieners die niet altijd tijd hebben om te koken. Dus daar kun je eerder maaltijden verkopen dan in je eigen buurt.’ De ene afmelding na de andere komt binnen. ‘Ik wil niets meer horen over diarree of andere buikproblemen’, zegt ze lachend.

Om kwart voor tien heeft zich een groepje van zeven mensen verzameld. Roos Marijn Kok, eveneens medewerker van Combiwel, heeft veel ervaring in de horeca en zal deze groepsbijeenkomsten mee helpen begeleiden. In Amsterdam-Noord zette zij een horecagelegenheid op die inmiddels twee mensen uit de bijstand heeft geholpen. Ook in Co’s Keuken verzorgen vrouwen maaltijden en trachten daarmee uit de bijstand te komen. Kok heeft een praktische insteek. ‘De maaltijden verkopen we hier voor 12,50. Daarvan mag je negen euro houden. Dus als je voor acht euro inkopen doet, ben je niet slim bezig.’

Naïma vertelt hoe ze met de moeders uit de buurt een receptenboek heeft gemaakt. Kok is helder: ‘Ik kan jullie helpen met een plan voor een eigen onderneming. Wat ik bij jullie wil halen is heel veel lekker eten. Als je een ondernemingsplan hebt en toestemming van dwi, dan mag je best wat verdienen. Als je het maar weer investeert in je eigen onderneming.’ Zonder onderneming zullen de verdiensten in mindering worden gebracht op de uitkering, stelt een van de deelnemers vast.

Afgesproken wordt om de volgende keer Marokkaanse hapjes te maken. De vrouwen praten geanimeerd terwijl de heer Doorzon, een Surinaamse man, telkens in slaap dommelt. Meteen na binnenkomst heeft hij aangegeven eigenlijk niets met koken te willen doen. ‘Ik ben naar de verkeerde bijeenkomst gekomen.’ Hij wil wel graag al die lekkere hapjes opeten. Tijdens de gesprekken van de vrouwen veert hij af en toe op uit zijn slaap. ‘Loempia’s zijn ook lekker. Of bapao?’ Dan sukkelt hij weer weg.

Kok geeft aan dat er behoefte is aan een bakker op deze locatie. ‘Die hebben we nu niet, terwijl de klanten hier ’s ochtends een broodje willen of een croissantje met een kopje koffie.’ Mijnheer Doorzon laat deze informatie even op zich inwerken terwijl hij nog eens gaapt. ‘Een bakker moet vroeg op. Dan moet je wel echt een wekker hebben’, zegt hij peinzend. De vrouwen liggen dubbel van het lachen.

‘Ik weet vaak niet zo goed wat ik met de mannen aan moet’, zal Van de Pol later zeggen. ‘Ze voelen zich zo gekrenkt en hebben ook maar weinig te doen. De vrouwen hebben in ieder geval vaak nog het koken, het huishouden en de kinderen. Onder de mannen zitten ook vluchtelingen met vreselijke trauma’s.’

Voor de mannen heeft ze bijeenkomsten geregeld bij het mannencentrum van Impuls, een andere welzijnsinstelling. Ze kunnen daar Nederlands leren, computerles krijgen, sporten. ‘Het is in eerste instantie vooral meedoen aan activiteiten en weinig zelf organiseren, maar goed. Het is een begin.’ Soms boekt Van de Pol ook bij deze groep succes. Zo is Abdul, die graag als taxichauffeur aan de slag wilde, inmiddels als vrijwilliger begonnen met het rondrijden van ouderen naar afspraken in het ziekenhuis. Hij kan het niet te lang doen vanwege zijn rugklachten, maar het bevalt hem wel. Misschien kan hij aan het einde van dit traject deelnemen aan een chauffeursopleiding van dwi. ‘Alleen dan wordt het echt duurzaam.’

Met de klantmanagers van dwi, die de bijstandsgerechtigden begeleiden, heeft Van de Pol geen direct contact. Er is überhaupt opvallend weinig overleg met dwi. In het begin van het project kreeg Combiwel slechts spaarzaam de gegevens van mogelijke deelnemers door. Ruud Fiere: ‘Het probleem is dat mensen in een uitkering in een bestand zitten waar instrumenteel met ze wordt omgesprongen. Het is vrijblijvend en een doelgericht plan ontbreekt. De klantmanagers hebben een caseload van wel tweehonderd tot driehonderd man.’

De honderd mensen in het project hebben allemaal hun eigen verhaal. En hun eigen klachten. Opvallend is hoeveel gezondheidsproblemen de revue passeren: migraine, hernia, diabetes, hoge bloeddruk. Iedereen heeft wel wat en meestal is er sprake van een combinatie van de meest uiteenlopende pijnen. Van de Pol wordt er soms wel eens moe van: ‘Dan krijg je weer zo’n rits klachten te horen. Tja, ik kan dat niet beoordelen natuurlijk. Ze zijn wel allemaal gekeurd door een arts en zouden dus in principe een paar uur per week iets moeten kunnen doen. Het belangrijkst is het voor henzelf, denk ik. Langdurig werklozen blijken ontzettend veel fysieke klachten te krijgen. Participeren is dus ook belangrijk voor hun gezondheid.’ Ze blijft zich onvermoeibaar inzetten: ‘Zelfs Bashir. Hoe depressief hij ook is, ik geef hem niet op. Al is het maar een paar uur per week. Iedereen wil graag wat doen. Niemand wil de hele dag alleen thuis zitten.’ Dus blijft ze bellen, afspraken maken en mensen met elkaar in contact brengen.

Een deelnemer zegt op een gegeven moment tegen haar: ‘Dankjewel, ik had echt een schop onder mijn kont nodig.’ Toch is ze een paar weken later met haar nog niet veel verder. Ze heeft zoveel gezondheidsklachten dat die vrijwel elk gesprek over een activiteit onmogelijk maken. ‘Soms is dat frustrerend’, geeft Van de Pol toe. ‘Als puntje bij paaltje komt, deinzen ze vaak terug.’ Maar ze kan het ook wel begrijpen: ‘Het is zwaar om zo lang werkloos te zijn en niet mee te doen aan de samenleving.’

Het is nog onduidelijk hoe het traject verder gaat als het jaar voorbij is. Fiere maakt zich hier zorgen over: ‘Continuïteit is natuurlijk ontzettend belangrijk. We moeten deze mensen in beeld houden.’ Ook Marlijn denkt dat het ‘snel inzakt als je er niet bovenop blijft zitten’.

Hoe zinvol is deze nieuwe begeleiding van bijstandsgerechtigden?

Will Tinnemans, auteur van het recent verschenen De kwetsbaren: Concurrentie en verdringing aan de onderkant van de arbeidsmarkt, vindt het nieuwe welzijnswerk ‘interessant’: ‘Het is een totale omslag. Ging het vroeger om ontplooiing, nu is welzijn een verlengstuk van de arbeidsmarktvoorziening aan het worden.’ Hij noemt het ‘hoopgevend’ dat deze groep niet in de steek wordt gelaten. ‘Sociale contacten, leefdiscipline, het is allemaal nuttig en goed dat het gebeurt.’

Toch zet hij ook vraagtekens, het échte probleem wordt namelijk niet aangepakt. ‘Dat het werk oplevert is een illusie, want dat werk is er gewoon niet. Al die maatschappelijk nuttige activiteiten: koffie rondbrengen in een bejaardenhuis, zieken vervoeren naar het ziekenhuis, bibliotheekmedewerker, plantsoenendienst, zelfs verkeersborden wassen. De hele arbeidsmarkt van gemeenschapstaken wordt op dit moment gevuld met vrijwilligers.’ Officieel heet het ‘additionele arbeid’, maar dat zijn ‘allemaal goocheltrucjes die het probleem niet oplossen’, meent Tinnemans.

Of een project zoals dat van Combiwel succesvol is, hangt af van wat je meet, vindt Tinnemans. Betaald werk zal er voor de meeste mensen niet in zitten, participatie vaak wel. Eigenlijk zou de overheid het heel anders moeten organiseren. Hij denkt hardop na: ‘Een fonds waaruit je een basisinkomen betaalt. En al die mensen een echte baan van zestien tot 24 uur per week. Met de mogelijkheid om bij te verdienen.’ Eén ding weet hij zeker: ‘Je moet weg van die reïntegratiefabriek, van al die mensen die een baan hebben waarin ze zich bezighouden met mensen die geen baan hebben. Weg van al die institutionele belangen.’

Ook het gedachtegoed achter de participatiesamenleving verzet zich tegen dat institutionele denken, maar in de praktijk wordt er op dit moment vooral veel bezuinigd. Terwijl het nieuwe welzijnswerk arbeidsintensief is. ‘Je kunt het niet doen van achter je bureau’, zegt Combiwel-manager Fiere. De buurtgerichte groepsaanpak lijkt in goede aarde te vallen, omdat hiermee het bereik wordt vergroot en mensen van elkaar kunnen leren. Maar ook maken welzijnswerkers zich zorgen. Soms hebben ze het gevoel dat er ‘nergens meer geld voor overblijft’, zoals een van de trainers het omschreef.

Zo zou Fiere het niet willen stellen: ‘Het gaat om prioriteiten. Die liggen vooral bij de top-zeshonderd van zware criminelen en bij crisisinterventie. Er gebeurt te weinig op het gebied van preventie: het investeren in wat wordt genoemd de “dragende samenleving”. Dat is niet alleen een beleidskeuze waarvan je moet afwachten of we er beter van worden. Het is daarnaast ook de duurste aanpak.’

Van de Pol: ‘Er gebeuren zeker positieve dingen, maar het is soms jammer dat alles wordt overschaduwd door drastische bezuinigingen. Ik geloof echt in eigen kracht, maar als je al het geld weghaalt, dan werkt dat cynisme in de hand. En dat cynisme is dodelijk. Eigen kracht gaat niet helemaal vanzelf. Mensen hebben wel wát hulp nodig.’

En daarvoor zijn uiteindelijk welzijnswerkers nodig. Jos van der Lans, cultuurpsycholoog en publicist, formuleerde het eerder zo: ‘Zonder de inzet van sociaal werkers zullen alle verhalen over burgerkracht, dragende samenleving en sociale veerkracht niet verder reiken dan het papier van de beleidsnotities. Zij vormen de garantie dat al die grote bezuinigingsdoelstellingen en de ambities binnen de wmo niet op drijfzand zijn gebouwd.’

Fiere, trots: ‘Tja, daar heb je dus mensen als Marlijn van de Pol voor nodig.’


De namen van de deelnemers zijn vanwege privacy-redenen gefingeerd

Beeld: (1) Esther bij Co’s Keuken. (2) Vrouwen uit de buurt bakken koekjes bij Co’s Keuken.