De Amerikaanse Droom in crisis

Eigen kroost eerst

Vijftien jaar na Bowling Alone laat Robert Putnam in zijn nieuwe boek Our Kids zien dat Amerika voor veel mensen alles behalve the land of opportunity is. Hoe staat het met de kansen van ‘our kids’ in Nederland?

Medium nn11439480

Een horizontaal uitgestoken wijsvinger en middelvinger, een ‘V’ op z’n kant. Als waren die vingers een schaar. Dat gebaar maakt Robert Putnam om de zoveel minuten tijdens ons gesprek over zijn nieuwste boek Our Kids: The American Dream in Crisis. Een grafiek met twee lijnen die steeds verder uit elkaar lopen, dat vat volgens Putnam de geschiedenis van de Verenigde Staten gedurende de afgelopen halve eeuw samen. Of het nu gaat om inkomens, schooluitval of echtscheidingen, de grafieken van Our Kids weerspiegelen een van de belangrijkste thema’s uit het publieke debat van de laatste twee jaar: groeiende ongelijkheid tussen hoger en lager opgeleiden. Een kloof tussen de haves en de have-nots die steeds groter wordt. Die haves hebben van alles meer: een stimulerende thuissituatie, deelname aan verenigingen, goed onderwijs. Die have nots hebben gebrek aan dat alles. En die twee groepen leven in toenemende mate van elkaar gescheiden.

We zijn op Nuffield College, Oxford, de tijdelijke basis van waaruit Robert Putnam Europa aandoet om dit deel van de wereld te vertellen over toenemende segregatie waarvan vooral kinderen de dupe zijn. Hij is gedurende een trimester aan de Britse universiteit verbonden als visiting scholar. Hij heeft net acht maanden non-stop rondreizen door de Verenigde Staten achter de rug. Sinds Our Kids verscheen wil iedereen van Putnam horen. Hij houdt Amerika een spiegel voor waarin te zien is hoe de sociale mobiliteit is gekelderd in de afgelopen decennia. En naarmate de race om het Amerikaanse presidentschap verder op stoom komt, wil het hele politieke spectrum hem op de thee hebben om te horen hoe dat komt. ‘Ik kan de volgende zin niet uitspreken zonder onbescheiden te klinken, en ik verontschuldig me daarvoor, maar ik heb met nagenoeg alle presidentskandidaten gesproken over Our Kids’, zegt Putnam.

Het is niet de eerste keer dat Putnam de rol van politieke fluisteraar speelt. Hij was de Thomas Piketty van de jaren negentig. Zijn bestseller Bowling Alone was het boek waarover iedereen het toen had. Met Bowling Alone maakte Putnam de wereld vertrouwd met het begrip ‘sociaal kapitaal’, waarvan de voorraad sinds de jaren zestig flink geslonken is, concludeerde hij. Een wereld van sociale betrokkenheid, vrijwilligerswerk en bloeiend verenigingsleven had volgens hem plaatsgemaakt voor een geatomiseerde samenleving van eenzaam tv-kijken en onderling wantrouwen. Putnam (die in zijn jeugd een fervent bowler was) koos een perfecte metafoor: de eenzame figuur op de kegelbaan. Amerika’s volkssport nummer één, traditioneel beoefend door duizenden bowling leagues, gereduceerd tot een individuele bezigheid, als ware het vissen. Zijn these was omstreden, en hij kwam er later deels op terug, maar het maakte Putnam wereldberoemd.

In zijn nieuwste boek grijpt Putnam terug op wat de stichtingsmythe van het moderne Amerika is geworden: the American Dream, als term gemunt door de publiekshistoricus James Truslow Adams in zijn boek The Epic of America en door Putnam omschreven als ‘de belofte dat iedereen, ongeacht zijn of haar achtergrond, een eerlijke start krijgt in het leven’. Dat ideaal, zo laat Putnam zien, ligt in duigen, vernietigd door een halve eeuw van toenemende segregatie, inkomensongelijkheid en een hogere klasse die de eigen levenssfeer afbakent. Letterlijk, met een hek om de grote tuin, en figuurlijk door voor hun kinderen een pad uit te zetten waardoor ze de minder bevoordeelden nauwelijks meer tegenkomen. Sportclubs, buurten en scholen zijn homogene klasse-enclaves geworden. Op die manier is het uit het oog, uit het hart. ‘Dat is mijn verhaal’, zegt Putnam, met een vol stemgeluid dat op hoog volume de kleine kamer vult. ‘Het verdwijnen van een bezorgdheid om andermans kinderen.’

Natuurlijk is de Amerikaanse droom precies dat: een ideale voorstelling. Maar Our Kids laat zien dat er een realiteit bestond die erg dicht bij die droom kwam: Port Clinton, Ohio, halverwege de vorige eeuw, een stad waar klasse wel bestaat, maar nauwelijks wordt ervaren. Wie arm is, voelt zich niet zo. Wie rijk is (relatief dan, de onderlinge inkomensverschillen zijn beperkt) doet daar een beetje besmuikt over. Kinderen worden geboren in stabiele huishoudens, met twee ouders. Vader meestal aan het werk, moeder meestal thuis. In dat stadje in de midwest groeide Robert Putnam op. Hij kreeg zijn high school-_diploma op 1 juni 1959, samen met 150 klasgenoten. 1150 van de 6500 inwoners van Port Clinton juichten ze toe. ‘Familie of niet, de mensen van Port Clinton beschouwden de _graduates als “onze kinderen”’, schrijft Putnam.

Het is een slimme manier om sociale verandering in beeld te brengen. Leg kinderen vast als ze jong en hoopvol zijn, spoel dan door naar een paar decennia later en kijk wat er van ze geworden is. De bbc scoorde er een hitserie mee, Seven Up. Het is de reden waarom volwassenen overal ter wereld schoolreünies bezoeken, of juist mijden. Voor Our Kids zocht Putnam zijn oud-klasgenoten een halve eeuw later op. Bijna allemaal waren ze hoger op de sociaal-economische ladder geëindigd dan hun ouders. Don, die een vader had die met twee fabrieksbanen het gezin onderhield, ging naar de universiteit en werd priester. Of neem Jesse en Cheryl, die als zwarte kinderen tegen institutioneel racisme opliepen, de weg naar hoger onderwijs alsnog vonden, huizen kochten en een comfortabel middenklassebestaan verwierven.

Het ideaal ligt in duigen, vernietigd door een halve eeuw

Fast forward een halve eeuw. Putnam omschrijft het hedendaagse Port Clinton als een ‘split-screen American nightmare’. Deïndustrialisering heeft een einde gemaakt aan werkzekerheid voor lagere klassen. In grote delen van de stad groeit bijna de helft van de kinderen op in armoede. Veertig procent van de kinderen wordt geboren buiten het huwelijk. Drugsgebruik en criminaliteit zijn enorm toegenomen. Grote uitzondering is Catawba Island, de lommerrijke wijk aan de rand van het meer waar Port Clinton aan ligt. Daar woont de rijke bovenlaag, met kinderen die, zoals Putnam het optekent uit de monden van schoolbestuurders, ‘hun bmw convertible parkeren op het schoolplein naast krakkemikkige busjes die onderdak bieden aan thuisloze kinderen’.

De vertegenwoordigers van de huidige generatie kinderen die aan het woord komen in Putnams boek ervaren Amerika als alles behalve het land van de onbegrensde mogelijkheden. Putnam en zijn team interviewden Mark, een achttienjarige jongen wiens vader in de gevangenis zit, die tijdelijke baantjes aaneenrijgt en die graag hoger onderwijs wil volgen maar geen idee heeft hoe die wens te vervullen. Ze spraken met Kayla, die opgroeit in een gezin dat constant wisselt van samenstelling wanneer nieuwe stiefvaders met kinderen hun intrede doen. Ze spraken ook met Andrew, zoon uit een middenklassegezin van kleine ondernemers, die door zijn ouders naar voetbal werd gereden en een stage kon regelen via een vriend van zijn vader. Andrew zit op de universiteit en onderhoudt een diepe vriendschapsband met zijn ouders. Al deze vignetten, zo licht Putnam toe, dienen ter ondersteuning van de simpele waarheid die hij wil verkondigen: ‘Als je de kinderen in Port Clinton in 1950 vergelijkt met die kinderen in Port Clinton nu, dan is de opportunity gap dramatisch toegenomen.’

Putnams onderzoek naar de staat van jong Amerika begon tien jaar geleden, in een seminar voor studenten politicologie op Harvard. ‘De groep voerde een discussie over altruïsme’, vertelt Putnam. ‘De algemene aanname was dat jongeren in toenemende mate aan vrijwilligerswerk doen. Een studente, zelf van een relatief arme achtergrond, meende dat het vooral gold voor welvarende kinderen, die vrijwilligerswerk zagen als een manier om aan hun cv te werken, en zo in de smaak te vallen bij de toelatingscommissies van de universiteit. Ik adviseerde dit verder te onderzoeken. De uitkomsten waren verrassend. Ik verwachtte dat verschillen in vrijwilligerswerk vooral zouden samenvallen met ras, maar dat bleek niet zo te zijn. Er was inderdaad wel een groot klasseverschil.’

Putnams studente wilde niet verder in de wetenschap. Ze ging naar een business school en werd een succesvolle ondernemer. Putnam, geholpen door tientallen onderzoeksassistenten, ging door met haar onderzoek. De data, aangevuld met uitgebreid veldonderzoek in verschillende Amerikaanse steden, leverden steeds hetzelfde beeld op: een groeiende kloof of het nu ging om inkomen, sociaal kapitaal of werkloosheid. Hoger opgeleiden stonden aan de ene kant van de kloof, lager opgeleiden aan de andere kant. Dit klassenverschil was de bepalende factor voor zo ongeveer alles in het leven. Hoger opgeleiden krijgen later kinderen, zijn minder vaak alleenstaand en – een favoriete indicator van Putnam – eten vaker samen een avondmaaltijd met het hele gezin.

Destijds, toen hij Bowling Alone had geschreven, was Putnam ook een veelgevraagd adviseur in Europa. De Britse pers bestempelde hem in 2001 als ‘Tony Blair’s favourite new guru’, De vorige Franse president Nicolas Sarkozy ging bij hem te rade. De Bondsdag stelde een commissie in die moest onderzoeken in hoeverre Duitsland te lijden had onder afnemend sociaal kapitaal. Ook de Lage Landen raakten in de ban van de Putnam-these. Zijn werk werd ook hier onderdeel van het sociaal-wetenschappelijk debat. Jet Bussemaker, toenmalig staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en druk bezig met het aanmoedigen van actief burgerschap, vroeg Putnam op gesprek. Allemaal werden ze getriggerd door Putnams voorspelling van destijds dat Europa de Verenigde Staten volgde met tien jaar vertraging.

Medium hh 41139673
van toenemende segregatie en inkomensongelijkheid

Wordt na de uitputting van sociaal kapitaal de verschraling van de kansen van ‘onze kinderen’ ook in Nederland onderwerp van gesprek? Het lijkt er wel op. Vorige week vergaderde de Tweede Kamer over de onderwijsbegroting. Een groeiende tweedeling in het onderwijs was een van de onderwerpen die het debat domineerden. Het politieke spectrum in de breedte, met uitzondering van de vvd en de pvv, sprak de bezorgdheid uit dat de onderwijskansen van kinderen uit hoogopgeleide en uit laagopgeleide gezinnen steeds meer uiteen beginnen te lopen. Onder meer de vroege voorsortering in het Nederlands onderwijs, waarbij leerlingen na de basisschool richting vmbo, havo of vwo stromen, het nieuwe leenstelsel dat een extra barrière opwerpt voor het volgen van hoger onderwijs en de toename van ‘schaduwonderwijs’ in de vorm van huiswerkbegeleiding en private scholen werden genoemd als bedreigingen voor de kansengelijkheid in Nederland. Eerder die week interviewde dagblad Trouw minister van Onderwijs Jet Bussemaker. Zij constateerde dat ‘de emancipatiefunctie’ van het onderwijs in gevaar is nu rijke ouders hun kinderen in toenemende mate laten bijspijkeren buiten het reguliere onderwijs om.

Uiteraard klinkt er ook nu weer kritiek op Putnam. Los van het noodzakelijke academisch geredetwist over cijfers, variabelen en indicatoren roept hij bij veel critici een zekere irritatie op. Illustratief is de bespreking van journalist Nicholas Lemann in The New York Review of Books. ‘Er zijn weinig prominente academici die het milieu uit, zeg, Happy Days – dat zich afspeelt in het middenwesten in de jaren vijftig om het Amerika van de jaren 1970 gerust te stellen – zo diep bevredigend vinden als Putnam’, schrijft Lemann. ‘Hij voelt zich aangetrokken tot specifieke aspecten van het gemeenschapsleven, zoals de centrale rol van het football team, de onschuld als het gaat om seks en drugs, en alomtegenwoordigheid van moeders die meer bezig zijn om voor kinderen te zorgen dan aan hun carrière werken.’ Het lijkt aardig bedoeld, maar de ondertoon is vilein: Putnam, die de lelieblanke, conservatieve, heteroseksuele cultuur van de jaren vijftig verheerlijkt.

Natuurlijk heeft Putnams contrapunt voor het huidige Amerika onmiskenbare schaduwzijden, met de rassenwetten als pijnlijkste voorbeeld. Maar de auteur van Our Kids is daar niet blind voor. Opvallend is ook het aantal keren dat vrouwelijke geïnterviewden in zijn boek vertellen dat ze stopten met werk of studie zodra er getrouwd werd. Putnam wegzetten als een oude conservatief die terugverlangt naar de tijd van Mad Men seizoen 1 is dan ook voorbijgaan aan zijn voornaamste punt: de privé-omstandigheden waarin kinderen een halve eeuw geleden opgroeiden, verschilden niet dramatisch naar gelang klasse. Ook als je aan de onderkant van de sociaal-economische ladder geboren werd, lagen er mogelijkheden voor je open. Geholpen door staat, buren en gemeenschap kon iemand zijn milieu ontstijgen.

Anno 2015 is dat een stuk moeilijker geworden. Niemand kan met zekerheid voorspellen hoe de tieners die in Our Kids aan het woord komen zullen eindigen, maar het is duidelijk dat ze over minder hulpbronnen beschikken dan de arme kinderen uit Putnams jeugd. Het is misschien wel Putnams belangrijkste boodschap, en meteen de reden waarom het zinloos is zijn werk proberen te vatten in een culturele tegenstelling tussen progressief en conservatief: wat er gewonnen is aan gelijkheid tussen de seksen en tussen rassen is er verloren gegaan aan gelijkheid tussen klassen. Hoogopgeleiden keren naar binnen, ongeacht geslacht of achtergrond.

Putnam heeft dan ook een andere missie met zijn boek dan zijn progressieve criticasters hem verwijten. Het gaat hem niet om een terugkeer naar de jaren vijftig, maar om een herstel van de mentaliteit van de progressive era, het tijdvak daarvoor dat de egalitaire samenleving van de naoorlogse jaren mogelijk maakte. ‘Dat was een tijd waarin mensen publieke keuzes maakten die de ongelijkheden tussen klassen kleiner maakten. De high school deed zijn intrede, vier jaar vervolgonderwijs voor iedereen. Politiek was dat geen easy sell. De rijken moesten ervan overtuigd worden dat het in ieders belang is om de ongelijkheid beperkt te houden. Dat is precies de uitdaging waar we nu voor staan.’ En dus pleit Putnam in Our Kids voor ingrepen die de opportunity gap kleiner maken, zoals vroegschools onderwijs, gemengde wijken en buitenschoolse activiteiten voor kansarme kinderen.

Putnam voelt de tijdgeest in zijn land andermaal feilloos aan. In 2013 ging de Amerikaanse National Book Award naar The Unwinding of America van de _New Yorker-_journalist George Packer. Het boek vertelt aan de hand van individuele levens hoe het verdwijnen van de zware industrie als economische motor grote delen van Amerika ontwrichtte. Plaats van handeling is Youngstown, Ohio, op twee uur rijden van Port Clinton. En natuurlijk was er Thomas Piketty die met evenveel tamtam eenzelfde punt maakte als Putnam nu: we leven in een tijd van toenemende ongelijkheid. Piketty trakteerde zijn lezers op grafieken die lieten zien welke wereld er is verdwenen in de afgelopen decennia. Toen Putnam in 1959 zijn diploma kreeg in Port Clinton hadden de Verenigde Staten een hoogste belastingschijf van negentig procent. De progressive era als begin van een tijd van kleine sociaal-economische tegenstellingen werd deels mogelijk gemaakt door een economische politiek die tegenwoordig zelfs de meest linkse partijen in Europa als absurd voorkomt.

Wie met Putnams bril naar Nederland kijkt, ziet een zorgelijk beeld. Eén op de negen kinderen groeit op in armoede

Maar er is een belangrijk verschil tussen Pikketty en Putnam: de Franse econoom richt zich op een gezichtsloze één procent die zich een toenemend deel van de welvaart weet toe te eigenen. Putnams boek is er een, zoals hij schrijft, ‘zonder upper class villains’. En met lower class victims, zou je daaraan kunnen toevoegen. Want de dupe van een ongelijke samenleving zijn allereerst kinderen die buiten de veilige zone van het stabiele, betrokken gezin worden geboren. ‘Maar uiteindelijk is iedereen slechter af als gevolg van ongelijkheid. Economen becijferen de kosten van de groeiende kloof op honderden miljarden op de lange termijn’, zegt Putnam. ‘Toen we begonnen met dit project was ons doel de opportunity gap tot het belangrijkste binnenlandse onderwerp van de presidentsverkiezingen van 2016 te maken.’ Putnam windt er geen doekjes om: ‘I want to change America.’

Moet Nederland zich zorgen maken om haar kinderen? In ieder geval wordt het aanzwellende publieke debat over kansenongelijkheid geschraagd door een groeiende stapel onderzoeken naar de afgesloten leefwerelden van hoog- en laagopgeleiden. Vorig jaar oktober brachten het Sociaal en Cultureel Planbureau en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid samen het rapport Gescheiden werelden? uit. Daaruit kwam een beeld naar voren van een Nederland dat anno 2015 het midden houdt tussen Port Clinton 1950 en Port Clinton 2015. Het scp constateerde ‘vrij grote sociale afstand’ tussen lager en hoger opgeleiden. Gezinsvorming, sociale contacten, alles speelde zich voornamelijk af in kringen van gelijk opleidingsniveau. ‘Tussen lager en hoger opgeleiden bestaat enige segregatie in de woonomgeving, op school en op het werk, maar vergeleken met andere landen is die segregatie (nog) niet sterk’, concludeerden de onderzoekers.

Eerder deze maand bracht een groep onderzoekers van de Radboud Universiteit een onderzoek uit dat het beeld van gescheiden werelden bevestigt. In Opleiding als sociale scheidslijn schrijven Marloes de Lange, Maarten Wolbers en Jochem Tolsma dat ‘in Nederland opleiding een belangrijke scheidslijn is op tal van maatschappelijke domeinen. Er is een aanzienlijke kloof tussen hoger en lager opgeleiden op het vlak van de arbeidsmarkt, attitudes, politieke participatie en gezondheid.’ Het drietal constateert ook een toegenomen ‘homogamie’ oftewel trouwen binnen de eigen klasse. Hoogopgeleiden doen meer aan vrijwilligerswerk, en zijn beter in staat te voorkomen dat hun kinderen lager op de sociaal-economische ladder eindigen dan zijzelf.

Dat die twee gescheiden werelden bestaan, wil echter nog niet zeggen dat ze verder uiteen zijn gedreven, is de conclusie in Opleiding als sociale scheidslijn. Terugblikkend komen de onderzoekers tot het oordeel dat, in tegenstelling tot wat Putnam laat zien voor de Verenigde Staten, de kloof tussen hoog- en laagopgeleid in de afgelopen dertig jaar in elk geval niet groter is geworden. Eenzelfde geluid klinkt in Een kloof van alle tijden, een bundel samengesteld door Herman van der Werfhorst, hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Ja, hoog- en laagopgeleid leven goeddeels in gescheiden werelden, maar van een sterk gegroeide kloof is niet per se sprake. Het is vooral de samenstelling van de groepen aan weerszijden van de kloof die is veranderd. In 1960 telde men 85.000 hoger opgeleiden, in 2011 waren dat er meer dan drie miljoen, oftewel 27 procent van de beroepsbevolking. Die cijfers komen uit een essay van Mark Bovens met de titel Opleiding als nieuwe sociale scheidslijn. Wat nieuw is, constateert Bovens, ‘is de opkomst van hoger opgeleiden als een tamelijk homogene sociale groep’. Die hoogopgeleiden domineren de politiek (Bovens muntte eerder de term ‘diplomademocratie’) en kunnen zich goed organiseren om hun belangen te bestendigen.

De vraag is wat de gevolgen van die gescheiden werelden zijn voor toekomstige generaties. Our Kids van Robert Putnam bevat een belangrijke waarschuwing op dit punt: veel data die worden gebruikt lopen meestal een paar decennia achter op de werkelijkheid. Generaties worden met elkaar vergeleken op het moment dat er iets te vergelijken valt: een behaald inkomensniveau of een behaalde opleiding. Over waar iemand eindigt op de sociaal-economische ladder is pas wat zinnigs te zeggen wanneer hij of zij halverwege de dertig is, op z’n vroegst. Wie kijkt naar sociale mobiliteit is als ‘een astronoom die naar de sterren kijkt’: je ziet wat jaren geleden gebeurde, niet wat er nu gebeurt. Het is een belangrijke reden waarom de ongelijkheid in Port Clinton kon groeien zonder dat het al te veel opviel: het kwam niet direct naar voren in de cijfers. Vandaar Putnams focus op ‘onze kinderen’, en de kansen die zij hebben. Die kinderen zijn een windvaan voor de samenleving in de toekomst.

Wie met die bril naar Nederland kijkt, ziet een zorgelijk beeld. Eén op de negen kinderen in Nederland groeit op in armoede, zo rapporteert de Kinderombudsman, en dat is meer dan tien jaar geleden. Anno 2015 leven vierhonderdduizend kinderen in armoede, waarvan driekwart jonger is dan twaalf. Uit onderzoek van de Universiteit van Michigan naar de mate waarin klassenverschil bepalend was voor de rekenvaardigheid van kinderen kwam Nederland als koploper uit de bus. Dit onderzoek staat model voor het onderwijs als geheel. ‘Zelfs als kinderen uit hogere en lagere sociale milieus over dezelfde cognitieve vaardigheden beschikken, dan behalen kinderen uit hogere sociale milieus een hoger opleidingsniveau dan kinderen uit lagere sociale milieus, omdat de ouders van de eerstgenoemde groep van kinderen het nut van onderwijs vaker inzien’, concluderen de onderzoekers in Opleiding als sociale scheidslijn.

Het is tekenend voor de situatie die uiteindelijk heeft geleid tot Putnams conclusie dat er ‘twee Amerika’s’ zijn – dat van hoogopgeleide gezinnen die alle zeilen kunnen bijzetten om kun kroost vooruit te helpen: hun sterke netwerken, hun financiële middelen waarmee bijspijkercursussen en huiswerkbegeleiding kunnen worden gekocht, versus het Amerika van kinderen die geboren worden in laagopgeleide gezinnen waar die hulpbronnen niet ter beschikking staan. Wat Our Kids óók laat zien, is hoe belangrijk het voor de toekomst van kinderen is dat ze niet worden opgesloten in een kansarm milieu. Die kinderen uit het Port Clinton van de jaren vijftig die de sociaal-economische ladder beklommen deden dat vaak met hulp, steun en advies niet zozeer van hun eigen ouders, maar van andere ouders. De sportcoach die hielp met invullen van formulieren voor een studiebeurs, het kind dat aan tafel mocht aanschuiven bij een gezin dat wél elke dag samen at en waar onderwerpen werden besproken waar het thuis niet over ging. Dat is de verloren wereld die Putnam oproept in Our Kids, een tijd waarin de verantwoordelijkheid voor kinderen een gedeelde was, van alle ouders, voor alle kinderen. En juist op dat punt verandert Nederland in een land dat de Verenigde Staten achterna gaat: een land waarin de hoogopgeleide klasse zich op zichzelf terugtrekt en haar nageslacht in toenemende mate opvoedt afgezonderd van de kinderen die er níet vanzelf wel komen.

Op maandag 16 november is Robert Putnam te gast bij het John Adams Institute. Hij gaat daar in gesprek met Lodewijk Asscher, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Casper Thomas leidt de discussie. Tijd: 20.00-21.30 uur. Locatie: Aula, UvA, Singel 411, Amsterdam. Kaarten via john-adams.nl


Beeld: (1) Zuid-Chicago. Sportclubs, buurten en scholen in de VS zijn homogene klasse-enclaves geworden. Foto Carolyn Drake / Magnum / HH; (2) Schalkwijk, Haarlem. Ook in Nederland bestaan twee gescheiden werelden. Bram Petraeus / HH.