Eigen meester, niemands knecht

De vraag naar de actualiteit van het anarchisme is een eeuwig terugkerende. Bij gebrek aan enig reeel bestaand anarchisme blijft het bij balanceren op het slappe koord tussen verleden en utopie. Een beschouwing over het onpraktische idealisme van een fiere wereldbeschouwing.

Wie zou geen anarchist willen wezen? Ik wel! Het is een fiere wereldbeschouwing, die uitgaat van het individu als autonoom wezen in plaats van als afhankelijke en bange burger. Ni dieu, ni maitre! Eigen meester, niemands knecht! Diderot zei van zichzelf dat hij ‘noch bevelen wenste te geven, noch te krijgen’. Anarchisme is volgens hem in overeenstemming met de gulden regel van de moraal: 'Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook aan anderen niet.’ Of zoals Bakoenin zegt: 'Ik ben alleen dan vrij wanneer allen om mij heen ook vrij zijn.’ Het zijn simpele morele waarheden waar weinig tegen in te brengen valt.
'De vrijheid is ondeelbaar: men kan er geen deel van wegnemen zonder het geheel te doden’, schrijft Michael Bakoenin. 'Dat kleine deel dat u ervan wegneemt, is juist het wezen van mijn vrijheid, het is het geheel.’ Adam en Eva verzetten zich tegen de enige vrijheidsbeperking die ze van Hogerhand opgelegd kregen: niet van die appelboom eten! 'Als onze eerste voorouders hadden gehoorzaamd, zou het hele menselijke ras in de meest vernederende slavernij gedompeld zijn. Hun ongehoorzaamheid heeft ons daarentegen bevrijd en gered. Het was mythisch gesproken de eerste daad van menselijke vrijheid.’ Dat is interessant, want het is gangbaar deze gebeurtenis juist op te vatten als de zondeval, het begin van alle menselijke ellende. Voor eeuwige straf wordt de mens verdreven uit het paradijs, waarin alles is geregeld om bestwil van de inwoners, de perfecte verzorgingsstaat, die de anarchist vanuit zijn standpunt beschouwt als de perfecte 'watten dictatuur’ waarin alle vrijheid en initiatief van de burgers wordt gesmoord.
De actualiteit van het anarchisme schuilt in de 'dekolonisatie van de burger’ die daarin wordt beoogd en die nu overal aan de orde is. Je kunt van 'calculerende’ of van 'zelfstandige’ burgers spreken - het komt in de praktijk op hetzelfde neer. De politieke organisatie neemt ook steeds meer anarchistische trekken aan. Het complete partijwezen wordt opzij geschoven door een onoverzichtelijk, niet van bovenaf beheersbaar patroon van actie- en belangengroepen. Het verzet tegen de Betuwelijn is begonnen en voortgezet door een federatie van dorpsverenigingen, niet bereid zich te schikken in voldongen feiten. In ons deel van de wereld zieltoogt het partijwezen, dat in deze eeuw de kiezers regimenteerde in overzichtelijke cohorten. Het wordt overvleugeld door een netwerk van sociale oppositie, bestaande uit groepen die opduiken en weer verdwijnen, nu eens het onderspit delven, dan weer de autoriteiten het nakijken geven. Ze beantwoorden in hun onhierarchische structuur en losse, federatieve onderlinge samenwerking aan de anarchistische idee.
Elders zijn er soortgelijke ontwikkelingen. In The Black Man’s Burden (ondertitel: 'Afrika en de vloek van de natie-staat’) geeft Basil Davidson het voorbeeld van Benin. Niet minder dan negentig procent van de economie in dat land is 'zwart’, in de zin dat ze zich buiten de officiele kanalen voltrekt. Het is de schrik van elke ambtenaar: de zogenaamde handelsbalans is hooguit van fictief belang. Davidson vraagt zich af wat het betekent: gaat het land failliet? De staat wel, maar de mensen niet. Ze zijn met de rug naar de staat toe gaan staan, hebben eigen kanalen van handel ontwikkeld en doppen hun eigen boontjes. Lokale, spontaan gevormde organen hebben de besluitvorming overgenomen en zo baant het volk van Benin, denkt Davidson, zich wellicht een 'bruikbare weg naar de toekomst’. Het is een anarchistisch model.
Nu is Afrika geschikter dan Europa om de vloek van de staat te demonstreren. De natie en de staat zijn er niet organisch gegroeid, maar - pas een eeuw geleden - over de bestaande structuren van volk en stam heengewalst: een vreemd gezwel dat beoogde de onderwerping en plundering efficient te organiseren. De zwarte nationalisten hebben dit principe in de laatste decennia overgenomen en voor dezelfde doeleinden gebruikt. Ze verschansten zich, omringd door een militaire en bureaucratische clientele, in de steden en zogen in naam van de staat het omringende platteland uit.
In Europa heeft de staat altijd meer een Januskop gehad: de staat kreeg een beschavingsaspect doordat de onderwerping van de burgers hand in hand ging met hun bescherming. Beter gezegd: onderwerping was de prijs van bescherming. Het ontstaan van de staat vertoont overeenkomsten met dat van de maffia: die bescherming is altijd van het type je-geld-of-je-leven geweest. De vorst rekwireerde van de mensen op het door hem beheerste grondgebied mannen en munten om de oorlogen te voeren, en in ruil daarvoor bood hij hen bescherming tegen diezelfde oorlogen. In de loop der eeuwen is die bescherming allengs uitgebreid - met onderwijs, uitkeringen, gezondheidszorg - en in elk stadium werd ook de onderwerping van de burger verfijnd. De vraag hoe het er met ons voorgestaan zou hebben, ware de staat niet ontstaan, is even onbeantwoordbaar als de vraag over Cleopatra’s neus. Zouden we analfabeten zijn gebleven, ongeneeslijk ziek en hulpeloos? ’t Is onwaarschijnlijk.
Davidsons voorbeeld van Benin doet denken aan de 'italianisering’ die Hans-Magnus Enzensberger ons in Ach, Europa voorstelde: naast een verloederend politiek stelsel floreert de economie, omdat de mensen hebben besloten zich minimaal aan de staat gelegen te laten liggen en met des te meer succes 'voor zichzelf opkomen’. Het is een aantrekkelijke metafoor, maar ze roept dezelfde vragen op als het moderne Benin. Wie kunnen er het best voor zichzelf opkomen? Wie kennen en beheersen de smokkelroutes? De vraag stellen is haar beantwoorden: de snuggersten en sluwsten, de meest gewieksten en de lui met de grootste bek. Waar de onderwerping door de staat wegvalt, valt ook de bescherming van de zwakkeren weg. Weliswaar kweekt de staat veel zwakkeren die op eigen benen sterk zouden staan; er is ongetwijfeld een categorie burgers die in de vrije concurrentiestrijd van allen tegen allen hopeloos het onderspit delft.
'Ze hebben te veel energie in hun goed geordende systemen geinvesteerd, te veel resources, taken, verwachtingen aan de overheid gedelegeerd’, schrijft Enzensberger over ons, inwoners van Noordwest-Europa. 'Ze hebben verleerd om, als het erop aankomt, op eigen houtje te handelen en te zeggen: ik en mijn clan, mijn familie, mijn zaak, wij komen er goed doorheen, ook als de anderen verrekken. Zij geloven altijd nog aan de hersenschim van de zekerheid, ze zijn nog steeds gehecht aan een orde die misschien al anachronistisch is geworden.’
Daar heb je het: 'ook als de anderen verrekken’. Het is de Achilleshiel van het anarchisme: in zijn uiterste consequentie leidt het tot de triomf van het recht van de sterkste. Ik heb al menig anarchistisch geschrift doorgepluisd op zoek naar de oplossing voor dit kernprobleem, maar tot nog toe nergens een bevredigend antwoord gevonden. Tenzij men ervan uitgaat dat de mens in wezen goed is en, mits aan zichzelf overgelaten, vanzelf het goede en menslievende zal doen.
'De gemeenschappelijke achtergrond waaruit bijna elke vorm van anarchisme verklaarbaar is’, schrijft de filosoof Wim van Dooren, 'is het geloof in de ontplooiingsmogelijkheden van ieder mens, die pas tot uiting kunnen komen wanneer er geen dwang meer bestaat. Wanneer alle vormen van vervreemding worden opgeheven is de mens werkelijk in staat een zinvol leven samen met zijn medemensen te leiden. Anarchisten hebben in het algemeen een optimistisch geloof in de goedwillendheid van ieder mens, als hij maar niet belemmerd en gemanipuleerd wordt door de bestaande maatschappelijke machten.’ 'Gezagsloosheid’ moet volgens Van Dooren niet verward worden met 'ordeloosheid’. 'De anarchistische mentaliteit verzet zich tegen alles wat wordt opgelegd, hoe goed het inhoudelijk ook moge zijn en welke orde het ook is, maar daartegenover staat dat deze zelfde mentaliteit zich juist inzet voor de eigen zelfgekozen en onderling overeengekomen orde.’
Men wordt blijkbaar verondersteld er vertrouwen in te hebben dat binnen die orde de mensen van goede wil opgewassen zullen zijn tegen de kwade wil van de minderheid: de 'vrije jongens’, de profiteurs, de machtswellustelingen. Of is de achterliggende gedachte dat die het nu ook al voor het zeggen hebben, doordat ze de staatsmachinerie naar hun hand weten te zetten? En dat we dan maar beter een orde kunnen hebben waarin iedereen optimale vrijheid geniet? De proef op de som is echter niet te nemen, want een 'reeel bestaand anarchisme’ is er niet en is er nooit geweest, behalve tijdens drie revolutionaire situaties die niet als maatstaf kunnen gelden: in 1871 tijdens de Commune van Parijs, in het begin van de Russiche Revolutie van 1917 en gedurende de Spaanse Burgeroorlog. Het anarchisme kan dus niet worden onderworpen aan de toets van de praktische kritiek en dat maakt het zowel zwak als sterk: het blijft voor de een vage en onrealistische dagdromerij, voor de ander een verheven, zij het wellicht onbereikbaar ideaal.
'Het anarchisme leidt aan een ingebeelde ziekte’, schrijft Wim Vandenbussche in een uitgave van de Libertaire Studiegroep Gent over de actualiteit van deze stroming. 'Als het zich niet met het verleden vergelijkt, probeert het zich met een soort moed der wanhoop aan de toekomst te spiegelen. De klassieke voorvaderen of de grootse utopie: het anarchisme heeft telkens weer moeite met het verleden. Vandaar ook de eeuwige terugkeer van de vraag naar de actualiteit van het anarchisme.’
Vandenbussche erkent dat het anarchisme in uiterste consequentie - het individu dat geen enkel gezag erkent - leidt tot 'vulgair neo-liberalisme of libertarisme (het recht van de sterkste)’. Het radicaalste anarchisme, treffend uitgedrukt in de titel van Max Stirners Der Einzige und sein Eigentum, onderscheidt zich nauwelijks van Ayn Rand, die kapitalisten en geldhaaien hun gang wil laten gaan met de uitbuiting en plundering van de zwaksten. Of van Adam Smith die meent dat een 'onzichtbare hand’ de vrije economie vanzelf zal sturen tot het beste voor iedereen.
De meeste anarchisten echter menen dat de ware vrijheid alleen kan gedijen op voorwaarde van gelijkheid. Ze wijzen het kapitalisme, vaak ook het particuliere eigendom, af en propageren zoals wijlen Anton Constandse een 'staatloos,vrijheids lievend socialisme’. Maar hoe zal gelijkheid geschapen en gegarandeerd kunnen worden als een centraal gezag ontbreekt? 'In onze tijd en zeker in ons land is het staats gezag vrij marginaal geworden en zelf onderworpen aan vele “hogere” machten’,schrijft Van Dooren, en dat betekent dat 'een anarchist die nu roept dat de staat moet worden afgeschaft, geen idee heeft hoe de reele machts verhoudingen liggen. Bovendien is ook steeds duidelijker geworden dat’'de staat’’ niet een boven ons gesteld machts orgaan is, maar een maatschappelijke situatie waarvan we allemaal deel uitmaken.’
Het 'meest typerende kenmerk’ van de anarchistische'staats theorie’ is volgens Van Dooren 'het idee van een zelf organiserend geheel met verschillende niveaus waarop beslissingen genomen worden (al naar gelang de omvangen de reik wijdte), waarbij de regel geldt dat zo weinig mogelijk aan het hoger liggende niveau wordt gedelegeerd’. Kortom, 'een combinatie van soevereiniteit in eigen kring en de federalisme gedachte.’ Terwijl ultra- anarchisme tot ultra-liberalisme leidt, komt deze variant,de terminologie incluis, dicht in de buurt van de christen democratie. Het verschil is volgens Van Dooren'het principe dat in de eerste plaats de belanghebbenden zelf de beslissings bevoegdheid hebben’. Dit in tegenstelling tot het parlementair-democratische stelsel waar pas 'als het geen kwaad kan of om van de verantwoordelijkheid af te wezen wel eens naar “beneden” wordt gedelegeerd, gedecentraliseerd of geprivatiseerd’. 'Wij maken tegenwoordig een zelf afbraak van de staat mee’, schreef Van Dooren, 'maar ten gunste van de werkelijke machten in de maatschappij en niet ten gunste van de burgers zelf,zodat de werkelijke macht hebbers nog onaantastbaarder worden.’
De sociale orde die de anarchist voor ogen staat wordt meestal beschreven in termen van 'vrije en gelijke associaties’ (bij Proudhon) of, moderner, van'basisdemocratie’. 'Het collectief handelen’, schrijft Vandenbussche, 'kan zich enkel uiten in de vorm van horizontale bewegingen- basisbewegingen in de strikte betekenis van het woord. Het individualisme kan niet anders dan elke gedachte afwijzen die slechts wil vertegenwoordigen en “spreken in naam van”.’
Maar alweer: hoe te voorkomen dat debasis democratie van Bloemendaal en Aerdenhout die van de Kinkerbuurt koloniseert? Met andere woorden: is er een mechanisme voorzien dat de afstemming regelt van de belangen der diverse gemeenschappen waar die conflicteren met overkoepelende belangen van gelijkheid en rechtvaardigheid? Een voorbeeld. In een lof rede op zelf beheer schrijft Siebe Thissen in De Vrije Socialist over de 'truttigheid’ van het gangbare buurt werk: 'Er zijn zelfs buurthuizen die de geografische wijkgrenzen in ere herstellen en bezoekers “van buiten de wijk” willen weren. Binnenkort dien je je te legitimeren als je een buurthuis betreedt.’ Maar als de bewoners nou eenmaal op basis democratische wijze zouden besluiten tot zulke truttigheid staat de anarchist met de mond vol tanden. De'belanghebbenden’ bezitten immers de 'beslissingsbevoegdheid’ en geen overheid die nog de toegankelijkheid van het buurthuis voor vreemde snoeshanen kan voorschrijven. Hoe graag zou ik dit vraagstuk voorleggen aan Van Dooren: welke belangen worden in zijn staatstheorie naar een hoger niveau gedelegeerd en wie beslist daarover? Maar hij is dood.
De praktijk van de 'basisdemocratie’ legt op kleine schaal het kernprobleem van het anarchisme bloot. Als de maatschappij wordt ingericht volgens het anarchistische model - zonder gekozen bestuurders, zonder strikte reglementen- gaan de lui met de grootste bekken ermeeaan de haal. In het 'collectief’ dat ooit de VPRO-radio beheerste heb ik meegemaakt hoe zo'n basis democratie kan verkeren in een oligarchie van de getapte jongens.
Marx mocht je nooit afmeten aan de marxisten, het anarchisme dunkt mij welaan de anarchisten. Zij postuleren immers dat de mens in vrije gemeenschappen vanzelf harmonische samenwerkingen wederzijds hulp betoon zal verwezenlijken. Als het onderling verkeer van de anarchisten een voorafschaduwing vormt van de samenleving die zij tot stand willen brengen, kan die alleen maar kop schuw maken: het is een wereld van kijvende en twistende stromingen, afsplitsingen en scheuringen, roddel en naijver.
Misschien moeten we het anarchisme niet beoordelen op de alternatieven die het aanbiedt, op de kritiek die het levert. Vandenbussche wijst 'elke politieke theorie of organisatie’ af die meent 'in plaats van het individu een maatschappij te kunnen opbouwen waarin geen verdrukking of uitbuiting meer kan bestaan’. Immers: 'Dergelijke heils boodschappen, hoe maatschappij kritischze zich ook opstellen, leiden telkens opnieuw tot een structuur die eerder onderwerpt dan bevrijdt. De betrokkenen worden opnieuw in een situatie van bevoogding en afhankelijkheid geplaatst. Links creeert op die manier - soms onbewust - via een emancipatorischeretoriek nieuwe vormen van ongelijkheid.’
En hij formuleert ook een antwoord aan degenen diemenen dat de verloedering van de wereld alleen maar kan worden bestreden door een sterk, eventueel zelfs internationaal staats gezag. Kortom, de Mient-Jan Fabers, die eerst de staat wilden ontwapenen om vrede te stichten en hem nu willen bewapenen om gerechtigheid tot stand te brengen: het kleinere kwaad dat het grote moet bestrijden. Vandenbussche schrijft: 'Het vaderland, het eigen volk, de religie, de ideologie, maar ook het Algemeen Belang, de Mensheid, de Betere Wereld, de Wetten van de Economie: telkens zijn het ficties die andere belangen proberen weg te moffelen.’ Zo loopt er volgens hem ook een 'rechte lijn’ van Auschwitz 1945 naar Joegoslavie 1994: 'Zowel in het Duitsland van de jaren dertig als in het Joegoslavie anno nu zijn het niet degenen die zich gesteund voelen door een betere moraal of een schonere theorie, die zich het meest verzetten. Het zijn precies degenen die een beroep doen op zo iets simpels en tegelijk moeilijks als menselijkheid die de kern van de echte weerstand tegen de gruwel vormen.’
Het is dit Anne Frank-denken dat, idealistisch en onpraktisch, de kern uitmaakt van het anarchisme: een permanent verzet ter verdediging van de individuele vrijheid. Die instelling probeert de anarchist 'te realiseren in een levenshouding’, zegt Van Dooren. Als hem dat nog voor geen vijftig procent lukt, pleit dat niet tegen die poging, maar tegen de condities waaronder wij leven en waarin 'een dergelijke vrijheids lievende mentaliteit slechts met de grootst mogelijke compromissen in de praktijk kan worden gebracht’.
'Wat op de voorgrond treedt is het praktische besef van de noodzaak aan concrete vernietiging van de mechanismen die een individu in een situatie van bevoogding en opgelegde afhankelijkheid brengen’, besluit Vandenbussche en schildert de 'neo-anarchist’ als een koord danser op het slappe koord tussen 'geestelijk nomaden dom en concreet handelen’, wiens 'polsstok’ bestaat uit een 'gezagsloos individualisme dat zich wil afzetten tegen de mechanismen die het individu de greep op het eigen leven ontnemen’.
Zo bekeken is het anarchisme vooral waardevol als levens houding van onophoudelijk verzet tegen knechting en betuttelarij, van niet aflatende kritiek op machthebbers en instituties die menen beter te weten wat goed voor ons is dan wijzelf. Het is een mentaliteit die wij nog hard nodig zullen hebben bij de de kolonisatie van de burger.