Een reportage van onze man in Bagdad (2)

Eigen veiligheid vóór alles

Het project Irak is verworden tot een veiligheidsoperatie, terwijl hier toch een natie zou worden opgebouwd. Maar zonder veiligheid kan en wil niemand werken aan de toekomst van het land. De Iraakse agenten zijn nu cruciaal om het project zijn glans te laten behouden.

Bagdad/al-muthanna — Als de mores in het verkeer iets zeggen over de toestand van een land en zijn inwoners, dan is het met het bevrijde Irak niet best gesteld. Op het gebutste asfalt van Bagdad heerst volslagen anarchie. Verkeerslichten werken meestal niet, aangezien de stroom nog steeds verschillende keren per dag uitvalt. Werken ze wel, dan worden ze volkomen genegeerd. Men rijdt tegen het verkeer in, haalt aan alle kanten in en verleent uiteraard geen voorrang. Het aantal auto’s in Bagdad is na de oorlog enorm toegenomen. Niemand trekt zich nog iets aan van invoerbepalingen, dus stromen de rammelende tweedehandsjes het land binnen. Toen de Amerikanen ook nog eens een belangrijke brug in het hart van de stad afsloten, was de chaos in Bagdad niet te overzien. Overal opstoppingen.

Ook Amerikaanse militaire voertuigen raken regelmatig verzeild in de chaos en worden daardoor schietschijven. Het maakt iedereen nerveus: de Amerikaanse militairen, die het liefst zo hard mogelijk door de stad rijden om aanvallers minder kans te geven, en de Irakezen die dichter in de buurt van de Amerikaanse voertuigen staan dan hun lief is.

Regelmatig verlaten de Amerikaanse militairen dan ook de beschutting van hun pantserwagens om het verkeer te regelen. Het is telkens weer een bizar gezicht. Met de zware mitrailleur op de humvee wordt de omgeving onder schot gehouden terwijl een of twee zwaarbewapende Amerikanen haastig en met heftige armbewegingen rijen auto’s trachten te manipuleren. En het werkt. «Irakezen troeven elkaar graag af en geven concurrenten geen millimeter ruimte», vertelt een Irakese chauffeur die zich inmiddels traffic jam expert kan noemen. «Maar door het regime van Saddam Hoessein is het opvolgen van aanwijzingen en bevelen ons in het bloed gaan zitten. Als er dus iemand midden in zo’n verkeersopstopping gaat staan, of het nu een Amerikaanse militair is of een gewone Irakees, dan is die zo opgelost.»

Maar als de Amerikanen hun voertuigen eenmaal hebben bevrijd uit de wirwar van autoblik, stappen ze steevast weer in en scheuren weg, de Irakezen achterlatend met hun vastgelopen verkeer. Met het aanhouden van de aanslagen gaat het hun inmiddels meer om het eigen hachje dan om het lot van Irak en de Irakezen.

De afgelopen dagen kwamen opnieuw zeker zes Amerikaanse soldaten om. In Mosoel werd dit weekeinde van twee militairen die vastzaten in het verkeer de keel doorgesneden. Zelfs het deels oplossen van Iraks verkeersopstoppingen door de Amerikanen zit er nu niet meer in. Door Bagdad rijden grote burgerauto’s, Chevrolet GMC’s, met daarin nors kijkende en zwaar bewapende mannen. Waarschijnlijk zijn het Amerikaanse special forces of troepen verbonden aan de CIA. Ook zij komen in verkeersopstoppingen terecht, maar ze stappen niet uit. De bestuurder stuurt met zijn rechterhand en heeft zijn linker met daarin een pistool uit het raam hangen. De automobilisten maken maar liever ruim baan.

Het project Irak is verworden tot een veiligheidsoperatie, terwijl hier toch een natie zou worden opgebouwd. Na zelfmoordaanslagen op de Verenigde Naties en het Internationale Rode Kruis zijn vrijwel alle non-gouvernementele organisaties die hulpprojecten hadden opgezet, uit het land vertrokken. De hearts and mind-projecten van de Coalitie zelf worden ernstig gehinderd door de slechte veiligheidssituatie. Op alle niveaus, zowel dat van het burgerbestuur als dat van de militaire autoriteiten, laat de coalitie van Amerikanen, Australiërs en Britten de eigen veiligheid vóór alles gaan.

De Australiër die zich bezighoudt met projecten voor de bevolking van Midden-Irak leidt ons rond door het oude Babylon, waar Saddam Hoessein met botte grootheidswaan de stad van Hammurabi boven op de oeroude resten heeft laten herbouwen. De Australiër, die leiding geeft aan louter civiele projecten als het opknappen van ziekenhuizen, het herstellen van de elektriciteitsvoorziening en het verbeteren van scholen — «alles wat in de verste verte hearts and minds-stuff zou kunnen zijn», zegt hij zelf — is geüniformeerd en draagt een geweer. Hij wordt nog eens extra bewaakt door een burger, een ex-militair van de Australische supercommando-eenheid sbs. Die is zwaarder bewapend dan de gemiddelde militair.

Ook in het conferentiecentrum in Bagdad, waar de Coalitie haar afdeling burger zaken voor Bagdadi’s heeft gevestigd, wemelt het van de militairen en bewapende westerlingen, continu bezorgd over hun eigen veiligheid. Het gebouw oogt als een fort. Wie naar binnen wil moet drie veiligheidsringen door en de juiste papieren op zak hebben. Veel Irakezen laten het dan ook links liggen; de medewerkers van de informatiebalie hebben weinig te doen.

De niet-militaire activiteiten van de Coalitie zijn voor de opstandelingen net zozeer doelwit als de militaire. Onlangs werd opnieuw een belangrijke oliepijpleiding in Noord-Irak opgeblazen. En afgelopen week werden raketten afgeschoten op het zwaarbewaakte ministerie van Olie en op twee eveneens strengbeveiligde hotels waar journalisten logeren en buitenlanders die helpen het land weer op te bouwen. Daarbij viel slechts één gewonde.

Maar de aanslag was een succes. De opstandelingen toonden dat ook zwaar bewaakte doelen door hen te raken zijn. Vanaf ezelkarren, nota bene. Bij de hotels hielden Amerikaanse soldaten journalisten op afstand. De Coalitie laat haar schaamte maar liever bedekt. Bij het ministerie van Olie, waar witte rook uitkwam, hadden militairen eveneens de opdracht gekregen de pers weg te houden. «We kunnen dit soort aanslagen niet voorkomen», zei de Amerikaanse kolonel Brad May die uiteindelijk ter plekke als perswoordvoerder fungeerde. «We kunnen slechts hopen dat Irakezen inzien dat ze er alleen zichzelf mee hebben.»

Waar de Amerikanen zich zwaar beveiligen, met tanks en speciale betonafzettingen, moeten Iraakse agenten het met veel minder stellen. Ook zij zijn echter doelwit van bomaanslagen. Afgelopen weekend gingen ten noorden van Bagdad weer twee politiebureaus de lucht in. Daarbij kwamen in totaal achttien mensen om, zowel agenten als bezoekers. Eerder al werden, tegelijk met de aanslag op het hoofdkantoor van het Internationale Rode Kruis in Bagdad, zelfmoordaanslagen gepleegd op drie politie bureaus; een vierde werd verijdeld. Meer dan twintig politieagenten vonden de dood, 65 raakten gewond.

Het zijn juist deze hoeders der veiligheid die cruciaal zijn om het project Irak zijn glans te laten behouden, ook na het vertrek van het merendeel der Amerikaanse troepen. Want zonder veiligheid kan en wil niemand werken aan de toekomst van het land.

De plunderingen die in april een golf van vernieling over Bagdad met zich meebrachten, hebben getoond hoe kwetsbaar de situatie in Irak is. Het wijdverbreide wapenbezit (gevoeld als noodzakelijke zelfbescherming) maakt de toestand er niet veiliger en stabieler op. Daarom heeft de Coalitie zich ten doel gesteld een nieuwe politiemacht op te leiden, en een bewapende burgerwacht. Ook aan een nieuw Iraaks leger wordt gewerkt. Daarvan is inmiddels een bataljon operationeel. De nieuwe politie beheerst nu ook al maanden de straat, maar het is de vraag of de opleiding die de mannen gekregen hebben afdoende is.

Hoe is het buiten Bagdad? In de provincie al-Muthanna in het zuiden van Irak zijn elfhonderd Nederlandse mariniers gelegerd. Ze maken deel uit van Sfir II, de tweede lichting van de Security Force for Iraq. Met de mariniers zijn marechaussees meegereisd. 25 van hen houden zich bezig met het politie apparaat in de provincie. «Wat in Nederland geldt, geldt ook hier. De politie kan alleen haar taak uitvoeren als de mensen vertrouwen in haar stellen», zegt luitenant Sander Swinkels.

De agenten moeten zichtbaar zijn en herkenbaar. En stevig maar correct optreden als dat nodig is. Sfir verstrekte de agenten reeds patrouillewagens, pistolen, badges, uniformen en een basisopleiding. Tijdens een avondpatrouille controleren de Nederlandse marechaussees de checkpoints van de Iraakse politie. «We kijken hoe ze erbij staan. Of ze een beetje actief zijn, of dat ze er met de pet naar gooien.»

Tijdens de patrouille wordt duidelijk dat de agenten er nog lang niet zijn. De agenten staan maar wat te lanterfanten op hun checkpoints. Bij een ervan staat slechts één man. De andere zes liggen te slapen in een huis vlakbij. Het is de bedoeling dat bij deze controlepost auto’s worden gecontroleerd op explosieven, wapens en smokkelwaar. Maar met één agent is dat onmogelijk. Opperwachtmeester Rob van Eersel en wachtmeester eerste klasse Riné van Elk spreken de slaapdronken mannen stevig toe: «Het gaat niet om de 99 auto’s waar niks mee aan de hand is, maar om die ene die vol explosieven zit.»

Op het bureau in het stadje As Samawah belooft de politiemajoor dat hij zijn mannen hard zal aanpakken en luiaards zal ontslaan. Om vervolgens te komen met een indrukwekkende cijferlijst van wat hij reeds bereikt zou hebben. «Die neem ik met een korrel zout», zegt luitenant Swinkels. «Zorgen dat hier een goede politiemacht komt waar de mensen vertrouwen in stellen en die kan zorgen voor optimale veiligheid gaat een heel lang proces worden. Dat is niet zomaar even geregeld.»

De Nederlanders realiseren zich dat het degelijk opleiden van een niet-corrupte politiemacht niet compleet is zonder hen lange tijd te monitoren en waar nodig tot de orde te roepen. Maar de Coalitie heeft het inmiddels over een andere boeg gegooid. De Amerikanen willen zo snel mogelijk zo veel mogelijk troepen terugtrekken. Daarom hebben ze de opleiding voor agenten en leden van het Iraqi Civil Defense Corps (ICDC), een gewapende burgerwacht, aanzienlijk verkort. Zij zijn degenen die zorg moeten gaan dragen voor de veiligheid in Irak, want de Amerikanen zijn het zat om als schietschijf te fungeren. Maar de huidige agenten en militieleden zijn nog lang niet toe aan die zware en gevaarlijke taak. Met hun nieuwe collega’s is het nog slechter gesteld. Recentelijk werd de reeds veel te korte politieopleiding van acht weken extra uitgedund.

Het gesprek van luitenant Swinkels met de Iraakse politiemajoor in As Samawah wordt verstoord als er een man binnenkomt met een bebloed shirt. Hij is twee keer in zijn arm geschoten. De kogels zijn reeds verwijderd in het ziekenhuis en hij is verbonden. «Het was een Egyptische vrachtwagenchauffeur», vertelt hij de agenten. Die gaan er eens goed voor zitten en luisteren met gefronste wenkbrauwen. Maar ze ondernemen geen enkele actie.

«Nou ja», zegt Swinkels, «op zich is het een goed teken dat de man zich überhaupt meldt bij de politie. Kennelijk heeft hij de indruk dat ze iets voor hem kunnen betekenen. Dat is dan de winst die we de afgelopen vierenhalve maand hebben geboekt.»