Interview Jaap de Vries

«Eigenlijk ben ik bang voor kinderen»

Tekenaar/schrijver Jaap de Vries — man van dunne boeken en ongebruikelijke tekeningen — heeft een Zilveren Penseel te pakken. Laat hem verder maar in zijn huisje zitten.

Het oeuvre van tekenaar/schrijver Jaap de Vries (1961) omvat tot nu toe vier titels. De Vries is een man van weinig woorden, van priegelige prentjes en van dunne boeken: op elkaar gelegd meet het stapeltje drieëneenhalve centimeter. Maar De Vries maakt met een ragfijn pennetje nogal ongebruikelijke tekeningen vol maffe details en uit zijn wonderlijke, steevast uit de hand lopende vertellingen over koningen, ridders en heksen spreekt een droog gevoel voor humor. Voeg hierbij de recente toekenning van een Zilveren Penseel vanwege Een kip voor Toos — een klassiek spel van vergissingen voor net beginnende lezers over een kip die niet in de soep wil en Toos die droomt van Kees, van achteren genaamd Kip — en er is reden genoeg om af te reizen voor een gesprek.

In het centrum van Sneek heten de straten Waterpoortsgracht, Oude Koemarkt, Hoogend of Zuidend. Het allerkleinste huisje van een rij mooi gerestaureerde panden wordt bewoond door Jaap de Vries. Het is 350 jaar oud en bevat voornamelijk een kamer/atelier/keuken, met een bedstee aan het eind van een open trap naar boven. Voor de kunstenaar die zich hoofdzakelijk bedient van een potlood, een miniflesje Oost-Indische inkt en een tekenpen van krap drie millimeter breed voldoet de afgedankte eettafel uit het ouderlijk huis, met daarop een vreemd geschapen cactus. De rest van het interieur past moeiteloos in de kamers uit De Vries’ verhalenwereld: stoelen die geen familie van elkaar zijn, drie bloemen in een vaas, dierbare frutsels en een opgeprikt krantenknipsel met de kop «Homo ooievaars broeden pinguïnei uit».

Vooral de vele Oranjeparafernalia — koektrommels en bekers met koninklijke hoofden vanwege feestelijke gelegenheden, een fantastisch gedenkbord uit 1938, beschilderd met oranje appeltjes en Beatrix in hermelijnen luier — lijken een rechtstreeks lijntje te leggen naar een oeuvre vol prinsen, lakeien, hofdames en koningin-moeders. De Vries’ kersverse boek De koning die van buigen hield bevat naast identiteitscrises, liefdesverdriet en gedaanteverwisselingen van shakespeareaanse allure ook luchtige bespiegelingen over het begrip «macht». Iedereen buigt voor de koning, dat wil zeggen voor zijn kroon, maar wat moet een koning, wiens liefste wens het is om zelf eens zo'n mooie buiging te maken…

De Vries vertelt over zijn twee oudtantes met elk jaar de Oranjekalender en een abonnement op Ons Vorstenhuis. Hij mijmert over de verkleedpartijen met zijn zusje en meer in het bijzonder over een paar fijne torenhoge hakken. «Het is heerlijk om het allemaal te tekenen, de pofbroeken en de pandjesjassen, de gewaden met kanten en pareltjes. Die hele buitenkant van het koningshuis zie ik als een sprookje. Toen ik afgelopen Prinsjesdag majesteits outfit zag, had ik spijt dat mijn nieuwe boek, inclusief koningin net af was. Dat wuivende nest met veren op haar hoofd, wat ik daar niet allemaal mee had kunnen doen! Zo'n verhaal komt op gang doordat ik al dat gebuig en die mooie lakei zo graag wilde tekenen. Ik voel me in de eerste plaats tekenaar en daarna pas schrijver.»

Typerend voor De Vries’ tekenwijze zijn de anatomisch vreemd uitgevallen lijven, met bungelende ledematen en onhandige scheve voetjes, die onafhankelijk van sekse of weersomstandigheid altijd in enkellaarsjes zijn verpakt. Hoofden zijn in principe kaal en vervolgens bedekt met pruikjes haar die iets weg hebben van exotische, handgemaakte eierwarmers. Handelsmerk is de tot op de millimeter precieze arcering van elk vlak, wat resulteert in allerlei nuances zwart en grijs en soms zelfs kleur suggereert. Zo zijn de vele vormeloze damesjurken altijd versierd met kriebels en friemels, evenals de dekbedovertrekken en de stoelbekleding. Deze tekeningen hebben graag een nauwkeurige waarnemer: slaapt iemand onder een dekbed met hartjes en is die iemand zes bladzijden later verdrietig, dan zijn de hartjes collectief gebroken.

De Vries: «Ik werk het liefste met pen en inkt. Dat arceren is zo rustgevend, dan vergeet ik de tijd. Er mag geen streepje verkeerd staan. Zelfs buiten het kader kan ik eigenlijk geen inktspat verdragen, maar soms sproeien die pennetjes ontzettend, dus ik moet zo langzamerhand wat minder perfectionistisch worden en iets wegfoezelen. Ik draai tijdens het werk graag de Hohe Messe of een Passion van Bach, omdat die muziek precies de goede sfeer van kalmte en exactheid heeft. Het gaat wel langzaam allemaal. Over sommige tekeningen doe ik zeker twee dagen en dan vervloek ik zo'n door mijzelf uitgedachte fantastische jurk, want die komt steeds weer terug.

De eerste keer dat ik zo werkte was op de Academie in Kampen, toen ik als opdracht Mensje van Keulens Van lieverlede illustreerde. Een somber en tragisch verhaal, maar eindelijk wist ik wat ik kon, omdat ik helemaal mijn eigen gang had kunnen gaan. Ik was waanzinnig onzeker en bang voor de docenten. Moest naar mijn gevoel steeds aan hun eisen en verwachtingen voldoen: experimenteren, doen wat ik niet kon. Pas in de illustratielessen van Annemie Heymans durfde ik iets van mezelf te laten zien. Ze zat altijd aan een grote tafel te roken en de Volkskrant te lezen. Ik schoof naast haar met mijn werk en dan praatte ze over zichzelf, bijvoorbeeld hoe ze nog weleens een tekening verscheurde in de nacht vóór een deadline. Dat was heel geruststellend: dan kon ik waarschijnlijk ook wel illustrator worden!

Het is absoluut niet zo dat het er al vanaf mijn kindertijd inzat. Ik wist eigenlijk nooit wat ik wilde. Was niet speciaal begaafd, al herinner ik me dat opa en oma elke verjaardag weer met een verfdoos aankwamen. Op de middelbare school moesten we van die akelige handvaardigheid doen, een zinken boot maken die ook nog kon blijven drijven. Geschroeide vingers kreeg je daarvan. Ik had liever poppen gebreid met de meisjes. Toen dat later op de pedagogische academie ‹mocht› ben ik handenwrijvend een kijkdoos gaan inrichten met zelfgebreide meubeltjes. Met die opleiding werd het uiteindelijk niets, want voor onderwijzer bleek ik niet in de wieg gelegd, maar ze vonden wel dat ik kon tekenen. Dus toen maar eens het toelatingsexamen in Kampen geprobeerd: ’s morgens een rode kool natekenen en ’s middags iets met koude en warme kleuren en na zes jaar kwam ik met mooie cijfers van de academie.

En dan begint het pas echt, want niemand zit op je te wachten en in Amsterdam op een kamertje driehoog achter gaan wonen, dat durfde ik helemaal niet. Ik ging veilig terug naar de familie in Sneek en stuurde tekeningen langs uitgevers. Hun brieven ken ik nog van buiten — uw werk voldoet niet aan onze eisen van vorm en inhoud — en vaak vond men het wel mooi, maar ‹te eigen› en dus ‹niet inpasbaar bij andermans teksten›. Ondertussen zit je in de bijstand, waar je afhankelijk bent van de goedgunstigheid van een ambtenaar en op de vreemdste baantjes moet solliciteren. Pas na vier jaar had ik succes bij eenvrouwsbedrijf Moon Press. Uitgeefster Ida Schuurman sneed een taart aan en roemde mij de hele middag en ik ging als een ander mens naar huis. Ze vroeg mij voor het al lang weer opgedoekte kindertijdschrift Mik Mak en daar ontstonden de stripachtige ideeën voor De koning en de koningin, waar ik in 1995 mee debuteerde.»

In De Vries’ sprookjesachtige verhaalwereld, waarin veel onbekommerd van hot naar her wordt gedraafd, is het opvallend hoe de ridders en prinsen zonder enige ophef bij elkaar in het ledikant belanden. Wanneer Halewijntje uit Halewijntje en de struikrovers eindelijk een ridder op een wit paard ziet arriveren, vindt ze de volgende ochtend een briefje naast de pendule: «Ik heb uw broer geschaakt», terwijl de lezer de heren al innig tevreden onder één dekbed heeft zien liggen. En ook in De koning die van buigen hield heeft zijne majesteit vanaf de eerste pagina’s duidelijk zin om de lakei in de billen te knijpen. Vooral de vanzelfsprekendheid en de laconieke toon zijn ongebruikelijk binnen de jeugdliteratuur, waar homo-erotiek, zo die al voorkomt, in de eerste plaats problematisch is. De Vries: «Ik was al 32 toen ik met mijn eerste man naar buiten kwam. Dat was toen zo heftig dat het wel verkeerd moest gaan en daarvan kwam iets terecht in Halewijntje. Ik vind het goed dat kinderen dat zo tussen neus en lippen tegenkomen, maar van mij hoeft het niet per se. Ik wil niet ‹die tekenaar van die mannenplaatjes› worden. Ik maak het ook niet speciaal voor kinderen. Eigenlijk ben ik bang voor ze. Dat is ook de reden dat het niet lukte voor de klas. Tijdens mijn stage gaf ik ze bijvoorbeeld een papiertje om sommen op te maken. Dat aten ze voor mijn neus op en dan moest ik boos worden. Het was onverdraaglijk om altijd maar weer boos te zijn. Laat mij maar in mijn huisje zitten en verhalen maken. Gewoon voor mezelf.»

Een kip voor Toos

Uitg. Zwijsen, 24 blz., ƒ15,50

De koning die van buigen hield

Uitg. Querido, 48 blz., ƒ26,35

Bij boekhandel Donner, Lijnbaan 150 in Rotterdam, is t/m 14 oktober werk van Jaap de Vries te zien en te koop