Interview: Detlef Plate, dakloze koffieverkoper

«Eigenlijk ben ik de ideale schoonzoon»

Na jarenlange omzwervingen, enkele ambachten en een ongeluk werd Detlef Plate woordvoerder van Stichting Mijn Koffie, die dakloze verkopers de kans op een beter bestaan wil bieden. «De overheid gaat het probleem volstrekt inefficiënt te lijf.»

Enkele jaren geleden onderging de Albert Heijn-vestiging aan de Vermiljoenweg in Zaandam een significante verbetering. De lange, graatmagere en ongewassen verkoper van de daklozenkrant, die met zijn snerpende stem op veel klanten dezelfde uitwerking had als een bewegende vogelverschrikker op een zwerm kraaien, maakte plaats voor een veel publieksvriendelijkere collega. Deze man had weliswaar een verweerde kop en trillende handen – waardoor de meeste mensen tot de conclusie kwamen dat hij een, al dan niet voormalige, junk of alcoholist moest zijn – maar zijn uitstraling was volkomen anders dan die van zijn voorganger. Hij was opgewekt en maakte met veel mensen een praatje. Hij hielp ouderen of moeders van kleine kinderen met de winkelwagentjes, die als gevolg van het ongelijke trottoir meestal net een andere kant op wilden dan de klant, en paste op de honden van het winkelende publiek. Als mijn vrouw het nummer van die week al had gekocht, dan meldde hij dat omdat hij ons niet onnodig op kosten wilde jagen.

«Missen» is een groot woord. Maar sinds wij eind vorig jaar zijn verhuisd, ontbeert de wekelijkse routine van het inslaan der voorraden toch dat persoonlijke accent. Ik was dan ook aangenaam verrast toen ik hem enige tijd geleden in een nieuwsuitzending van de Amsterdamse omroep at5 zag. Hij trad op als de woordvoerder van een project waarbij daklozen op metrostations koffie zouden gaan verkopen. Aanvankelijk was het gemeentelijk vervoerbedrijf enthousiast, maar toen puntje bij paaltje kwam zag het gvb ineens onoverkomelijke bezwaren. Vervolgens probeerden de initiatiefnemers een vergunning te krijgen om op de openbare weg koffie te verkopen. Ondanks ruime steun in de gemeenteraad bleef wethouder Gehrels weigeren deze vergunning te verstrekken. Reden om Detlef Plate op te zoeken.

Het gesprek met Plate vindt plaats in een café in Zaandam, waarboven hij voor veel geld een uitgewoonde, lekkende etage met slechts twee functionerende stopcontacten huurt.

Het begin van zijn levensverhaal lijkt stereotiep. In 1957 geboren in Hamburg, in een arbeidersgezin met een tirannieke en dranklustige stiefvader, leek zijn uitgangspositie allesbehalve gunstig. Toch vertelt hij er vrij laconiek over. Detlef Plate: «Ik ben zo’n beetje opgegroeid op de Reeperbahn. Als twaalfjarige jongens deden we allerlei boodschappen voor de hoeren en op mijn veertiende had ik een bloeiend handeltje in condooms. We hadden een hoop lol en ik verdiende een aardig zakcentje. Thuis was het heel wat minder gezellig en op mijn vijftiende zorgde de kinderbescherming dat ik terecht kon bij een project voor begeleid wonen.»

Plate volgde een opleiding tot kok, werkte in tal van horecagelegenheden, spaarde wat geld en vertrok op zijn negentiende naar de Verenigde Staten. Na een verblijf van enkele maanden in Los Angeles trok hij Midden- en Zuid-Amerika in. In sommige landen bleef hij een paar maanden, in Venezuela anderhalf jaar. Hij werkte niet alleen als kok, maar ook als metselaar, timmerman en bankwerker. «Mijn grootvader was smid en die had ik regelmatig geholpen, dus ik wist iets van metaalbewerking. Er zijn weinig dingen die ik niet kan. Eigenlijk ben ik de ideale schoonzoon.»

In Buenos Aires kwam hij in contact met de joodse gemeenschap en nam een opmerkelijk besluit: «Via die mensen nam ik dienst in het Israëlische leger. Zij betaalden mijn ticket en zodoende heb ik ruim twee jaar gediend in het bataljon voor buitenlandse vrijwilligers. Als Duitser werd ik met open armen ontvangen. Voor een deel was het idealisme, ik vond dat ik namens mijn land wat goed te maken had, maar hang naar avontuur speelde beslist een rol.»

Als er ergens discipline heerst, dan is dat in het Israëlische leger. Het lijkt dus een onwaarschijnlijke plek voor iemand die daarvoor zeven jaar lang zo vrij als een vogel over het Amerikaanse continent is getrokken. Plate: «Inderdaad vreemd. Maar ik heb van mezelf een vrij sterke discipline, dus ik had daar weinig moeite mee. Bovendien lijkt het wel leuk, dat ongebonden, zwervende bestaan, maar vrijwel iedereen zoekt toch iets waar je bij hoort. Dat had ik nog nooit gehad. Een tijdje vond ik het in Israël. Je moet niet vergeten dat het leger daar op een voetstuk staat. Als militair in uniform hoef je nooit te betalen voor een taxi of een bus, en in het café krijg je meestal gratis koffie.»

Plate tekende voor het Israëlische leger in 1982, het jaar van de invasie in Libanon en de massamoorden in Sabra en Sjatila. Hij maakte vreselijke dingen mee. Hij heeft echter weinig zin om in details te treden. Detlef Plate: «De Israëli’s zijn heel doelgericht, hebben weinig scrupules. Ze zijn bloedfanatiek en sindsdien weet ik dat fanatisme niet deugt. Het werkt gewoon niet, het levert niets op dan bloed en tranen. Maar ik moet wel zeggen dat, wanneer je bezwaren had tegen een bepaalde actie, je daarvan werd vrijgesteld, zonder dat je daar last mee kreeg.»

Na zijn diensttijd in Israël trok hij enkele jaren door Australië, Nieuw-Zeeland en Zuidoost-Azië: «Ik heb in Manilla de smoking mountains gezien, de immense vuilnisbergen die altijd roken en waar kinderen de hele dag afval sorteren. Dan besef je dat er in deze wereld heel veel fout zit.»

In 1991 belandde hij in Nederland. Na een tijd als kok te hebben gewerkt kon hij, met een forse lening van de bank, in Baarle Nassau een café kopen. Na enkele maanden kreeg hij echter een ernstig auto-ongeluk. Toen hij drie maanden later op krukken uit het ziekenhuis kwam, was hij failliet. Doordat hij niet goed verzekerd was, kon hij niemand inhuren om het café open te houden. Als gevolg van het ongeluk is hij doof aan één oor, trillen zijn handen permanent en functioneert zijn evenwichtsorgaan niet goed. Hij mocht niet langer met machines werken. Elke potentiële werkgever schrok van zijn medisch dossier. Hij vertrok naar Amsterdam, waar kort daarvoor de daklozenkrant van start was gegaan. Dat leek hem een aardige noodoplossing.

Inmiddels verkoopt hij al weer zo’n tien jaar de krant, wat hem een aardig inkomen oplevert. Maar dat moet ook wel, want het leven van een dakloze is duur. Detlef Plate: «Ik betaal voor mijn rottige kamer veel meer huur dan ik bij een woningbouwvereniging voor een knappe flat zou betalen, maar omdat ik geen regelmatig inkomen heb kom ik daar niet voor in aanmerking. De meeste daklozen verdienen echter te weinig om bij een particulier voor veel geld iets te huren. Het grote probleem is dat het ontbreekt aan goede en betaalbare huisvesting. De overheid gaat dat probleem volstrekt inefficiënt te lijf. Er is een instantie die per dag tweeduizend slaapplaatsen regelt. Per dakloze krijgt men daar 85 euro per dag voor, dat is 170.000 euro per dag. Voor dat geld kun je zo’n dakloze in een hotel stoppen en dan heeft hij elke dag nog een paar tientjes zakgeld, maar al dat geld gaat nu op aan de bureaucratie en allerlei tussenpersonen. Met dat geld zou je ook aan meer structurele oplossingen kunnen werken.»

Om hieraan bij te dragen heeft Plate met enkele anderen Stichting Mijn Koffie opgericht. Plate: «Allereerst gaat het om het inkomen van de dakloze koffieverkoper. Een kopje koffie gaat tachtig cent kosten. Daar mag hij de helft van houden. Wanneer je de beste koffie en duurste bekertjes en lepeltjes neemt, kost zo’n kopje koffie niet meer dan twaalf cent, dus houden we steeds 28 cent over. Met dat geld wil de stichting betaalbare woonruimte voor de medewerkers aan het project financieren.»

Het leek een doeltreffend plan en aanvankelijk reageerde iedereen positief op het bedrijfsplan van Plate en zijn compagnons. Plate: «Douwe Egberts heeft ons meteen heel serieus genomen en goed meegewerkt. Ze geven het niet cadeau, maar we hebben wel gunstige voorwaarden kunnen bedingen. Ook denken ze goed mee. Ook het gvb was aanvankelijk laaiend enthousiast, maar kwam toen met het rotsmoesje dat het gevaarlijk was, omdat mensen in het gedrang hete koffie over zich heen zouden krijgen. Algemeen directeur Kroon zei toen: ‹Sorry, dat ik zo’n klootzak ben.› Wel kon een handvol daklozen een schoonmaakbaantje krijgen, maar dat is natuurlijk geen oplossing. Wij hebben uitgerekend dat we in Amsterdam zo’n 120 à 150 mensen aan het werk kunnen houden. Er hebben zich bij ons zelfs mensen gemeld die een werkloosheidsuitkering hebben. Die willen dat vaste inkomen graag opgeven om zelfstandig koffieverkoper te worden.»

Omdat het plan inhield dat de koffie werd verkocht op de perrons van de metrostations, dus op particulier terrein, was het niet nodig een ventvergunning aan te vragen. Na de weigering van het gvb moest Mijn Koffie wel naar de gemeente. Plate: «Dan kom je bij de dienst Marktwezen terecht en daar word je niet vrolijk van. Alleen al over het inschenken van een kopje koffie zijn er twee dikke boekwerken met regels. Echt, ze verzinnen alles om ons tegen te houden. Het zou gevaarlijk zijn, maar dat geldt natuurlijk ook voor de koffie die – voor € 1,80! – in de hal van het Centraal Station wordt verkocht. We zijn een keer begonnen met de verkoop op de pont. We werden onmiddellijk bedreigd met arrestatie. Maar dan moet je kijken wat er daar achter het CS op de wal gebeurt. Prostitutie en drugshandel, dat is kennelijk minder kwalijk dan het verkopen van koffie.»

De gemeente maakt vooral een punt van de rommel die het project zou veroorzaken. Plate: «Daar hadden we ook wat op bedacht. Er zijn onder de daklozen nu eenmaal jongens van wie de mensen niet graag een kopje koffie kopen, die zien er gewoon niet zo fris uit. Maar die wilden we juist inschakelen om de rotzooi op te ruimen, wat we konden financieren door statiegeld op die bekertjes te zetten.» De meerderheid van de gemeenteraad is voor het plan van Plate en de zijnen, maar de wethouder hanteert nog steeds het in de Nederlandse politiek inmiddels klassieke adagium: «Regels zijn regels.»

Plate laat zich niet uit het veld slaan: «Desnoods komen we met de Eerste Amsterdamse Bekerkrant! Op grond van de vrijheid van meningsuiting mag je kranten verkopen, dus hebben we al met Loesje gepraat over het bedrukken van koffiebekertjes met hun teksten. Dat wordt dan de bekerkrant, die je voor tachtig cent kunt kopen. Wanneer je daar toevallig wat koffie in wilt hebben, dan krijg je die erbij. Ja kom zeg, ik geef het niet zo snel op. Ich gehe bis zu letzte Patrone.»