Profiel: Michael Moore

Eigenlijk een typische Amerikaan

Terwijl in 1968 studenten het gevestigde gezag tarten in Parijs zit de dertienjarige Amerikaan Michael Moore in de kerk van Flint Michigan. Ook voor hem is dit jaar cruciaal in zijn vorming als activist. Bij het uitgaan van de kerk wordt meegedeeld dat Martin Luther King is doodgeschoten. Gejuich stijgt op. In verscheidene interviews verklaart hij later dat hij dit nooit meer is vergeten: «Dat gejoel van de kerkgangers brandde een gat midden in mijn hoofd.»

Met het stadje Flint onderhoudt de filmmaker nog altijd een haat-liefderelatie. In al zijn documentaires gaat hij ernaar terug, ook in zijn nieuwste, het succesvolle anti-Bush-pamflet Fahrenheit 9/11. In zijn geboortestad voert hij dit keer de oer-Amerikaanse Lila Lipscomb op, een patriot die dagelijks de vlag uithangt en de troepen steunt, maar die verandert in een vredesactivist als ze uit Irak een woedende anti-oorlogsbrief van haar inmiddels overleden zoon ontvangt. Moore laat ook enkele jonge inwoners van Flint aan het woord, waarvan er één lacherig opmerkt: «Op televisie zie je beelden van Irak. Het is net Flint! En het is hier niet eens oorlog.»

Het is de kern van Moores nieuwste film. Want het hoofdargument van Moore tegen de oorlog in Irak is niet erg verfijnd, maar wel helder: de in zijn film onthutsend onnozele, incompetente en arrogante president Bush gebruikt de aanslagen van 11 september niet om al-Qaeda aan te pakken, maar om het olierijke land Irak onder valse voorwendselen binnen te vallen. Hij zal er zelf geen nacht minder om slapen — de president geeft vooral om zijn golfkwaliteiten — en hij laat het vuile werk opknappen door arme jongens en meisjes voor wie de overheid geen beter vooruitzicht creëert dan een «carrière» in het leger. Behalve beelden van gebombardeerd Irak laat Moore de zichtbare en traumatische gevolgen van de ontindustrialisering in Flint zien, een spookstad met rijen half ingezakte woonhuizen en afgeleefde inwoners.

Die beelden komen bekend voor. Moores eerste film, het vijftien jaar oude Roger & Me, had de verpaupering van zijn geboortestad als onderwerp. Eind jaren tachtig maakte Moore deze film omdat hij er genoeg van had, zo verklaarde hij, «om voor zo’n vijfduizend mensen te schrijven die het toch al met je eens zijn». Want aanvankelijk filmde Moore niet, maar schreef hij, eerst voor de Flint Voice, een blad dat hij zelf oprichtte, en daarna voor de Michigan Voice, dat hij ook bijna alleen vol schreef.

Als middelbare scholier had hij al eens een toneelstuk geschreven waarin Christus van het kruis komt. Eerder hadden zijn Iers-katholieke ouders Moore naar het seminarie gestuurd, maar daar mislukte hij omdat hij te veel met de meisjes in de weer was. Op zijn zestiende kreeg hij een prijs van de plaatselijke padvinderij, omdat hij de belangrijkste vervuilers van de stad duchtig had lastiggevallen. Na school ging hij in zijn artikelen jarenlang tekeer tegen General Motors, de belangrijkste werkgever van de stad, die op een dag besloot naar goedkopere arbeiders elders om te zien. Het bedrijf leed niet eens verlies, maar in de zucht naar hogere winsten voor aandeelhouders en directie vestigde het zich in een lagelonengebied.

Moore realiseerde zich dat zijn felle polemieken in de krant nooit iets zouden uithalen. Na een spoedcursus regie maakte hij Roger & Me, voor minder dan driehonderdduizend dollar. Het grootste deel daarvan haalde hij op met het organiseren van een wekelijkse bingoavond. De plot van de film bestaat uit Moores pogingen in contact te komen met de topman van het autobedrijf, Roger Smith, om hem over te halen een bezoek aan het deerniswekkende Flint te brengen. Moore maakte de ooit zo trotse hoofdstad van een auto-imperium tot pars pro toto voor alle gemeenschappen die zonder mededogen in de steek zijn gelaten door het grootkapitaal. Zelf noemde hij dit dieptragische portret van zijn stad «een komedie over dertigduizend mensen die hun baan verliezen». Prachtige hoofdrollen in de film waren weggelegd voor de plaatselijke sheriff en deurwaarder.

Moore wist met de film een miljoenen publiek te bereiken, ondanks de eindeloze beelden van kapotte huizen in troosteloze buurten. Zijn film Bowling for Columbine uit 2002, over de angstcultuur en het wapenbezit in Amerika, werd de best bekeken documentaire ooit. Fahrenheit 9/11 bracht afgelopen week het meeste geld op in een eerste draaiweekeinde. Producent Weinstein beweert dat de film uiteindelijk tweeduizend zalen zal aandoen en meer dan zestig miljoen dollar in het laatje zal brengen, een ongekend record voor een documentaire.

Het geheim van Moores succes ligt in de ongebreidelde manipulatie die soms op de lachspieren werkt, soms ontroering en dan weer maatschappelijke verontwaardiging ontlokt. Moores films zijn niet dodelijk serieus, zoals gangbare maatschappelijk geëngageerde documentaires. En hoe dun bij hem de demarcatielijn tussen documentatie en demagogie ook is, nooit wordt helemaal duidelijk wat Moore beoogt: amusement of instemming. Na de première van Fahrenheit, die een week eerder uitkwam dan Spiderman II, zei hij: «Ik hoop samen met Spiderman het Amerikaanse volk gerechtigheid en vrede terug te geven.» Maar hij zei het ook als zijn persoonlijke doel te zien Bush uit het Witte Huis te jagen. Als een goede cartoonist schendt Moore daarbij voortdurend de regels van de goede smaak en het beschaafde intellectuele debat.

Want Fahrenheit 9/11 is vooreerst een spotprent, met alle uitvergrotingen en flauwe hoon die daarbij horen. Zo krijgt de kijker geen woord te horen uit de mond van de onderminister van Defensie Wolfowitz, maar ziet hij wel hoe deze vreselijk lang zit te ploeteren op het schikken van zijn haar vlak voordat hij in een televisie-uitzending de opbouwwerkzaamheden in Irak van commentaar mag voorzien. Wolfowitz haalt zelfs een vettig kammetje door zijn mond. Hilarisch is ook het beeld van de dikke Moore in een ijscobus met megafoon op het dak. Hij rijdt rond het Capitool om de congresleden de angstaanjagende Patriot Act voor te lezen, nadat hij heeft begrepen dat nagenoeg geen senator het ding voor goedkeuring heeft gelezen. Minder sterk is het leedvermaak over minister Ashcroft, die enkele jaren geleden ondanks het zingen van een gênant zelfgeschreven patriottistisch lied een verkiezing verloor van een dode senator. Meesterlijk daarentegen is het beeld van president Bush die in een schoolklas in Sarasota Florida voorleest uit Mijn lievelingsgeitje, en blijft voorlezen als hij van een adviseur hoort dat ook de tweede toren van het World Trade Center is getroffen. De compleet lege, licht stompzinnige uitdrukking van de president was de Amerikaanse televisiekijker onthouden — dat zou toch geen pas geven, de commander in chief! — maar Moore gebruikt dankbaar het materiaal van de leraar van de schoolklas.

Ook veel ander materiaal is hem in handen gespeeld door omroepmedewerkers die over beelden beschikten van vlak voor of na een live-uitzending. Zo is Bush voornamelijk te zien op vakantie, waar hij ontspannen zijn dagelijkse, wanhopig stemmende strijd met de eigen taal levert, en veel, heel veel golf speelt. Nadat Bush op de green opnieuw krachtdadig heeft verklaard de terroristen «uit hun holen te roken», vraagt hij aandacht van de cameraman voor zijn slagtechniek. «Let vooral op de bal die ik nu ga slaan!» Hij wroet opzichtig in zijn herinnering naar «de belangrijke kwesties» waarover «Condi» (nationale veiligheidsadviseur Condoleezza Rice) hem die middag zal informeren. Hij weet het even niet meer.

Is Fahrenheit een goede film? Het weekblad Newsweek stelt: «Dat ligt eraan waar je staat, politiek gezien.» Een andere commentator noemt de film «goede propaganda». Zij bedoelt eigenlijk propaganda voor de goede zaak. Of het goede propaganda is, valt te bezien. Want Moore doseert slecht. Hij wil in alles de inherente slechtheid van de mannen aan de macht zien. Omdat hij al zijn darlings ten tonele wil voeren, is het effect soms potsierlijk. Zo merkt hij zelfs op dat Bush in de nacht van 10 op 11 september sliep tussen «lakens van fijn Frans linnen». Zou Bin Laden hebben afgezien van de aanval als Bush op een zelfde stretcher had geslapen als de terroristenman zelf? En vaker is niet duidelijk waar demagogie eindigt en argumentatie begint. Zo blijft de hele film onduidelijk wat Moore nu precies wil aantonen met de vermeende belangenverstrengeling van de Saoedische koninklijke en Amerikaanse presidentiële familie. Moore wekt de suggestie dat Bush vanwege zijn warme banden met de Saoedi’s, waaronder de familie Bin Laden, in Afghanistan niet meer soldaten inzette dan het aantal agenten in Manhattan, en dat hij vrij snel achter Saddam aanging in plaats van al-Qaeda te vernietigen, om de aandacht af te leiden van de bevriende Saoedi’s. «De film is een opiniestuk», zegt hij zelf. Daardoor beklijven de aanklachten niet echt, schokken ze het wereldbeeld van een krantenlezende kijker niet.

De reactie van de grootste aangeklaagde, het investeringsconglomeraat Carlyle, is treffend. Deze organisatie, waarin rijke Saoedi’s samenwerken met vice-president Cheney en vader Bush om miljarden dollars aan pensioengeld te beleggen, wilde aanvankelijk actie ondernemen tegen de film. Maar na het zien ervan verklaarde communicatiedirecteur Ullman: «Moore schetst ons voornamelijk af als winsthongerig, meer dan als een organisatie die de wereldmacht in handen wil krijgen. Dus eigenlijk komt hij tot de conclusie dat we goede investeerders zijn. Waarover zal ik dan klagen?»

Je kunt zelfs beweren dat het effectbejag soms het smakeloze overschrijdt. Een zwaar gewond of inmiddels overleden jongetje (dat blijft onduidelijk) wordt uit een wrak gedragen. Het is zichtbaar dat hij eerder van angst in zijn broek heeft geplast. Ook zien we burgers in Iraakse ziekenhuizen met weinig kans op overleven. Daar doorheen snijdt Moore beelden van het jonge popsterretje Britney Spears, dat met een onnozel stemmetje de mensen oproept «gewoon de president te volgen in alles wat hij doet».

Dat de film de langst durende staande ovatie in de geschiedenis van het filmfestival van Cannes te beurt viel, zegt vooral veel over de politieke voorkeuren van het publiek, minder over de kwaliteit van de propaganda. Toegegeven, iedere documentaire die pretendeert de waarheid, of «die andere waarheid» te vertellen, moet het hebben van suggestieve manipulatie. Maar te veel vals sentiment en vette effecten staan een lovend artistiek oordeel in de weg.

Toch komt Michael Moore de eer toe filmmateriaal te tonen dat niet voorbij de redacties van de landelijke omroepen is gekomen. Voordat de foto’s uit de Abu Ghraib-gevangenis naar buiten kwamen, had hij al beelden van vernederingen van Iraakse gevangenen. Er zijn soldaten te zien die «grappen» maken over een dode «Ali Babi». («Deze Ali Babi heeft nog steeds een stijve!»)

Afgelopen week zei Moore keer op keer dat het hem er vooral om gaat mensen te bereiken die anders op Bush stemmen, of die niet stemmen. Aan de bioscoopbezoekers in Washington DC te zien preekt Moore desondanks voor eigen parochie. Het is de traditionele sympathisant van Democratische presidentskandidaten die zich in de ellen lange rij voor de bioscoop heeft geschaard: zwarten, vrouwen, alternatief geklede studenten en buitenlanders. Tijdens de film wordt dikwijls geklapt en soms gejoeld. Producent Weinstein beweert dat de bioscopen ook uitverkocht zijn in stadjes met een militaire basis en in staten als Wyoming en Montana, waar weinig tot geen Democraten wonen.

Moore lijkt alles te doen om de inwoners van de zogenoemde red-states te paaien, waar de meerderheid Bush stemt. Hij is een typische Amerikaan, met baseballpet, een royaal eetpatroon en heldere politieke opvattingen: allesbehalve de typische, tolerante Oostkust-liberaal met een dure opleiding. Ondanks zijn appartement van twintig miljoen op Manhattan is het waarschijnlijk geen spel. Tegen een Nederlandse journalist zei hij ooit: «Flint hanteer ik altijd als norm, voor alles.»

Met de meetlat van de ellende in Flint wordt Bush eindeloos veel weerzinwekkender dan Clinton en Gore. Bush kondigde immers aan een «compassionate» conservatief te zijn, terwijl Clinton en Gore eerlijk de door Moore verfoeide «globalisering» koesterden als panacee voor alle kwalen, zowel in heden als in toekomst. Bush is stroman van het grootkapitaal, maar zegt zich door de christelijke moraal te laten inspireren. Die hypocrisie is Moore teveel. Waarschijnlijk zal «de strandbal», zoals Ralph Nader hem onlangs noemde, pas tot rust komen wanneer er een president is die werkelijk om steden als Flint geeft.