Eigenlijk gebeurt er niets

Alles kan kapot. Het kan niet anders of ik ben wel eens vaker zo een recensie begonnen, want ik denk het altijd als ik een boek lees dat zich niet echt lekker laat plooien.

De schrijver lijkt zijn verhaal niet ronduit te willen vertellen, en heeft de boel in stukjes geknipt of achterstevoren geplakt, of hanteert consequent een dusdanig onhandige schrijftechniek dat je wel van een stijlkeuze moet spreken, zoals ik dat ook denk als iemand raar haar heeft of een lelijke stijve rok draagt. Literatuur is vaker nog een kwestie van geloof dan van begrip. Naar aanleiding van twee recente uitgaven die beide op hun manier de lezer tarten, dacht ik andermaal hoe precair het is of een schrijver wel of niet dat geloof af weet te dwingen.

Medium maartje 20wortel
De urgentie van de verteltoon maakt dat je naar haar luistert, of je wil of niet

In haar debuutroman Mensen zonder uitstraling geeft Jente Posthuma een kwetsbaar verhaal langzaam gestalte in korte zinnen die hun bijzonderheid vooral ontlenen aan hun onverwachte opeenvolging. ‘De borsten van de vrouw aan de pokertafel hingen een beetje. Verder gebeurde er weinig.’ Een pubermeisje blijft alleen achter met haar vader als haar moeder aan een slopende ziekte is overleden. In de eerste drie hoofdstukken rijst het beeld van een strenge, ongrijpbare moeder die actrice was, en bezeten was van de gedachte dat je jezelf moet laten zien aan de wereld. ‘Ze wilde graag dat ik bijzonder was, een wonderkind zoals Mozart, of Jezus zelfs. Ze deed haar uiterste best om iedereen dat te laten geloven.’ In werkelijkheid lijdt de hoofdfiguur aan angsten en complexen, die haar in de armen drijven van de oudere getrouwde schrijver. Na haar eindexamen vertrekt ze naar Parijs om zelf een boek te schrijven, en tja, wat gebeurt er zoal met een meisje op die leeftijd, alleen in de grote stad… Alles en niks, en vooral dat laatste. Aan een man op straat legt ze uit waarover haar boek zal gaan. ‘“Eigenlijk gebeurt er niets”, zei ik. “Ze schrijft geen boek en ontmoet niemand.”’

Wezenloosheid ligt voortdurend op de loer in deze kleine roman over een nabij gegeven, en er ligt nog iets op de loer, wat te maken heeft met die nabijheid: de schrijfster vindt haar hoofdpersonage wel erg interessant. Geen observatietje blijft onvermeld, natuurlijk is zij de gevoelige ziel te midden van de rest van de mensheid die dik is, oud en gehuld gaat in te strakke truien. ‘Alles is grijs, dacht ik voortdurend.’ Maar hoe bijzonder is het als iemand haar scriptie niet geschreven krijgt, en in plaats daarvan naar mtv en Oprah Winfrey kijkt? Af en toe glimt er een stukje conversatie op met de vader die haar uitlegt dat vrijheid helemaal niet zo geweldig is. ‘Uiteindelijk betekent het gewoon dat je in je eentje thuiszit.’

Medium posthuma 2c 20jente

Halverwege het boek lijkt de schrijfster zichzelf te bevrijden uit haar ‘kijk mij eens apart zijn’-kramp. Zozeer dat het is alsof ze opnieuw is begonnen, maar het oude niet vaarwel heeft kunnen zeggen. Vanaf bladzijde 99, met het hoofdstuk ‘Niet doodgaan’, is de toon een stuk voortvarender, ernstiger en luchtiger. De vertelster is 33, bezeten van een kinderwens en maakt een rondgang langs potentiële vaders in spe. Man, rijbewijs, en ja, baby, het verhaal wordt er waarlijker op. Opeens zijn de terugblikken op de ergernissen en tics van de vertelster ook beter te behappen, al was het maar vanwege de komst van Arthur die haar zegt waar het op staat: ‘Je bent een vrouw geworden die zeikt.’

Meer nog dan Posthuma doet Maartje Wortel een beroep op de ontvankelijkheid van haar lezer: het is meegaan met de stroom of verzuipen. Haar radicaliteit is haar kracht. Afgezien van wat er precies aan de hand is in het feestelijk uitgegeven verhaal Goudvissen en beton, de urgentie van de verteltoon maakt dat je naar haar luistert, of je wil of niet. ‘Er zit een groot verschil tussen echt willen of het denken’, staat er op zeker moment, in punt 9 – als in een manifest is dit verhaal onderverdeeld in punten. ‘Als je iets echt wilt begint het willen op het moment dat het zich aandient.’ Met vaste hand voert Wortel de suspense op, en gaan we van een Vatersuche naar een noodlotsdrama. Er is steeds meer sprake van een toegesprokene, een liefde die nog bevochten moet worden, tegen de regels in. De ingrediënten zijn vreemd, de opdienwijze idem, maar de kok is onverbiddelijk: eten. ‘Ik laat je niet achter. We hijsen de vlag.’ Ik geloof dat Wortel hier het oude verhaal van verlies en opnieuw beginnen een nieuw leven inblaast.

Beeld: (1) Jente Posthuma (Bas Uterwijk); (2) Maartje Wortel (Keke Keukelaar)