Eigenlijk wil hij alleen met paarden praten

Julian Cartwright, Andermans geld, 19,95

Ook een eerbiedwaardige driehonderd jaar oude Londense bank wordt door begeerte aangeraakt. Nieuwbakken directeur Julian Trevelyan-Tubal bankier tegen wil en dank, sluist zijn stromen geld heen en weer om de bank zo snel mogelijk aan een grote Amerikaanse firma te kunnen verkopen. Zijn vader, sir Harry, slijt na een beroerte zijn laatste dagen in een villa bij Antibes. De enige die hem nog lijkt te verstaan is Estelle, de vrouw die vroeger voor hem vlijmscherpe brieven aan bankdirecteuren en ministers schreef. Toen Harry’s eerste vrouw zelfmoord pleegde, hoopte ze haar plaats in te nemen maar moest toezien hoe een actrice van 25 de gelukkige werd. Toch verzorgt ze hem sinds jaar en dag als huishoudster. In de waan dat hij nog alles bestiert, dicteert de oude man dagelijks adviezen aan zijn zoon, waarvoor Estelle de restjes taal en geluiden uit zijn mond trekt en vertaalt. Voordat de zoon hem tot de ondertekening van een onbeperkte volmacht beweegt, geeft Harry zijn trouwe dienares een Matisse cadeau, waarde 25 miljoen. Na zijn dood wordt haar het schilderij weer listig afgetroggeld, wat alleen lukt omdat voor haar belangrijker is dat zij bij de familie hoort.
Het eigenaardige aan deze roman, die abusievelijk als thriller wordt geafficheerd, is dat de strekking lijkt te zijn dat alle personages, maar dan ook allemaal, door hebzucht gedreven worden, en dat er daarom alleen maar een gradueel verschil bestaat tussen de grote graaiers, die van het oude geld én van de snelle hedgefondsen, en de anderen, van parasieten, profiteurs tot en met de chauffeurs en postbodes.
Dat is letterlijk de boodschap. Op het laatst is de hoofdredacteur van een provinciale krant, een voormalige rooie rakker, aan een missie bezig om ‘de traditionele arrogantie en minachting van de hoogste financiële klassen ten opzichte van gewone mensen’ te onthullen. Dan komt opeens voor het eerst én het laatst de auteur tussenbeide door op te merken dat de hoofdredacteur en zijn medesamenzweerder vergaten dat het idee van 'de mensen als samenhangende en zich fatsoenlijk gedragende groep’ altijd al een mythe is geweest. De harde waarheid is: 'In elk leven overheerst het geld.’ De conclusie geldt voor iedereen, zonder één uitzondering: de kunstenaar bijvoorbeeld is net zo erg als de geldwolf van professie.
De van oorsprong Zuid-Afrikaanse Justin Cartwright (1945) is literair bedreven genoeg om bij zo'n onderwerp zo veel mogelijk karikaturen te willen vermijden; het moesten mensen van vlees en bloed worden - de grap is alleen dat ze daardoor nog karikaturaler worden. Als je erop gaat letten blijkt ieders leven weliswaar door geld beheerst, maar de motieven die doen en laten bepalen zijn andere dan hebzucht. Estelle is daarvan een sprekend voorbeeld: zij wil erkenning, zij wil erbij horen. De jonge weduwe van Harry, Fleur, blijkt ten slotte naar niets méér te snakken dan het eenvoudige geluk - dat ze vindt bij een levensblije schipper. Cartwright behandelt keurig na of naast elkaar de verschillende hoofd- en bijpersonen; ook verblinding en inzicht zijn evenwichtig verdeeld. Zo zijn er tientallen zinnen die zeggen dat Fleur opeens iets inziet of beseft: 'In de tijd dat ze probeerde te acteren geloofde Fleur dat kunstenaars echt de sleutels tot het koninkrijk in handen hebben, maar later kwam ze tot het besef dat onze wereld in feite wordt bestierd door bankiers.’
Zelfs na achttien jaar vruchtgebruik dringen nog elke dag nieuwe waarheden tot haar door. Ze heeft gezien hoe haar man, een zogenaamde kunstenaar, werd afgekocht toen Harry haar overnam. Als nu blijkt dat diens riante toelage door de familie is stopgezet, koopt zij hem opnieuw af - om te vermijden dat hij familiegeheimen aan de grote klok hangt - met een fors bedrag uit haar eigen spaarpot. Maar ze blijft de kunstenaar bewonderen om zijn geloof in de kunst en haar kracht. De toneelschrijver is precies wat je van een kunstenaar verwacht, een zelfzuchtige opportunist. Ver in de zeventig moet hij het nog hebben van succes van toneelstukjes als Thomas de stoomlocomotief voor vermaledijde dikke verwende kindertjes. Meer voldoening vindt hij in de plannen voor een toneelstuk van vijf uur over Flann O'Brien, aan elkaar geflikt met stukken uit diens roman.
En dan de hoofdredacteur die lucht krijgt van de malafide praktijken van de bank: hij wordt gedreven door rancune, een mengsel van afkeer van alles wat geld en macht heeft en minstens even grote jaloezie. De studente filosofie en sociologie die in zijn krant een succesvolle blog over cupcakes en makarons schrijft, krijgt een anonieme tip over de bank - ook weer van een rancuneuze ex-betrokkene - maar zit in de piepzak als haar baas met behulp van haar 'een verwoestende storm’ wil opwekken en zelfs het kapitalisme ten val wil brengen. Zij weet van niks en wil ook van niks weten, zij is niet op geld uit, raakt tegen haar wil en zin bij iets groters betrokken, maar wil alleen maar carrière. Zelfs de huidige bankdirecteur baalt, eigenlijk wil hij alleen maar met paarden praten.
De schaduw van de boodschap dat iedereen door geld beheerst wordt, is de nuancering dat bij levende mensen nog andere beweegredenen in het spel zijn. Het resultaat is een boterzachte satire. Zelfs de Financial Times kon de roman een 'feelgood novel about the financial crisis’ noemen. Vergeleken met de film Inside Job is de roman vooral interessant als voorbeeld hoe zo'n onderwerp literair niet aangepakt moet worden. Cartwright heeft duidelijk veel research verricht, maar in feite vergaarde hij vooral stof voor een soapserie.

JUSTIN CARTWRIGHT
ANDERMANS GELD
Uit het Engels (2011) vertaald door Marian Lameris en Rob van der Veer, Mouria, 302 blz., € 19,95