‘Lamentations of Judas’ in Zuid-Afrika

‘Eigenlijk zijn we allemaal slachtoffer’

Een documentaire, een beamer, acht voorstellingen en een reis van 3200 kilometer door Zuid-Afrika. De verhalen van Angolese soldaten die aan de verkeerde kant van de geschiedenis vochten maken veel los.

Luister naar dit artikel

Boris Gerrets regisseert de gemeenschap in Pomfret voor het laatste avondmaal © Pier van den Elsen

Waar ik vandaan kom, vraagt ze, en wat ik hier kom doen. De zwarte vrouw werkt een hele lijst vragen af en noteert de antwoorden. We kunnen niet om haar heen, want zij bedient de slagboom die toegang geeft tot het Freedom Park Museum, aan de rand van Johannesburg. Haar blik gefixeerd op haar formulier. ‘Heeft u een computer bij u?’

‘Een laptop, ja’, antwoord ik.

‘Kunt u die even laten zien?’ Ze schrikt als ik de autodeur opendoe en deinst achteruit. Dit voelt als een roadblock. We willen alleen maar het museum bezoeken. Mohau, mijn reisgezel achter het stuur, windt zich op. ‘Wat is er aan de hand?’ vraagt hij. Zij kijkt niet op of om. Ik pak mijn schoudertas achter uit de auto en laat mijn laptop zien.

‘Heeft u daar een aankoopbon van?’ Ik ben verbijsterd. Mohau is ook uitgestapt en komt erbij staan. ‘Wat wil ze?’

‘De aankoopbon van mijn computer.’ Er knapt iets bij Mohau en hij valt uit naar de vrouw. ‘It’s an outrage!’ roept hij. Hij torent boven haar uit met zijn dreadlocks. ‘Wij willen een bezoek brengen aan Freedom Park, uitgerekend het museum dat gaat over onze gezamenlijke identiteit na apartheid.’ De vrouw kijkt nog steeds strak naar haar formulier, haar houvast. ‘The Rainbow State, weet je nog, darling?’ Ondertussen loopt hij terug naar zijn portier. ‘Je doet het alleen omdat hij wit is’, roept hij over de auto naar haar en stapt in. Ik voel me opgelaten. Enerzijds is het belachelijk dat ze me het onmogelijke vraagt; aan de andere kant, zo stel ik me voor, doet ze dat wat tijdens apartheid de zwarte bevolking vaak moest verduren.

‘Kom op, Eric. We gaan. Fuck Freedom Park!’ Mohau neemt weer plaats achter het stuur. Ik stap ook in. Hij draait de auto om en rijdt hard weg, de vrouw verbouwereerd achterlatend.

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Eric Velthuis over zijn reis door Zuid-Afrika met zijn film. Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

Ik leerde Mohau Memeza (38) kennen toen wijlen regisseur Boris Gerrets (overleden op 26 maart 2020) en ik een jaar of vier geleden de eerste researchreis maakten naar Zuid-Afrika voor de documentaire Lamentations of Judas. Ik was de producent van de film en Mohau onze uitvoerende producent ter plaatse. Een geëngageerde jonge, zwarte Zuid-Afrikaan. Bezorgd om zijn land en begaan met zijn volk. We zijn bevriend geraakt.

Het was zijn idee: met een beamer, een projectiescherm en deze documentaire op reis gaan door Zuid-Afrika.

Lamentations of Judas is een documentaire over het 32ste bataljon. De oude Angolese veteranen wonen in het afgelegen dorp Pomfret, aan de rand van de Kalahari-woestijn. In 1975, toen in de Koude Oorlog de Portugezen als koloniale macht vertrokken uit Angola, ontbrandde er een bloederige burgeroorlog. De communisten grepen de macht. Dit baarde Zuid-Afrika grote zorgen. Zij rekruteerden Angolese soldaten uit de anticommunistische milities en vormden daarmee het 32ste bataljon. Na een lange strijd van bijna vijftien jaar trok Zuid-Afrika zich terug uit Angola. Het 32ste bataljon moest een veilig heenkomen zoeken. Het toenmalige apartheidsregime haalde hen naar Zuid-Afrika en bood onderdak aan in Pomfret. Maar niet zonder wederdienst. Ze werden ingezet als ordetroepen in de Zuid-Afrikaanse townships en maakten naam als ‘De Verschrikkelijken’. Deze bejaarde veteranen, voorzien van een schamel veteranenpensioentje, wonen nog steeds in het deplorabele Pomfret.

Ze hebben zich in het verleden laten verleiden tot een verkeerde keuze. De een door een belofte van werk en inkomen, de ander was nog maar een kind, en weer een ander kon niet anders omdat familie of kennissen met de dood werden bedreigd. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze sindsdien hebben moeten leven met dit pijnlijke verleden. Als zwarte soldaten hebben zij aan de kant van het apartheidsregime gevochten en verloren. Ze zitten nu vast in het Zuid-Afrika dat zich verlost heeft van apartheid en leven ver verwijderd van de Zuid-Afrikaanse samenleving in het desolate Pomfret.

In een poging de mannen te laten reflecteren op hun verleden heeft Gerrets hen geïnterviewd en gevraagd te acteren in scènes uit het door de katholieke kerk niet erkende evangelie van Judas Iskariot. Daarin worden de laatste dagen van Jezus verteld vanuit het perspectief van Judas. Sommige veteranen draven op als soldaten die Jezus arresteren en opbrengen voor de kruisiging, anderen spelen de rol van discipel.

Parallel hieraan onderwerpt Gerrets de mannen aan interviews, waarin hij ze vraagt hun pijnlijke keuzes uit het verleden te vergelijken met de rol van de soldaten in het evangelie.

Lamentations of Judas is daarmee een documentaire die verder gaat dan alleen het tragische verhaal van deze veteranen. De film vertelt een universeel, humanistisch verhaal, waarin de eenduidigheid van begrippen als goed en fout ter discussie worden gesteld. Om aan de verkeerde kant van de geschiedenis terecht te komen hoef je niet per se een fout mens te zijn.

Filmvertoning in Kwaggafontein © Eric Velthuis

Om te polsen hoe de film valt in het land waar die gemaakt is, organiseerden we in maart 2020 een voorvertoning in Johannesburg. We nodigden een kritisch publiek uit van collega-filmmakers, producenten, journalisten en schrijvers uit Zuid-Afrika. De reacties na afloop waren overrompelend. ‘Meedogenloos’. ‘Pijnlijk tot op het bot’. ‘Een universeel verhaal’. ‘Belangrijke film die de hele wereld moet zien’. Collega-producent en filmmaker Rehad Desai (How to Steal a Country, 2019 en Everything Must Fall, 2019) kwam naar me toe. ‘Mijn vader vocht tegen apartheid. Ik ben ermee opgevoed dat deze mannen het kwaad waren. Verraders van ons ras. Van mijn vader hadden ze dood gemogen. Maar, shit, ik zie voor het eerst dat het mensen zijn, gewoon mensen. Het raakt me. M’n vader draait zich om in zijn graf. Deze film moet gezien worden in dit godforsaken land. Tot in de meest afgelegen uithoeken.’

Een half jaar later belt Mohau me. ‘Ik heb een tour georganiseerd; 3200 kilometer, acht vertoningen in tien dagen’, zegt hij. Voor deze tour heeft hij de hulp ingeroepen van de grootste ngo van het land, de Khulumani Support Group (ksg), opgericht in 1995 door slachtoffers van apartheid.

De afschaffing van apartheid was geen slagveldoverwinning. Het was het resultaat van onderhandelingen tussen slachtoffers en daders. Om de volledige medewerking te krijgen van de voormalige regering en vooral veiligheidstroepen werd er amnestie beloofd in ruil voor volledige openheid over het verleden. Er werd meer waarde gehecht aan de waarheid dan aan genoegdoening. Dit was nog nooit vertoond in de wereld. Hiertoe werd in december 1995 de Truth and Reconciliation Commission, de trc, in het leven geroepen. Onder leiding van Nobelprijswinnaar en aartsbisschop Desmond Tutu begon men met de uiterst pijnlijke verhoren, in het openbaar, van slachtoffers en daders van apartheid. Oktober 1998 presenteerde een vermoeide Tutu het trc-rapport dat hieruit voortkwam. Hierin stonden aanbevelingen die de nieuwe en eerste democratisch gekozen regering als leidraad moesten dienen voor de vorming van een inclusieve samenleving, voor de vorming van niet minder dan de Rainbow State.

Met regelmaat wijst de ksg de regering erop dat er na bijna 22 jaar nog steeds weinig tot niets is gebeurd met de aanbevelingen uit het rapport. Met de ksg aan boord beschikt Mohau ineens over een enorm netwerk van lokale vrijwilligers die hem zullen helpen met het opzetten van de vertoningen in community houses, kerken, scholen en op dorpspleinen.

Mohau is enthousiast. ‘Hoe gaan die dorpelingen reageren op een film die begrip vraagt voor hun vijanden van weleer? Zijn zij in staat “the terrible ones” te zien als slachtoffers?’ Tot slot zegt hij: ‘En volgens mij moet jij daarbij zijn.’

‘Hoe gaan die dorpelingen reageren op een film die begrip vraagt voor hun vijanden van weleer?’ vraagt Mohau Memeza zich af © Eric Velthuis
‘Ik zie voor het eerst dat het mensen zijn, gewoon mensen. Het raakt me. Deze film moet gezien worden in dit godforsaken land’

En dus sta ik eind november opnieuw op het vliegveld van Johannesburg. Nu niet als producent maar om Mohau te volgen op zijn reis door zijn land op zoek naar de staat van verzoening.

Het is erg heet. De zon slaat iedere nuance uit het zanderige straatbeeld van Ermelo. Drie keer zo groot als ons Ermelo op de Veluwe. Het dorp ligt er verlaten bij. Zo hier en daar, onder een boom of een afdak, zitten wat mensen in de schaduw. Als we voorbij rijden kijken ze op.

De grote bouwvallige hal die vandaag dienst doet als bioscoopzaal is op slot en niemand lijkt een sleutel te hebben. Als die even later toch gevonden wordt, is er geen elektriciteit. Mohau vindt de stoppenkast en lost het op. Dan breekt er een noodweer los. Al snel ontstaat er een klaterende waterval juist voor het inmiddels opgebouwde projectiescherm.

Amanda, een vrouw van zestig, slecht ter been en lokale vrijwilligster van de ksg, is woedend. Zij heeft de filmvoorstelling voor vandaag georganiseerd. Ze is buiten adem als ze haar enorme lichaam laat zakken op een van de vele stoelen in de hal. De afspraken die zij heeft gemaakt met de beheerder van de hal blijken onbetrouwbaar. Vanaf haar stoel slaat ze dreigende taal uit naar deze man, die in geen velden of wegen te bekennen is. Langzaam verzamelt zich een publiek van ongeveer 45 volwassenen. Veel van hen zijn oud-verzetsstrijders. Dat stemt Amanda rustiger. Het is een mooie opkomst. Men kent elkaar. Als iedereen zit en de regen is gestopt start Mohau de film.

Na afloop loopt Amanda naar voren en pakt de microfoon, die het niet doet. Inmiddels door de wol geverfd voert ze onverstoord, en onversterkt, het woord. ‘Dank je wel, Mohau, dat je helemaal hier naartoe bent gekomen, en ons deze film hebt laten zien’, zegt ze. Ze pakt een stoel, zet die midden voor het projectiescherm en gaat zitten. Gekleed in felle kleuren is zij het grote, stralende middelpunt. ‘Een jaar of dertig geleden, toen we hier in Ermelo vochten tegen apartheid, waren deze veteranen onze vijand. We stonden elkaar toen naar het leven. Hoe kijk jij daar tegenaan, Tshepo? Jij zat in het verzet, je hebt vastgezeten en bent gemarteld. Hoe zie jij deze mannen nu?’

Een wat oudere, lange, magere man op de voorste rij staat op. Hij weegt zijn woorden. ‘Het is lang geleden.’ Tshepo kijkt voor zich op de grond alsof daar de woorden liggen. ‘Dat zou tijd genoeg moeten zijn voor ons om te vergeven. Maar gelijktijdig mag je ook verwachten dat die veteranen de tijd hadden kunnen gebruiken om te begrijpen wat ze hebben gedaan. Om inzicht te krijgen in hun rol tijdens apartheid. En, eerlijk gezegd, dat valt me tegen.’ Voorzichtig treedt Mohau naar voren. Hij gaat naast Amanda staan. ‘In uw ogen zijn zij nog uw vijand?’ vraagt hij.

‘Ja.’

‘Zouden ze nog gestraft moeten worden?’

‘Dat vind ik lastig. Ik ben toen gemarteld omdat ik verdacht werd van terroristische activiteiten tegen apartheid. Mijn beul woont in Breyten, een dorp verderop. Ik kom hem wel eens tegen in de mall. Ik heb het toen gemeld bij de waarheids- en verzoeningscommissie. Maar er is nooit iets mee gedaan. Híj zou zeker gestraft moeten worden. Deze veteranen hebben natuurlijk een miserabel leven gehad. In die zin zijn ze al behoorlijk gestraft.’

‘Tshepo, je vergeet dat het nog maar kinderen waren’, zegt een vrouw achter hem. ‘Ze hadden geen keuze.’

‘Ik weet het niet. Voor een aantal van hen klopt dat, ja.’

Er ontstaat een levendige, zo hier en daar emotionele discussie. Tshepo is niet de enige die moeite heeft met de ruimte die de veteranen krijgen in de film. Zolang de persoonlijke drama’s die deze mensen te verduren hebben gehad tijdens apartheid de boventoon voeren, is er veel verwijt en woede richting het 32ste bataljon.

Mohau trekt de discussie breder. ‘Als je deze mannen hoort praten en pogingen ziet doen hun keuzes van toen te verklaren, goed te praten, hoor je heel veel onzekerheid, kwaadheid, verdriet, maar ook pertinente onzin’, zegt hij. ‘Het zijn voor mij verhalen die ze hebben bedacht om hun verleden draaglijk te maken.’ Amanda valt hem bij: ‘Maar dat verleden is in principe niet draaglijk te maken. Er bestaat, als je het mij vraagt, geen plausibel verhaal. Dat is voor mij de geruststelling. Zij hebben hetzelfde oordeel over hun verleden als wij.’ Ze richt zich tot een vrouw achter in de zaal. Er staan twee krukken tegen haar leuning geleund. ‘Iolo, blijf zitten. Jij bent tijdens apartheid uit je huis gezet, samen met je kinderen, omdat je man in het verzet zat. We hebben het mede aan jouw man te danken dat er een einde kwam aan apartheid en het anc aan de macht kwam. En nog steeds, na ruim 25 jaar, heb je je huis niet terug. Hoe zie jij het 32ste bataljon? Zijn ze voor jou nog steeds de vijand?’

‘Nee, ik heb met ze te doen. Als je naar hun verhalen luistert, maar vooral ook als je naar ze kijkt, zie je de wanhoop. Ze moeten met rust gelaten worden.’ Tshepo interrumpeert: ‘Wat ik merk is dat, los van één of twee mannen die oprecht spijt hebben van wat ze hebben gedaan, het merendeel vooral spijt heeft van het harde leven dat ze daarna hadden.’

‘Zelfs dan vind ik dat ze genoeg geleden hebben, Tshepo’, zegt Iolo. ‘Het zijn oude mannen, aan het einde van hun leven. Amanda heeft gelijk. In feite veroordelen zij hun verleden net als wij dat doen. Daar moeten ze mee leven. En dat stelt mij ook gerust.’

Amanda mengt zich erin. ‘Als je in staat bent het zo te zien, dan blijven er parallellen over, tussen het leven van deze oude veteranen en dat van ons. Zij hebben gevochten, aan de verkeerde kant, en hebben daarmee hun respect verloren. Ze hebben een miserabel leven gehad. Wij hebben gevochten, en gewonnen. Maar ook wij krijgen geen respect. Het anc heeft ons in de steek gelaten. Als je het zo kunt zien, dan zijn we eigenlijk allemaal slachtoffer van apartheid. En ik denk dat we dat besef nodig hebben om verder te komen in dit land.’ Zonder iets te zeggen loopt Tshepo de zaal uit. Amanda kijkt hem na. ‘Jammer dat je nu gaat, Tshepo.’ Met zijn hand slaat hij die woorden van zich af. Hij heeft genoeg gezegd.

Jonas Luvango als Judas Iskariot in Lamentations of Judas © Nik Hofmeyr

Het is druk op de weg. Dit is de provincie Mpumalanga, de belangrijkste mijnstreek van het land. Een leeg glooiend landschap doorsneden met kaarsrechte wegen. Grote kunstmatige bergen, mine dumps, bestaande uit zand en steen uit de mijnen, liggen her en der verspreid. We delen de snelweg met enorme vrachtwagens.

Eerst valt het me niet zo op en denk ik dat de witte kruizen langs de weg bermaltaartjes zijn voor verkeersslachtoffers. Maar na verloop van tijd zijn het er zoveel dat ik me niet kan voorstellen dat dit allemaal mensen zijn die zijn omgekomen in het verkeer.

‘Het zijn protestkruizen’, zegt Mohau. ‘Ieder kruis staat voor een plaasaanvalle (boerderijmoord).’ Hij vertelt dat de kruizen geplaatst worden door witte boeren, die beweren dat er een langzame genocide gaande is onder de witte boeren. ‘De boeren zeggen dat het georganiseerde aanvallen zijn, raciaal gemotiveerd door het anc.’

‘Klopt het niet?’ vraag ik.

‘Het anc ontkent dat en zegt dat de plaasaanvalle gewoon onderdeel zijn van de criminaliteit in Zuid-Afrika. Want als zij zouden toegeven dat het om racistische aanvallen gaat, zou dat betekenen dat een zwarte bevolking, ooit bevrijd van racisme, zich nu zelf schuldig zou maken aan racisme.’ Mohau lacht cynisch. ‘En zo houden ze elkaar in de tang.’

‘We waren allemaal soldaten, we volgden bevelen op, alleen vochten we voor verschillende idealen. We zijn lotgenoten’

Hoe dichter we het dorp Mahikeng naderen, hoe donkerder de onweerswolken achter ons. Als we aankomen worden we snel geholpen met het uitpakken van de apparatuur door Moeder Molethliwa en wat jonge kinderen. ‘Er waren veel toezeggingen’, zegt Moeder, terwijl ze zorgelijk naar de naderende wolken kijkt. ‘Maar als die wolken waarmaken wat ze beloven, komt er geen mens.’ Mohau stelt voor de mensen met de auto van huis te halen voordat het onweer losbarst. Na een paar keer heen en weer pendelen is er een groep van vijftien vrouwen en wat kinderen bijeen. Veel minder dan waar Moeder op had gerekend. Als laatste sluipt er nog een man naar binnen. Hij blijft achter in de zaal bij de ingang staan. Vermoedelijk om te schuilen voor het aanstormende noodweer.

Net als Mohau de film start, breekt het onweer los. Dan blijkt dat het gebouw een zinken dak heeft. Het is een hels kabaal. Hij stopt de film en we wachten tot het lawaai afneemt. Er volgt een voorstelling die met horten en stoten, van stroomstoring naar stroomstoring, van onweerskabaal naar onweerskabaal gaat, en waar het geluid, tien minuten voor het einde, er op onverklaarbare wijze helemaal mee ophoudt. De film is nog maar net afgelopen of Moeder staat op en loopt naar voren. Haar irritatie van voor de voorstelling is nog niet geweken.

‘Ik schaam me’, begint ze. ‘Mohau is helemaal uit Johannesburg hier naartoe gekomen om deze film te laten zien. Ik had hem toegezegd dat er 48 mensen zouden komen. Waar is iedereen? Altijd hetzelfde liedje.’ Moeder oogt moedeloos. En net als ik denk dat ze dit verhaal vooral moet houden voor de mensen die niet zijn komen opdagen, zegt ze: ‘Het zou fijn zijn als jullie dit willen doorgeven aan de mensen die niet zijn komen opdagen.’ Ze komt wat tot bedaren. Niemand zegt wat. Dan loopt de man achter uit de zaal naar voren.

Wat onwennig vraagt hij het woord. ‘Natuurlijk, Thomas. Ga je gang.’ Moeder is opgelucht dat iemand het woord neemt.

‘Het zou goed kunnen dat ik tegenover deze veteranen heb gestaan op het slagveld’, zegt hij. ‘Ik was soldaat in de MK (de militaire tak van het anc – ev) in de jaren tachtig en negentig. Ik heb met de communisten in Angola gevochten tegen het toenmalige sadf (South African Defence Force – ev). We waren allemaal soldaten, we volgden bevelen op, alleen vochten we voor verschillende idealen. We zijn lotgenoten. Na apartheid werden we onderdeel van het nieuwe sadf.’

‘Jij en die veteranen hebben net niet in hetzelfde leger gediend’, zegt Mohau. ‘Toen de MK in het sadf opgenomen werd, werd het 32ste bataljon er juist uitgezet.’

‘Ja, wij hadden gewonnen’, zegt Thomas alsof het net zo goed anders had kunnen zijn. Het onweer klinkt op afstand.

Affiche met aankondiging van de vertoning in Moutse © Eric Velthuis

Op de laatste dag van de tour en mijn verblijf in Zuid-Afrika hebben we nog wat tijd over voordat mijn vlucht naar Amsterdam vertrekt en bezoeken we het Voortrekkermonument.

‘Is die monument vandag oop?’ vraagt Mohau in het Afrikaans. We staan stil voor een slagboom.
‘Sekerlik meneer’, antwoordt een vriendelijk lachende, witte vrouw vanachter een loket door een openstaand raam.
‘Wat kry jy van my?’ vraagt Mohau terwijl hij geld pakt uit zijn binnenzak.
‘Twee volwassenes is 30 rand saam en 20 rand vir parkering.’ Mohau betaalt.
‘En jy praat mooi Afrikaans. Jy hoor nie so dikwels ’n swart persoon wat so goed Afrikaans praat nie.’ Ze geeft wisselgeld terug.
‘As ek die Voortrekkermuseum besoek, moet ek ten minste Afrikaans praat. Anders gee u my nie toegang nie.’ Lachend doet de vrouw de slagboom omhoog.

Het Voortrekkermonument is het pompeuze nationale museum waar het verhaal verteld wordt over de Grote Trek, de heroïsche emigratietocht uit De Kaap. Vanaf 1835 trokken zo’n twaalfduizend Nederlandstalige Afrikaners landinwaarts, deels om de Engelsen te ontvluchten en deels op zoek naar Lebensraum. Daarbij werd veel land veroverd op de oorspronkelijke bewoners.

Mohau en ik lopen door de 41 meter hoge zogenaamde Heldenhal, een soort tempel in het hart van het museum. Het is er druk. Hij merkt op dat hij de enige zwarte persoon is in deze ruimte. Er lopen vooral witte gezinnen rond. ‘En dat op een plek die helemaal ingericht is met de heroïek die ten koste is gegaan van mijn volk. Telkens als ik hier ben heb ik het gevoel dat dit niet mijn geschiedenis is. Dit gaat niet over mij. Ik denk dat als je het deze mensen vraagt ze eigenlijk vinden dat dit allemaal meer over jou gaat, als Nederlander, dan over mij. Kom, ik ben hier wel klaar. Laten we gaan.’

‘Gaan jy ons al weer verlaat?’ roept de vrouw achter het loket ons toe, als we voorbij rijden.
‘Bietjie te veel voortrekkers vir my!’ roept Mohau terug. We zwaaien naar elkaar.

Vertoning in Mahikeng, Moeder Molethliwa spreekt de gemeenschap toe © Eric Velthuis

‘We hebben een afslag gemist’, zegt Mohau. De zon gaat onder en dat gaat rap in Zuid-Afrika. We rijden over een brede zandweg, geribbeld als een verse skipiste in de ochtend. Hoe harder je rijdt, hoe minder je van de oneffenheden merkt. De koplampen duwen de duisternis een meter of acht voor ons uit. Terwijl ik me afvraag of dat voldoende is om te remmen, in geval van nood, slipt Mohau de auto een oprit aan de linkerkant van de weg in. ‘We moeten terug’, zegt hij. De lichtbundels beschijnen een groot bord naast een gesloten hek. ‘Coetzee Farm, wines and lodges’ staat er. Terwijl hij bezig is de auto achterwaarts weer de weg op te krijgen vraag ik hem of hij de schrijver Coetzee kent. ‘Een van jullie Nobelprijswinnaars voor de literatuur’, voeg ik er voor de zekerheid aan toe. ‘Ik lees geen witte Afrikaners’, zegt hij en geeft weer gas. Ik vraag me af of hij serieus is. Hij heeft Afrikaanse literatuur gestudeerd, dus Coetzee moet hij kennen. Ik vraag er verder niet meer naar.

We rijden in het donker over de R21. De verkeerschaos rondom Johannesburg is enorm. Langzaam maar zeker naderen we het vliegveld. We blikken terug op de afgelopen tien dagen. Ik vraag Mohau hoe hij het vond gaan. ‘Wisselend’, zegt hij. ‘In Ermelo bleef de discussie in de buurt van de thematiek van de documentaire. Tshepo heeft veel indruk op me gemaakt. Je zag hem worstelen met zijn vastgeroeste oordelen, die volkomen te begrijpen zijn. Of hij nu in staat is de veteranen als slachtoffer te zien weet ik niet. Maar de film heeft hem wel aan het denken gezet.’

Niet overal bleven de discussies na afloop zo dicht bij de thematiek van de film. In Whittlesea ging het bijvoorbeeld vooral over de landonteigeningen die na de afschaffing van apartheid plaats hebben gevonden. Bewoners van het dorp moesten plaatsmaken voor gevangenen van Robbeneiland, veelal verzetsstrijders van het anc, die na apartheid werden vrijgelaten en onderdak nodig hadden. Menigeen is teleurgesteld over de wijze waarop het anc dit heeft afgehandeld. Van een tegemoetkoming is nauwelijks sprake geweest. In Makanda, met een opkomst van niet meer dan acht mensen, genereerde de documentaire een discussie over de corruptie van de gemeente. Men voelt zich volledig in de steek gelaten door de eigen zwarte regering.

In Mosselbaai, een gemeente met voornamelijk kleurlingen, vond een heftige raciale discussie plaats. De gemeenschap voelt zich in de steek gelaten door hun anc-regering omdat zij niet zwart genoeg zouden zijn. In hun ogen krijgt de zwarte bevolking veel meer gedaan dan zij. En in Mokopane kwam helemaal niemand opdagen en hebben we de voorstelling afgelast. ‘Wie ook indruk maakte was Thomas in Mahikeng. De kans is groot dat hij als MK-soldaat oog in oog heeft gestaan met het 32ste bataljon. Hij begrijpt die mannen. Hij kent dat soort mannen. Voor hem is het 32ste bataljon geen abstract vijandsbeeld. Hij was in staat ze als lotgenoten te zien.’

Op de radio is een gesprek gaande met onderzoeksrechter Raymond Zondo. ‘Het anc doet niet eens meer zijn best het te verhullen’, hoor ik hem zeggen. De Zondo-commissie doet, in opdracht van de huidige president Cyril Ramaphosa, een grootschalig onderzoek naar misstanden binnen de regering. Hij vertelt over het schaamteloze opportunisme dat veel politici aan de dag leggen. ‘De corruptie binnen het anc vindt zijn voorlopige hoogtepunt in de weigering van voormalig president Zuma om voor de commissie te verschijnen. Hij erkent de commissie niet. En iedereen weet dat hij daarmee voor de zoveelste keer probeert onder vervolging uit te komen.’

Mohau zet de radio wat harder. ‘Zuma’s arrestatie staat op stapel’, zegt Zondo. ‘Maar aanhangers van hem hebben, als een Zuid-Afrikaanse pendant van Trumps maga-beweging, aangekondigd alles op alles te zetten om dat te voorkomen. Er staat veel op het spel en iedereen weet dat als Zuma door de mand valt er veel meer prominente politici zullen volgen.’ Hij draait het volume weer terug en neemt de afslag naar het vliegveld.

‘We zijn er nog lang niet’, zegt Mohau. ‘De terechte verwijten aan het adres van het anc staan in de weg. Zolang het anc blijft doorgaan met corruptie en weg komt met alles, blijven we steken in dezelfde groef. Toch denk ik dat zo’n tour met Lamentations of Judas helpt. Al is het alleen maar omdat de mensen door erover te praten gaan beseffen dat ze met z’n allen hebben gestemd, en kennelijk blijven stemmen, op een partij die niet goed is voor henzelf en voor het land. Dat ze daar ook een eigen verantwoordelijkheid hebben.’

Hij parkeert de auto tussen de taxi’s en Ubers bij de vertrekhal. ‘Zondo is mijn held’, zegt Mohau. ‘Ik hoop dat hij het volhoudt. Maar dat het hun niet lukt om Zuma voor de commissie te krijgen, zegt al genoeg. Het anc is een soort dynastie. Het hangt aan elkaar van politieke en financiële belangen. Carrièrepolitici die bij elkaar gehouden worden door machtshonger en geld. Ondanks de goede bedoelingen van Ramaphosa.’ We stappen uit. Hij helpt me met mijn koffer. ‘Weet je wat het extra ingewikkeld maakt? Het anc komt nog steeds met veel weg omdat ze ons ooit bevrijd hebben van apartheid.’ Hij slaat het kofferdeksel dicht. ‘Waar natuurlijk geen woord van gelogen is.’


Lamentations of Judas is deze maand te zien in De Groene Filmclub. Dit stuk kwam tot stand met steun van Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten, fondsbjp.nl. De rondreis werd mede mogelijk door de EO en het Nederlands Filmfonds