Eigentijdse politieke fictie

Er is een grote kans dat de meeste naties van de eurozone nog jaren van de crisis te lijden zullen hebben, terwijl een paar zich er intussen aan hebben ontworsteld. Dat is vorige week door Eurostat, het statistisch bureau van de Europese Unie, bekendgemaakt. In Duitsland is het afgelopen jaar de economische groei verdubbeld. Groot-Brittannië doet het ook redelijk.

In Nederland zijn we met 1,3 procent gekrompen. Maar dat is gering vergeleken met de deplorabele staat waarin Italië, Turkije, Portugal en vooral Griekenland zich bevinden. In zijn geheel is de omvang van de economie in de EU nog drie procent kleiner dan voor het begin van de crisis. En het tempo van het herstel ligt lager dan dat na de grote crisis van de jaren dertig.

De neergang in verreweg het grootste deel van Europa duurt nu een jaar of zes. Het levenspeil van de massa is achteruit gegaan, de werkloosheid toegenomen, de crisis heeft zich aan het straatbeeld meegedeeld, winkels zijn gesloten, er komen geen nieuwe voor in de plaats. Het publiek is langzamerhand diep van de gestage achteruitgang doordrongen. Onder deze omstandigheden is het de klassieke vraag wat de politiek doet. Het antwoord daarop onthult een ander aspect van de crisis.

Met grote regelmaat komen ministers, partijleiders, economen op de televisie, laten zich interviewen, verschijnen in praatprogramma’s. Waarschijnlijk zullen wat dit aangaat nooit eerder in de vaderlandse geschiedenis de politieke leiders zo frequent en zo dicht bij het volk zijn geweest. En wat is het resultaat? Een groeiende afkeer van de politiek. Die heeft twee oorzaken. Nog altijd wordt in Den Haag een speciaal soort Nederlands gesproken dat zich kenmerkt door een afkeer van directheid. De uitzonderingen zijn de PVV’ers die zich hebben gespecialiseerd in wisecracks. De andere oorzaak is dat ‘de’ politiek in het openbaar een deskundigheid demonstreert waarvan de laatste jaren is gebleken dat ze die in de praktijk niet heeft.

Toen het economisch goed ging, kon Den Haag zich deze vorm van isolement veroorloven. Maar zes jaren crisis hebben een cumulatieve werking. In deze periode is ‘de’ politiek gestaag in aanzien gedaald. Wordt nu door een politicus, van welke partij dan ook, een blunder begaan, of wordt hij of zij daar zelfs maar van verdacht, dan verheft zich de stem des volks. Zakkenvuller! Plucheklever! Als een meerderheid van de kiezers er zo over denkt (ook zonder te gaan schelden) beleven we een diepe politieke crisis.

De broeiende woede bij onze eigen buren komt niet op tv

Bij het voortduren van de economische neergang wordt de kans groter dat die crisis een keer tot uitbarsting komt. Het is wel meer gebeurd dat door een relatief geringe aanleiding de mensen massaal de straat op gingen. Opnieuw zijn er de omstandigheden die daartoe kunnen leiden. Wat voor vorm zou zo’n spontane volksbeweging (of opstand) kunnen krijgen, met welke argumenten, onder welk leiderschap? Maak een mogelijke toekomst zichtbaar.

Mij verbaast het dat in een cultuur van visueel drama de actuele toestanden, niet alleen in de politiek, maar ook in de openbare orde en het bedrijfsleven, vrijwel buiten schot blijven. Vaak zie ik op de televisie flitsen van primitieve woestelingen in een gevecht op leven en dood, of een erudiete presentator die door verre landen wandelt en vloeiend de vreemde taal spreekt. De broeiende woede bij de eigen buren blijft buiten beschouwing. Het is dan ook moeilijk een drama te verzinnen waarin op een geloofwaardige manier het hele land wordt ontwricht terwijl nog altijd het dagelijks leven gewoon verder gaat.

Waaraan zouden we bij zo’n film over de aanzet tot een revolutie moeten denken? Het is mogelijk dat bij een volgende vordering van de crisis de vakbeweging tot het inzicht komt dat de grens bereikt is en tot demonstraties besluit. Op het Museumplein, het Malieveld, de Coolsingel verzamelen zich honderdduizenden mensen met spandoeken, enzovoort, en roepen Weg met! Ze gaan naar huis en kijken ’s avonds op de televisie naar zichzelf. Dat hebben we eerder gezien. Het is niet voldoende.

Let op: dit is allemaal fictie. Een groepje jongeren van tussen de 25 en 35 vergadert regelmatig om elkaar te verzekeren dat ze er genoeg van hebben. Bij de volgende economische achteruitgang komen ze tot de conclusie dat de maat vol is. Om dat aan het volk te bewijzen zullen ze om te beginnen het ministerie van Economische Zaken bezetten en zich meester maken van een televisiestudio om het volk op de hoogte te houden van hun vorderingen en plannen. Bij de acties verliest een van de bezetters het leven. Daarop barst de algemene volkswoede los. En wat daarop volgt laat ik aan de verbeeldingskracht van de scenarioschrijver over.

Het is allemaal fictie. Maar is het geloofwaardig? Volgens mij is het in ieder geval een groter wordend gat in de markt.