Ger Groot

Eiland

Ruim zes jaar terug schreef de Vlaamse filosoof en Spinoza-kenner Herman De Dijn een lucide beschouwing over De toekomst van het filosofisch onderzoek in Nederland. Die laatste formulering was een beetje vreemd, want, zo verzuchtte zijn Nederlandse collega Theo de Boer ooit: «Ik zou niet weten wat het gebied is dat de filosofie onderzoekt.» De term kwam in de jaren tachtig in zwang, toen de hele universiteit de organisatievorm van de bètafaculteiten opgedrongen kreeg en sommige filosofen daarin de belofte zagen van een heuse wetenschappelijke status.

De Dijn valt die term echter niet kwalijk te nemen. Hij kreeg haar aangereikt van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, die hem om zijn essay had verzocht. En zijn openingszin maakt alles meteen weer goed: «Filosofie is geen (gewone) wetenschap.» Levensbedreigend voor haar – aldus De Dijn – is de snel groeiende publish-or-perish-cultuur, de exclusieve aandacht voor een internationalisering die de landstaal veracht, en een academisering die de ogen sluit voor het publieke debat. Al die dingen, kortom, die wezenlijk zijn voor de natuurwetenschappen.

De Dijn was niet de enige die door de KNAW werd aangezocht. Ook logicus Johan van Benthem en filosofiehistoricus John North leverden een bijdrage, op grond waarvan de Akademie eind 2003 het rapport Wegen in de wijsbegeerte publiceerde (www.knaw.nl/publicaties/pdf/20031101.pdf). Opmerkelijk genoeg deed het precies de aanbevelingen waarvoor De Dijn gewaarschuwd had, waarna de Akademie alsnog de hoop uitsprak op «een interessante discussie in het vakgebied».

Die is er niet gekomen en dat lag waarschijnlijk aan de schamele en halfslachtige kwaliteit van het advies zelf. Zo wordt het althans gekarakteriseerd in het jongste nummer van het tijdschrift Krisis, dat de gedachtewisseling alsnog op gang wil brengen. De voorstellen van het rapport weerspiegelen immers naadloos het beleid waarmee de filosofie aan de Nederlandse universiteiten op sluipende wijze in een wetenschappelijk keurslijf gedwongen wordt. Hoe vanzelfsprekend dat voor een academische discipline ook moge lijken, in werkelijkheid dicteert de organisatievorm daarmee de inhoud van het vak. Wie slechts aan het internationale «toponderzoek» waarde hecht, sluit de vragen uit die voortkomen uit de plaatselijke cultuur, traditie en discussie. Wie daartoe Engels talige publicaties eist, kiest ondershands voor het soort filosofie dat tot dat soort tijdschriften toegang krijgt. En wie dat alles tot criterium van het vak maakt, zal dat zien slinken tot die stijlen en gebieden van onderzoek die zich lenen voor peer- reviewed artikelen en citatie-indexen.

Het resultaat is een soepel functionerende wetenschappelijke machinerie waarin de academische filosofie een priesterlijke aangelegenheid wordt, zorgvuldig afgeschermd van maatschappelijke bezoedeling. Hoogst tevreden met zichzelf laat zij zich daarbij echter «de kaas van het brood eten door de media, politieke partijen, en andere gremia», zo schrijft Maarten Doorman in Krisis. Zo wereldvreemd als dit «toponderzoek» inmiddels veelal geworden is, zo levendig en bloeiend is de wijs begeerte intussen buiten de muren van de universiteit.

Dat dit laatste door het KNAW-rapport met de mond wordt toegejuicht maar in de geest veracht, is niet minder dan een schande – zo schrijft René Boomkens aan het slot van zijn steeds woedender wordende bijdrage. De onderlinge voeling van universiteit en samenleving behoedt beide voor loos gebabbel: de één van de borrelpraat, de ander van het academisme. Kijkt de publieke filosofie echter nog altijd verwachtingsvol naar de universiteiten, deze kijken op hun beurt zo hardnekkig wég van het brede publiek dat zelfs het onderwijs – de eerste ontmoetingsplek daarmee – er intussen wat schlemielig bij hangt.

Ooit zal de wal het schip wel keren, maar intellectuele modes zijn hardnekkig. Het academisch eiland van de wijsbegeerte is hecht gesloten, rotsvast van zichzelf overtuigd en – wat het ergste is – het voorziet volkomen in zijn eigen behoeften. Het verheugt zich, naar goede Angelsaksische gewoonte, in zijn splendid isolation en beklaagt van daaruit minzaam de wereld, die kalm aan haar voorbij leeft.