Eiland

Ik breng een paar dagen door op een eiland waar ik eerder was. En altijd wil ik er blijven. Met een beetje oefening, denk ik terwijl ik langs de vuurtoren fiets, zou dat best kunnen.

Toen ik aankwam hoorde ik de kapitein van de veerboot ‘wel thuis’ zeggen, tegen een ouder echtpaar dat van de wal was teruggekeerd. Ze knikten even naar hem en het was duidelijk dat ze zich verwant voelden, te midden van de stroom toeristen. Die vanzelfsprekende saamhorigheid, daar was ik direct jaloers op. Ik parkeer mijn fiets bij een strandopgang en loop in de richting van de zee, een flinterdun lijntje in de verte. Het is misschien een kilometer of twee tot aan het water. Ik zou hier elke dag kunnen gaan lopen, denk ik. Helemaal tot de rand, zonder verlangen de zee over te steken. Als er een schip langs vaart zou ik zwaaien. Ik zou voortaan zwijgzaam zijn en vis fileren.Terwijl ik over het zand loop lijkt het landschap zich alleen maar verder uit te strekken. De hemel wordt hoger en leger. De zee is ineens niet meer te zien. Mijn ogen vinden zo weinig houvast dat ik bijna duizelig word. Ik draai rond om me te oriënteren en ontdek een streepje. Dat moet de vuurtoren zijn, daar kom ik dus vandaan. Verderop ligt iets in het zand, een donkere veeg. Het lijkt wrakhout, een stuk van een balk misschien. Pas als ik een meter of vijftien van het ding af sta zie ik dat het een jonge zeehond is. Hij verroert zich niet. Zijn kop ligt half begraven in het zand. Als ik dichterbij kom zie ik dat hij al een tijdje dood moet zijn. Zijn staartvinnen liggen op een ontroerende manier over elkaar heen geslagen. Ik moet aan gevouwen handen denken. Er zitten hier en daar gaten in zijn vel. Meeuwen, zo te zien. Het zand om hem heen is bezaaid met hun pootafdrukken. Ik blijf even bij hem zitten. Het landschap van water en lucht lijkt al minder duizelingwekkend.

Dat is het fijne aan een eiland, denk ik. Dat het krimpt tot het je past.