Stilletjes is het Einde uit de hedendaagse romanliteratuur weggeslopen. Geen schrijver waagt het nog zijn boek af te sluiten met de kloeke kapitalen die aankondigen dat de pret nu werkelijk uit is. Het verhaal zelf, de toon, de woordkeus, het ritme moeten het werk doen. Met een paukeslag of langzaam wegsterven is het ‘Einde’ zelf literatuur geworden: beantwoordend aan de ijzeren wet dat een roman nooit datgene expliciet mag zeggen wat hij impliciet suggereren kan.
Alleen de plaats- en dagtekening (‘Amsterdam, zondag 18 mei 1947’; ‘Voorburg, mei 1952/Groningen, juli 1958’) mochten het vertelde nog afsluiten, maar ook zij deden dat eerder als een besmuikte signatuur dan als een formele proclamatie. Al het uitwendige moest uit de literatuur worden geweerd, als de zichtbare bevestiging van de artistieke autonomie.
Het verdwijnen van het einde vormde de afsluiting van een proces dat ooit voor in het boek begonnen was. Wie de begintijd van de romanliteratuur opzoekt, ziet niet alleen hoe het slot van het verhaal omstandig wordt afgekondigd, maar ook hoe de aanvang ervan nog veel omstandiger wordt aangekondigd. De lezer van Don Quichot moet zich eerst door een aanbevelingsbrief, een voorwoord en een tiental gedichten heen werken, voordat het verhaal begint. En ook dat doet het op de meest inleidende wijze: ‘In een plaatsje in La Mancha, waarvan de naam mij niet te binnen wil schieten, leefde niet lang geleden zo’n edelman met een lans…’
De hedendaagse roman begint daarentegen meestal net zo onceremonieel en bruusk als hij eindigt. Niet met een voorzichtige onvoltooid verleden tijd, de toonaard van de chronologische vertelling, maar met een plusquamperfectum dat de lezer direct in het midden van het verhaal gooit en duidelijk maakt dat er al van alles gebeurd is. De moderne lezer is aan het begin van de roman eigenlijk altijd al te laat. Haastig wordt hij de vertelling in geloodst, zonder poespas want de auteur is al begonnen. Het begin moet hij zélf reconstrueren, zonder hulp van de ooit zo dienstvaardige schrijver die inmiddels een literaire hogepriester is geworden.
Zo is de deemstering van het literaire Einde de laatste fase van het slopen van de romaneske lijst – in dezelfde tijd als die waarin ook schilderijen hun lijst verloren. Net als het beeld moest in de klassieke roman het woord omkaderd worden, opdat de lezers- of kijkersblik zich kon oriënteren en zich desnoods van enige nazorg verzekerd wist. Het kader was de barrière die de kunst scheidde van de werkelijkheid, de afgesloten vorm van de stroom van het leven. Hoognodig werd het in de literatuur vooral in de negentiende eeuw, toen de roman veelal uit diezelfde vormeloze stroom ontstond: als feuilleton in wat toen nog veelzeggend een courant genoemd werd.
Waar de stroom zo sterk is, zijn dammen onmisbaar en moet het einde duidelijk worden gemarkeerd. Zij waarschuwen de lezer dat hij in het volgende nummer géén nieuw hoofdstuk meer te verwachten heeft, geen nieuwe beschouwing in wat bijna een eindeloze vloeiing van gedachten was gaan lijken. Het verhaal is uit en op de gedachten is zich bijna onmerkbaar iets sleets gaan aftekenen. Dan is het tijd voor een rigoureuze ingreep – want van voortkabbelende stukjes waarin de originaliteit al lang tot onzichtbaarheid verdund is, zijn de couranten toch al tot overstromens toe gezwollen.
Zo staart de lezer na het vernemen van die laatste afkondiging misschien wat mismoedig voor zich uit. Dat hoopt althans de schrijver, die van zijn kant niet minder ongemakkelijk probeert te wennen aan wat nu al een licht heimwee lijkt. Het romanfeuilleton vraagt het afscheid van de helden met wie hij dagelijks of wekelijks heeft meegeleefd. De beschouwing moet het, wat abstracter, doen met het afscheid van een toon, een zienswijze, of een gedrevenheid.
Alles wat aan woorden maar gedrukt was, vormde het onderwerp van de columns die op deze plek de afgelopen jaren verschenen zijn. Daar is geen grens aan, in de breedte noch in de diepte, noch in lengte van jaren. Geschreven wordt er eindeloos, over alles wat maar denkbaar is – en ook dáárover kan weer eindeloos worden geschreven.
Maar de beschouwing moet haar maat kennen. Misschien is haar frisheid onder al die overdaad gaandeweg verdoft, haar oorspronkelijkheid vermoeid geraakt. En herinnert zij zich dat zij zich ooit had voorgenomen streng te zijn voor zichzelf – en bij zelfs de lichtste twijfel haar plaats te kennen. Weemoedig en misschien ook wel een beetje opgelucht legt ze zich neer bij haar
EINDE

Dit is de laatste column van Ger Groot
die op deze plaats verschijnt