Economie

Einde

Er lijkt geen einde te komen aan de reeks van hele en halve ongelukken. Tussen de ondergang van Lehman Brothers in september 2008 en de van-de-regen-in-de-drup-redding van Cyprus is er een aaneenschakeling van omvallende banken, failliete landen, naar huis gestuurde regeringen en slechte cijfers over economische groei en werkgelegenheid. De reeks is nog niet ten einde.

Het is een vaak gebezigd cliché: verandering gaat sneller dan voorheen. Een cliché, maar daarom nog niet waar. Daarbij schiet me het leven van mijn grootmoeder, geboren in 1899, te binnen. Zij is geconfronteerd geweest met twee wereldoorlogen, een grote depressie, de holocaust en de introductie van koelkast en televisie. Mijn tijd lijkt daarbij rustig af te steken, met het EK ’88 en de val van de Muur. De voorlopers van de Europese Unie wisten de eeuwige conflicten op het oude continent naar de vergetelheid te drukken en de wederopbouw in Europa mondde uit in een gedeeld vooruitgangsoptimisme, waarin we de toekomst in eigen hand hebben. De verzorgingsstaat bood bescherming tegen armoede en pech en reële mogelijkheden voor beter onderwijs. Zo kon mijn grootmoeder haar zoon een goede opleiding laten volgen, en zo kon haar zoon mij laten studeren.

De autoloze zondag, Tsjernobyl, de euro: het waren rimpelingen in een rustige tijd die het optimisme niet wezenlijk aantastten. Pim Fortuyn verwoordde het chagrijn in de samenleving, maar de economische basis was stabiel. Het vooruitzicht van economische groei en werkgelegenheid bleef. Najaar 2008 was een keerpunt. Maar toen een deel van de financiële sector implodeerde en een grote depressie zich aankondigde, bestond nog steeds het idee dat het een rimpeling zou blijken en de rust zou weerkeren. In 2009 kreeg de economie een opdoffer, maar was de koopkracht hoger dan ooit en bleef de werkloosheid laag. Beschouwingen over een ‘double dip’ leken ietwat theoretisch, zeker toen in 2010 de economie weer aantrok. Ewald Engelen kon zichzelf nog een ramptoerist noemen. Waarom ook niet? De economische tegenslagen in Nederland leken in het niet te zinken bij de rampen elders in Europa.

Maar inmiddels stijgt het aantal slachtoffers in Nederland: de werkloosheid loopt op, veel huishoudens hebben een restschuld, pensioenen zijn gekort, de koopkracht wordt minder en toch spaart de consument meer, en ook SNS is in staatshanden beland. Het vooruitgangsoptimisme is moeilijk vol te houden. Dat komt vooral door het onvermogen om met een doortastende reactie te komen. In Europa lijkt de weifelende besluitvorming ongelukken eerder te veroorzaken of verergeren dan te voorkomen. Als de rente Italië en Spanje boven het hoofd dreigt te groeien, weet Mario Draghi het tij voorlopig te keren. De noodzakelijke ingrepen blijven echter achterwege. Zo krijgt Mario Monti geen steun van de Italiaanse kiezer en stuit de bankenunie op weerstand in Duitsland, aangemoedigd door het Cypriotische sjabloon van Jeroen Dijsselbloem.

In Nederland lijkt de politiek elk probleem te herleiden tot één oplossing: het huishoudboekje van de overheid op orde brengen. Elke andere afspraak is zo bestendig als voorjaarsweer. Ouderwetse bonje in de coalitie, geen steun van de oppositie, een akkoord tussen sociale partners – het kan zomaar een streep door een afspraak zetten. De politieke tombola maakt de frase ‘sterker uit de crisis komen’ niet geloofwaardiger. Het optimisme van Mark Rutte wordt met cynisme ontvangen.

Het onvermogen om te reageren is uniek voor de Europese en Haagse politiek. Ook anderen klampen zich vast aan het wrakhout van het verleden. Banken zijn muisstil over hoe ze het vertrouwen van klanten en samenleving willen terugwinnen, pensioenfondsen zijn doof voor de roep om meer individuele zeggenschap, de vakbeweging hangt van Ton Heerts aan elkaar, de woningbouwcorporaties zijn vertrouwen, geld en zeggenschap kwijt geraakt, et cetera. Ze lijken te hopen dat de rust zal wederkeren en de toekomst in het verlengde van het verleden ligt. Maar structurele problemen zijn lange tijd toegedekt door groei, en nu zijn ze door de grote depressie in onze tijd onverbiddelijk blootgelegd.

De conclusie is dat veel organisaties weliswaar zeggen sterker uit de crisis te komen, maar dat ze na bijna vijf jaar nog steeds geen betere reactie hebben dan wachten tot de crisis ten einde is. Maar dat einde is nog niet in zicht, juist omdat een deel van de Nederlandse samenleving en economie verstard is, als konijnen in de koplampen van een auto.

Dit heeft mij tot een rampcolumnist gemaakt, met verbazing of ergernis over de reeks van hele missers, halfhartige besluiten en vooral lang getreuzel. Daaraan komt een einde, want dit is mijn laatste column. Ik dank de lezers, die zich met of over mij verbaasd hebben of met of aan mij geërgerd. Aan de reeks van hele en halve ongelukken komt nog geen einde. Dat blijft voer voor columnisten.