Opheffer

Einde

‘Vind je het erg dat ik niet van je hou?’

‘Hou je niet van me?’

‘Ik hou wel van je, maar niet zoals jij dat wil… Dat weet je.’

‘Ik hou wel van jou.’

‘Maar ik niet van jou… Ik vind het heerlijk om met je naar bed te gaan, maar ik hou niet van je.’

‘Van wie hou je dan?’

‘Van niemand.’

‘Dat geloof ik niet.’

‘Ik hou van niemand.’

‘Dan hou je ook niet van jezelf.’

‘Wat is dat nou voor onzin.’

‘Wie van niemand houdt, houdt ook niet van zichzelf.’

‘Onzin. Ik hou van mezelf, maar ik hou verder van niemand. Ik geloof niet in houden van. Dat is onzin. Ik geloof in ongeluk, pijn, perversiteit, in genot. Maar niet in houden van. Ik weet niet wat het betekent.’

‘We lijken wel pubers.’

‘Maar we zijn bijna bejaard.’

‘Pubers zijn ook bejaard.’

‘Toen ik puber was, hield ik wel heel erg van iemand… Maar nu niet.’

‘Je houdt niet van mij. Dat zeg je keer op keer. Waarom zeg je dat toch?’

‘Omdat ik bang ben dat jij denkt dat ik van je hou… En ik hou dus niet van je.’

‘Zeg je het weer. Waarom? Je weet dat je me ermee kwetst.’

‘Ik kwets je door niet van je te houden, ik zou je nog meer kwetsen door erover te liegen.’

‘Ik moet met zoveel leugens leven… Ik lieg tegenover iedereen, tegenover mijn man, tegenover jou… Maar ik lieg niet dat ik van je hou… Ik weet ook niet wat het is, maar ik hou van je. Ik kan niet zonder je, ik wil steeds bij je zijn, altijd, elk uur van de dag. Maar dat wil jij niet.’

‘Misschien wil ik dat wel, maar ik vind dat geen bewijs van liefde. Eerder is dat een bewijs van onbezonnen romantiek. We kunnen niet altijd bij elkaar zijn, jij bent getrouwd, weet je wel. We zijn gedwongen, door onze eigen burgerlijke norm, om alles in het geheim te doen. Maar als we de consequentie zouden trekken van ons beider gevoel, zouden we afstevenen op onze ondergang. Want jij houdt ook niet echt van mij.’

‘Wel… Maar jij houdt niet van mij.’

‘Dat klopt.’

‘En toch doen we het met elkaar.’

‘Ja.’

‘Waarom delen we onze intimiteit met elkaar, als we niet van elkaar houden.’

‘Omdat we eenzaam zijn, denk ik. Ik ben eenzaam. Jij lost mijn eenzaamheid op. Jij bent ook eenzaam. In je huwelijk. Ik laat je vrouw zijn, en jij mij man. We heffen elkaars eenzaamheid op. We geven elkaar kortstondig geluk, dat groter wordt als we tegen elkaar liegen dat we van elkaar houden. Maar af en toe moet een van ons zeggen dat hij niet van de ander houdt, anders worden daar consequenties aan verbonden… Dan ga je scheiden van je man, dan kom je bij mij wonen, dan kom je hier eenzaam zijn.’

‘Zit ik nu in een film van je?’

‘Ja…’

‘Wanneer staat er Einde?’

‘Als ik van jou ga houden.’

‘Ik weet nu eigenlijk niet of ik hier niet net zo eenzaam ben als thuis.’

‘Ik denk het wel.’

Milo is op vakantie