Essay: De Eerste Wereldoorlog

Einde aan de onschuld

De Eerste Wereldoorlog schudde aan de fundamenten waarop het zelfbeeld van de Europese mens was gebaseerd. Het oude Europa kwam aan zijn eind, de nieuwe tijd trad met tomeloze gewelddadigheid naar voren.

Het is niet waar dat in augustus 1914 iedereen in Europa juichend de oorlog omarmde. Op ons netvlies staan de filmbeelden van soldaten die, met bloemen in hun geweren en omringd door vrouwen en meisjes, opmarcheerden naar de treinen die hen naar het front zouden brengen. Maar deze beelden, authentiek dan wel geënsceneerd, dienden een propagandistisch doel. Zij moesten het publiek ervan overtuigen dat de regering een juist besluit had genomen dat door de gehele natie werd gesteund. De oorlog zou worden gewonnen en bovendien kort duren. Voor Kerstmis weer thuis, was de

leuze.

Deelnemen aan zo’n oorlog was geen last, maar een privilege. Dit optimisme was begrijpelijk en noodzakelijk tegelijk. Geen regering begint een oorlog met de mededeling dat de strijd lang zal duren en honderdduizenden burgers het leven gaat kosten en dat de overwinning lang niet zeker is. Toch was er eerder sprake van een gevoel van patriottische plicht en verplichting dan van enthousiasme — gevolg van langdurige indoctrinatie door onderwijs en propaganda. Men ging omdat men had geleerd te moeten gaan. Iedere dienstplichtige of vrijwilliger afzonderlijk zal daarnaast een waaier van particuliere redenen hebben gehad om te gaan.

Voor velen was de oorlog een welkome oplossing voor een nijpend persoonlijk probleem. Een betekenisloos leven kon betekenis worden gegeven door zich aan een grote zaak te wijden. Aan de gesel van werkloosheid kon men ontkomen door dienst te nemen. Ook anderszins bood het leger uitkomst voor financiële of psychologische nood. De oorlog met zijn belofte van avontuur, kameraadschap en heldendom bood de mogelijkheid te ontsnappen aan de geestdodende tredmolen van de industriële samenleving, of aan de doorzeurende pijn van een neerdrukkend gezinsleven.

Anderen konden de druk van vrienden en collega’s niet weerstaan om samen dienst te nemen, samen te trainen, samen te vechten en ten slotte ook samen te sneuvelen. De sociale uitsluiting, die het gevolg was van de weigering het uniform te dragen, was eveneens een belangrijke factor. Veel vrouwen en meisjes eisten van hun echtgenoten en verloofden dat zij zich als helden zouden gedragen en weerhielden hen niet van hun gang naar het front.

Al deze motieven vonden hun uitdrukking in woorden en symbolen van het patriottisch enthousiasme. Verschillen van stand, taal, klasse, religie werden overspoeld door het stromende gevoel van verbroedering. Het had zelfs voor de zo beschaafde en pacifistische Stefan Zweig iets meeslepends en verleidelijks, zoals hij in zijn prachtige autobiografie De wereld van gisteren heeft bekend.

Deze gevoelens en motieven hadden een gemeenschappelijke en tegelijk essentiële voedingsbodem. Geen van de soldaten die naar het front trokken, geen van de vrouwen die hen daartoe aanspoorden, had ook maar enig idee hoe de oorlog zou zijn. Het is deze absolute onwetendheid over de gruwelen van de moderne oorlog die het mogelijk maakte dat honderdduizenden in augustus 1914 huis en haard verlieten. Men droomde van een oorlog die in een open en eerlijk gevecht, man tegen man, beslist zou worden. Men werd vermorzeld in de eerste industriële oorlog. De vooruitgang — miljoenen soldaten, massaproductie van wapens die trefzekerder en dodelijker waren geworden en verder konden reiken, de spoorwegen — had de aanblik van de oorlog veranderd.

De oorlog was een gemechaniseerd moordproces geworden, iedereen sprak over de «gehaktmachine» als het over het westelijk front ging. Meer dan driekwart van de soldaten kwam om door artillerievuur, de dood op afstand. De rest door kogels uit (machine)geweren of door gas. Veel minder dan een procent sneuvelde in een man-tegen-mangevecht. Het is bittere ironie dat al die duizenden die via de oorlog aan de sleur van de industriële samenleving wilden ontsnappen, op industriële wijze werden gedood.

In deze zin vertegenwoordigen de beelden van de lachende soldaten veel minder de geest van augustus 1914 dan het gedicht 1914 van Philip Larkin. Daarin beschrijft hij de lange rijen Londenaren, hun bolhoeden glimmend in de zon, die geduldig wachten om zich als vrijwilliger te kunnen opgeven, alsof het ging om een voetbalwedstrijd of een zomers uitje.

Those long uneven lines

Standing as patiently

As if they were stretched outside

The Oval or Villa Park,

The crowns of hats, the sun

On moustached archaic faces

Grinning as if it were all

An August Holiday lark.

Never before or since,

As changed itself to past

Without a word — the men

Leaving the gardens tidy,

The thousands of marriages

Lasting a little while longer:

Never such innocence again.

De Eerste Wereldoorlog heeft aan de onschuld van de Europese mens definitief een eind gemaakt. De moderne mens weet inmiddels dat alle leuzen van alle partijen achterdochtig bejegend moeten worden. Hij weet dat aan alle idealen een smerige achterkant zit en dat het spie gelbeeld van de mens een grijnzende doodskop is.

Op 4 augustus 1914 voorzag de literaire criticus Henry James hoe de beschaving zich in een afgrond van bloed en duisternis zou storten, hoe de gedachte van langzame, gestage vooruitgang op het slagveld zou worden vernietigd. «Het is te tragisch voor woorden.» Het beschavingsideaal dat James ten onder zag gaan was de overtuiging dat democratie en rechtsstaat onstuitbaar zouden zijn.

Het waren niet alleen deze idealen die hun maagdelijkheid verloren. Ook de idealen van Duitse jongelui die tegen de smerigheid van de kapitalistische industrialisatie hun romantische ideaal van puurheid en patriottisme stelden, werden in de modder gesmoord. Peter Kollwitz sneuvelde op 23 oktober 1914. Hij was nog maar een week aan het front, als vrijwilliger had hij geen militaire training genoten. Zijn moeder maakte jaren later het hartverscheurend droevige beeld Het treurend ouderpaar, dat nu op de Duitse begraafplaats in Vladslo staat. Geknield voor de graven van twintigduizend soldaten vragen beide ouders vergiffenis omdat zij de oorlog niet hebben kunnen verhinderen.

Rudyard Kipling, auteur van Jungle Book en van heel veel jingoïstische propaganda, verloor zijn enige zoon John in de slag bij Loos in september 1915, toen de Britten op hoog bevel de gascilinders bij windstil weer moesten opendraaiden, zodat het gas de eigen soldaten en niet de Duitsers verstikte. Kipling maakte zich na de oorlog de tolk van al die honderdduizenden gesneuvelden: «If anyone askes why we died, it is because our fathers lied.»

De Eerste Wereldoorlog was werkelijk een scharnierpunt in de geschiedenis, misschien wel meer dan de Tweede die voor velen als een vervolg op de Eerste wordt beschouwd. Het oude Europa kwam aan zijn eind, de nieuwe tijd trad met tomeloze gewelddadigheid naar voren. De Ottomaanse, Habsburgse, Russische en Duitse rijken verpulverden. In plaats daarvan kwamen nieuwe staten die doorgaans door giftig nationalisme werden gedomineerd.

De totalitaire ideologieën — fascisme, communisme (zonder de Eerste Wereldoorlog geen Russische Revolutie en geen Sovjet-Unie) en nazisme — drongen de West-Europese democratieën, die ook intern onder zware druk stonden, sterk in het defensief. De door de Europese mogendheden gedomineerde wereld naderde zijn einde. De Verenigde Staten vertoonden zich voor het eerst op het wereldtoneel om de uitgemergelde West-Europese democratieën van de ondergang te redden. Intern veranderden de maatschappelijke verhoudingen eveneens. De arbeidersklasse werd genationaliseerd. De vrouwenemancipatie werd geaccepteerd, niet uit overtuiging, maar uit noodzaak. Wie moest anders de granaten produceren als de mannen aan het front waren?

De Eerste Wereldoorlog was ook anderszins van grote invloed. De oorlog schudde aan de fundamenten waarop het zelfbeeld van de Europese mens was gebaseerd. Renaissance, humanisme en Verlichting droegen in zich de stille belofte dat de mens gaandeweg zijn eigen lot zou kunnen bestemmen, dat hij de krachten die zijn leven beheersten kon temmen, dat hij in vrijheid de richting van de geschiedenis kon meebepalen, dat wetenschap en technologie dienaren van zijn welzijn en niet de instrumenten van zijn ondergang zouden zijn, dat hij zichzelf en zijn medemensen niet hoefde te vrezen maar in redelijkheid tegemoet kon treden.

Wat zich in de Eerste Wereldoorlog manifesteerde, was precies het omgekeerde. Individueel en collectief voelde men een tragische machteloosheid. Gedurende de julicrisis die uiteindelijk naar de oorlog in augustus leidde, erkenden de meeste politici dat zij de controle over de gebeurtenissen hadden verloren. H. G. Wells was de tolk van velen: «Every intelligent person in the world knew that disaster was impending and knew no way to avoid it.»

Volgens de Duitse kanselier Bethmann Hollweg waren op 30 juli alle regeringen vredelievend. Maar ze hadden de controle verloren «und der Stein war ins Rollen geraten». Keizer Wilhelm wilde op het laatste moment de oorlog tegen Frankrijk verhinderen en slechts tegen Rusland ten strijde trekken. Moltke, zijn opperbevelhebber, zei hem: «Onmogelijk, sire, de treinen rijden al.»

Deze metafoor van de lawine waartegen geen menselijke redelijkheid is opgewassen, wordt door tijdgenoten herhaaldelijk gebruikt. Het is de vraag of dit fatalisme niet een middel is zich van de eigen verantwoordelijkheid voor het uitbreken van de oorlog te ontdoen. Eerder waren internationale crises wel vreedzaam opgelost. Nu mislukte dat, omdat staatslieden steeds op cruciale momenten beslissingen namen die de oorlog dichterbij brachten. Niet omdat hij onvermijdelijk was, maar omdat politici hem onvermijdelijk verklaarden en zich zo van hun verantwoordelijkheid voor het vermijden ervan ontdeden.

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, met als aanleiding een foutje van een chauffeur in Sarajevo, waardoor Gavrilo Princip bij toeval de Habsburgse troonopvolger kon vermoorden, toont hoe beperkt de mogelijkheden van de mens zijn om zijn lot te bepalen. De gruwelen van de Eerste Wereldoorlog tonen hoe essentieel het is dat mensen zich niet van hun verantwoordelijkheid ontdoen om van die beperkte mogelijkheden toch in redelijkheid gebruik te maken.

Naarmate de oorlog voortduurde, voelde men zich steeds meer deel van een zelfvernietigend geheel dat men zelf had gecreëerd maar waarover men elke controle had verloren en waaraan men zich niet kon onttrekken.

Een van de meest lugubere evocaties van de strijd aan het westelijk front is Tender Is the Night van de Amerikaanse schrijver Scott Fitzgerald. Hij beschrijft de oorlogvoerende volkeren als voorwereldlijke monsters, «dying in front and pushing forward behind». We zien hoe de achtersten in de mensenkluwen de voorsten in de afgrond van de loopgraven duwen, als een voortgaand proces van vernietiging, zonder doel en zonder eind.

De Derde Slag bij Ieper (1917) — de regen, de modder, de uitputting van de soldaten, de kracht van de Duitse verdedigingslinies — brachten de hoogste generaals ertoe te pleiten voor het afbreken van het offensief. Toch werd het voortgezet. De verdediging daarvan door Sir William Robertson, Chief of the Imperial General Staff, doet nog steeds pijn: «I confess I stick to it, more because I see nothing better, and my instinct prompts me to stick to it, than because of any good argument by which I can support it.»

De Eerste Wereldoorlog was de eerste totale oorlog. Niet langer ging het om een strijd tussen legers, die als kampioenen van de natie het conflict door een beslissende slag konden beslechten. De legers waren daarvoor te groot geworden. Hun wapens konden de vijand niet in een keer uitschakelen. De samenlevingen waren zo goed georganiseerd dat telkens nieuwe soldaten naar het front konden worden gestuurd om de plaatsen van de gesneuvelden op te vullen. De industrie was zo sterk dat deze immense legers van steeds meer oorlogstuig konden worden voorzien. De oorlog kon slechts worden gewonnen door de vijandelijke samenleving als zodanig te vernietigen. Door uithongering, zoals de geallieerden met hun blokkadepolitiek en de Duitsers met hun onbeperkte U-bootoorlog probeerden, of door ervoor te zorgen dat de vijandelijke samenleving niet meer over soldaten zou kunnen beschikken. Dat is de kern van de uitputtingsoorlog. Slagen worden niet gevoerd om de vijand te verslaan, maar om de vijand letterlijk te laten doodbloeden. Jazeker, dat betekende dat ook jijzelf duizenden manschappen moest opofferen.

Een Britse generaal leverde het rekenkundige model van de uitputtingsoorlog: stel dat wij 3,2 miljoen soldaten ter beschikking hebben en de vijand 2,5 miljoen. Stel vervolgens dat wij in opeenvolgende jaren er steeds zeshonderdduizend verliezen en zij een half miljoen. Na vijf jaar hebben we de oorlog gewonnen. Ondanks ons verlies van drie miljoen soldaten hebben wij er nog tweehonderdduizend over, de vijand niets meer.

Alle Europese samenlevingen kreunden onder de last van de uitputtingsoorlog. Opmerkelijk is dat de meest democratische, liberale en ontwikkelde het langst stand hielden. De meest autoritaire en minst ontwikkelde regimes bezweken het eerst onder de druk.

Dit dwingt ons naar de grimmige achterkant van onze eigen samenlevingen te kijken. Ook democratieën hebben zich tot moordende machines ontwikkeld. Wie beheerst dat vermogen? Kan dat vermogen ooit afdoende worden beheerst? Hoe misdadig zijn politici die, door te verklaren dat oorlog onvermijdelijk is geworden, afstand doen van hun verantwoordelijkheid om oorlog te verhinderen?

De belofte van democratie, vrede en vooruitgang, welvaart en welzijn, blijkt wel heel dubbelzinnig te zijn. Het is niet vanzelfsprekend dat al onze menselijke instituties vanzelf tot het goede leiden. Wetenschap en technologie die ons de vooruitgang moeten brengen, zijn ook de instrumenten van vernietiging. Juist de Eerste Wereldoorlog toonde hoe groot de vernietigingskracht is die mensen kunnen ontwikkelen en hoe gering de politieke en sociale mogelijkheden, althans in eerste instantie, zijn om die krachten te beheersen en ten goede aan te wenden. Onze onschuld ten opzichte van de optimistische claims van wetenschap en technologie zou door de Eerste Wereldoorlog verdwenen moeten zijn.

Hoe hebben soldaten zich in deze hel staande kunnen houden?

Siegfried Sassoon, misschien wel de bekendste oorlogsdichter, neemt dienst in augustus 1914; uit een gevoel van verplichting, maar ook om zijn lege bestaan van vossenjacht, golf en cricket inhoud te geven.

Hij begint als een echte happy warrior. Eenmaal aan het front, dat hij in november 1915 bereikt, zinkt de realiteit van de oorlog met al zijn gruwelijkheden echter langzaam in. De dood van zijn broer Hamo en een aantal van zijn vrienden heeft daartoe bijgedragen. De dood van zijn vriend David Thomas op 18 maart 1916 is de werkelijke omslag in zijn houding ten opzichte van de oorlog. Want voor de homoseksuele Sassoon was Thomas niet een vriend maar de vriend, hoewel hij zijn gevoelens voor hem strikt verborgen hield.

Wanneer Sassoon in de eerste lijn wordt geplaatst, trekt hij iedere avond het niemandsland in, «looking for Germans to kill». In zijn dagboek noteert Sassoon op 1 april: «I used to say I couldn’t kill anyone in this war; but since they shot Tommy I would gladly stick a bayonet into a German by daylight.» Op 4 april beschrijft Sassoon zijn bloeddorst: «I want to smash someone’s skull.» En zijn doodsdrift: «And death is the best adventure of all — better than living idleness and sinking into the groove again and trying to be happy. Live is precious to us all now; too precious to keep long.»

Dit zijn gevoelens en motieven waarvan we het bestaan niet graag erkennen. Maar persoonlijke haat, moordlust en doodsverlangen zijn vaak de motoren die soldaten voortdrijven. Sassoon ziet ze met enige verbazing bij zichzelf ontstaan. Wie zich niet kan voorstellen dat beschaafde mensen die van poëzie en opera houden met plezier kunnen moorden, wordt door Sassoon gewezen op die duistere kanten van de condition humaine. Wie deze sinistere kanten in zichzelf ontkent, kent zichzelf niet, en wil zichzelf ook niet kennen.

Het paradoxale is dat Sassoon zijn individuele geweld dadigheid combineert met een steeds sterkere afkeer van de oorlog zelf. Zijn haat tegen de generaals, de politici, de oorlogswinstmakers groeit. Na de Battle of Arras in april 1917, waar hij voor de tweede keer gewond raakt, kan hij deze tegenstrijdige neigingen niet langer verenigen. De gruwelijkheden, die de maanden daarna telkens in hallucinaties terugkeren, brengen hem ertoe publiekelijk te protesteren.

Tijdens zijn genezingsproces komt Sassoon in contact met een kring van pacifisten, waartoe onder anderen Bertrand Russell behoorde. Gesteund door hen formuleert Sassoon dan zijn publieke protest tegen de oorlog in zijn A Soldier’s Declaration: «I am making this statement as an act of willful defiance of military authority, because I believe that the War is deliberately prolonged by those who have the power to end it. (…) On behalf of those who are suffering now, I make this protest against the deception.»

Sassoon hoopt erop dat hij door zijn protest, dat uiteindelijk net zo impulsief is als zijn nachtelijke wraaktochten in het niemandsland, voor een krijgsraad zal worden gebracht zodat zijn protest tegen de oorlog politiek effect zal hebben. De militaire autoriteiten voelen weinig voor zo’n publieke vertoning. Sassoon wordt voor een Medical Board gebracht die behandeling in een psychiatrisch ziekenhuis voorschrijft.

Al gauw moet Sassoon de futiliteit van zijn protest erkennen. Het levert Sassoon niets op, behalve persoonlijke veiligheid, bijna het tegenovergestelde van wat hij wilde. In hospitaal Craiglockhart wordt hij behandeld door dr. Rivers, die snel begrijpt dat Sassoon niet aan war neurosis maar aan anti-war neurosis lijdt.

In Craiglockhart geniet Sassoon grote bewegingsvrijheid. Hij kan golfen, zich weer aan zijn poëzie wijden en literaire vrienden ontvangen of bezoeken. Maar het contrast tussen het aangename en veilige bestaan in Craiglockhart en het lot van zijn collega-soldaten die hij in de steek heeft gelaten, blijft aan Sassoons gemoedsrust knagen. Precies daarop baseert dr. Rivers zijn pogingen Sassoon te bewegen weer naar het front te gaan. Wanneer deze verneemt hoe in september zijn oude bataljon bij de Slag van Polygon Wood bij Ieper vreselijke verliezen lijdt, neemt zijn wroeging ondraaglijk toe. Sassoon besluit terug te gaan.

In november acht een Medical Board hem weer geschikt voor general service en herstelt hem in zijn status van «an officer and a gentleman». In Banishment zoekt hij ten slotte een rechtvaardiging voor zijn protest en voor zijn terugkeer: «Love drove me to rebel./ Love drives me back to grope with them through hell./ And in their tortured eyes I stand forgiven.»

Wanneer Sassoon terugkeert naar zijn regiment, is hij niet langer de patriottische jongeman die ooit onbekommerd ten strijde trok, niet meer de Mad Jack die erop uit was om Duitsers te vermoorden. De futiliteit van zijn protest tegen de oorlog erkent hij, maar zijn afkeer van de oorlog verhardt. Hij kan zich slechts verzoenen met zijn eigen machteloosheid om een einde aan de oorlog te maken door weer het lot te delen van de ergste slachtoffers ervan: de gewone soldaten.

Het is de ultieme paradox. De oorlogsmachine maalt door. Er is geen ontsnappen mogelijk. Geen heldendom, geen triomf, alleen maar dood. De illusie van de redelijke mens die zijn eigen lot kan bestemmen, is wel heel ver achter de horizon verdwenen.

De Eerste Wereldoorlog kostte zo’n negen miljoen soldaten het leven. Maar de levens van vele miljoenen overlevenden waren evenzeer kapot gemaakt, zoals Erich Maria Remarque in Im Westen nichts neues schrijft. Zij zijn de verloren generatie wier wereld en wereldbeeld door de oorlog is vernietigd. Sommigen zochten hun toevlucht in totalitaire ideologieën die hen voorgoed van de last van persoonlijke verantwoordelijkheid beloofden te verlossen en hen tegelijk een nieuwe hemel op aarde in het vooruitzicht stelden. Anderen gaven zich over aan de verheerlijking van politiek geweld dat het antwoord op het falen van de democratie moest verschaffen. Weer anderen verkozen een sociaal isolement van cynisme, zonder hoop en verantwoordelijkheid. Sommigen ook probeerden de scherven van de stukgeslagen Europese beschaving bijeen te vegen, omdat voor persoonlijke autonomie, democratie, tolerantie en humaniteit geen alternatieven bestaan. Maar zij deden dit zonder illusies omdat zij hun onschuld hadden verloren.

Na de Eerste Wereldoorlog kon de moderne mens niet langer hopen een triomfantelijke Prometheus te zijn die denkt het vuur van de beschaving voor de mensheid veilig te kunnen stellen. Hij weet zich op zijn best een zwoegende Sisyphus die gedoemd is te falen, maar voortploetert om het allerergste te voorkomen.

De foto’s bij dit artikel komen uit het boek 1914-18: De Grote Oorlog en de vorming van de 20ste eeuw van Jay Winter en Blaine Baggett, Standaard Uitgeverij Antwerpen / Van Buuren Uitgeverij Weert