Economie

Einde Amerika (1)

Onder de enigmatische titel The Third Mind presenteert het New Yorkse Guggenheim deze maanden een overzicht van de sporen die de ontmoetingen met Azië in de Amerikaanse beeldende kunst hebben achtergelaten. De expositie, vernoemd naar een boek van William Burroughs, onderzoekt langs welke kanalen deze sporen de Verenigde Staten hebben bereikt. Veelzeggend is de temporele positionering van de expositie: ze reikt van 1860 tot 1989, grofweg van James Whistler tot John Cage. Rond dat jaar, aldus curator Alexandra Munroe, kwam een eind aan de persoonsgebonden culturele transmissie die eerdere ontmoetingen kenmerkten. Sindsdien domineert de ongecontroleerde en oncontroleerbare culturele osmose die ‘globalisering’ heet.
Hoewel de catalogus nergens rept van de financiële, economische en ideologische crises die de huidige VS in hun greep houden, is de thematische keuze voor niet-Amerikanen veelzeggend. Niet alleen illustreert het een nostalgische sensibiliteit voor het nakende verscheiden van de natiestaat als culturele container en van de traceerbare rol van het individu bij de ontwikkeling van een nieuw, grensoverschrijdend esthetisch idioom, de keuze voor Azië als bron van culturele vernieuwing laat zich ook lezen als de kroniek van een aangekondigde dood.
Het Amerikaanse imperium kraakt in zijn voegen. De tekorten lopen op, de armoede neemt hand over hand toe, de sociale mobiliteit hapert al langer, het financiële paradijs is een nachtmerrie gebleken, de infrastructuur barst uit alle naden en de grootste kredietverstrekker, China, is op zoek naar een andere reservemunt dan de dollar. Daar komt een gedemoraliseerde bevolking bij, die het vertrouwen in de eigen elite heeft verloren en haar toevlucht zoekt in het snelle genot van fastfood, alcohol en de gokmachine. De tekenen liegen er niet om: obesitas, smakeloosheid en politiek cynisme tieren welig.
Geen plek waar zich dat duidelijker manifesteert dan in Las Vegas. Terwijl de zon de majestueuze bergen van Nevada in een gouden gloed zet en de temperatuur in Las Vegas oploopt, sluit de Amerikaan zich op in de zinsbegoochelende gokruimtes die de onderste verdiepingen van de hotels vullen. Dik, lelijk en gekleed in die amorfe dracht waar iedere Amerikaan een geboorterecht op lijkt te hebben – T-shirt, fleece-jack, jeans en sneakers – zet hij zich dag in, dag uit achter machines van vergetelheid. De hotels zijn gemaakt om hem gevangen te houden in een wereld van eendimensionale impulsen: donker, lichtwerend glas verdringt de buitenwereld, labyrintische gangen voeren telkens terug naar de casinovloer en verlammen de vluchtimpuls, terwijl vloerkleed en wandversiering de blik steeds weer terugleiden naar de gokautomaat. Alles wat kan afleiden van de jacht op vervlietend geluk is uitgebannen: in heel Vegas is geen fatsoenlijke krant te krijgen, wi-fi is in deze miljoenenstad onbekend, een zelfstandige middenstand is er niet. Alles wat de gokker nodig heeft vindt hij op de gokvloer: verlepte serveersters in bunny-kostuum reiken drank, eten, sigaretten, belevenissen en uitjes voor de kinderen aan.
Maar het lelijkste aan Las Vegas zijn de rijen. Op alles moet (lang) worden gewacht: op een taxi, op een maaltijd, op een drankje, op een ticket, op het vliegtuig, op een hotelkamer, op een rekening. Zonder morren schikt de gemiddelde Amerikaan zich naar een systeem dat meer lijkt op het vermaledijde staatssocialisme van voor 1989 dan op het kwikzilveren marktkapitalisme dat ons in Europa zo heeft verblind. Net zo lelijk, net zo massaal, net zo traag, net zo geossificeerd, net zo conformistisch en net zo demotiverend. Niets ‘klant is koning’, eerder ‘slaaf van het systeem’.
Het kan niet anders of donderdag, tijdens de G20, wordt het nakende failliet van de Verenigde Staten aangezegd. Niet in letter, wel in geest. Gegijzeld als de VS zijn door het Aziatische kapitaal zal Obama weinig anders kunnen dan Chinese wensen honoreren. Hoog en eenzaam op dat verlanglijstje staat het aanzwengelen van de Amerikaanse consumptiemachine en dus het injecteren van forse doses kapitaal, ongeacht de gevolgen voor begroting en schuld. Helaas voor Europa hoort financiële regulering daar niet bij, wat ook de laatste schijnbewegingen van Geithner suggereren. Zolang Europa zich blind staart op futiliteiten als belastingparadijzen en hedgefondsen (Duitsland en Frankrijk), zolang Europa het bestaat te pleiten voor een Handvest voor Duurzaam Economisch Handelen (Merkel en Balkenende), zolang Europa de illusie van financieel-economische autarkie koestert (Frankrijk) en zolang Europa zich laat representeren door fluimen als de demissionaire Tsjechische premier Topolanek (EU) is ten minste één ding zeker: het einde van de Amerikaanse eeuw luidt geen Europese Renaissance in.