Einde bondgenootschap?

De Syrische president Bashar Assad is waarschijnlijk het staatshoofd dat momenteel het meest op de westerse televisie verschijnt. Vrijwel iedere week zien we zijn langwerpige hoofd, de uitgestreken glimlach, en dan komen weer de beelden van de gevechten in de Syrische steden, lijken, wanhopige gewonden, de puinhopen.

Gezien de felheid van de opstand heb ik in het begin gedacht dat de strijd niet lang zou kunnen duren en zou eindigen met de onthoofding van de president. Intussen is er een Vrij Syrisch Leger gevormd, er zijn meer dan dertigduizend mensen vermoord, de Verenigde Naties hebben zich ermee bemoeid, vergeefs, en de strijd gaat onverminderd verder. Onze theoretische verontwaardiging wordt groter, de praktische machteloosheid blijft. Die tegenstelling wordt scherper, kan niet altijd duren. Dit betekent dat bij het voortduren van de burgeroorlog de waarschijnlijkheid van een interventie toeneemt.

In The Economist van deze week worden de consequenties getrokken. Gaat het zo door, dan is ingrijpen onvermijdelijk. Als het op dezelfde manier verder gaat, wordt het land onherstelbaar gefragmentariseerd tot een maalstroom van alzijdige haat. Bovendien zal het evenwicht in de regio ernstig worden aangetast, waar Rusland en vooral Iran baat bij zullen hebben. En dan is er het vluchtelingenprobleem. Eén gevolg van de burgeroorlog is: een humanitaire ramp. Dit alles bij elkaar kan de regio niet verdragen. Dus: ingrijpen wordt onvermijdelijk. Maar hoe? Ten eerste moet daarvoor de steun van de Arabische staten worden gewonnen. En daarna moet er volgens het opperbevel van The Economist een _no fly-_zone worden ingesteld waardoor de rebellen de kans zullen krijgen zich te reorganiseren. Ten slotte, na Assad, begint met de hulp uit het Westen de wederopbouw.

Op papier ziet het er goed uit, maar sinds tien jaar terug The Economist de Amerikaanse aanval op Irak hartstochtelijk steunde, ben ik wat wantrouwender jegens de strategen van het weekblad. George W. Bush was toen hun grote leider. Het mislukte avontuur in Irak is voor het Westen een trauma geworden, en zoals het er nu uitziet gaat het met de oorlog in Afghanistan min of meer dezelfde kant op. Het gevechtsterrein in het Midden-Oosten is principieel zo verschillend van alles wat we in het Westen gewend zijn dat we nog altijd geen strategie en tactiek hebben gevonden om daar een oorlog te winnen. Dit heeft na elf jaar kostbare praktijk zijn gevolgen voor onze buitenlandse politiek. Onze publieke opinie heeft een diepe afkeer van dat soort expedities gekregen en onze economieën in crisistijd kunnen de enorme kosten niet meer dragen.

In de vier jaar van zijn presidentschap heeft Obama laten zien dat hij dit heeft begrepen. Hoe de ‘Arabische lente’ zich verder ook zal ontwikkelen, hij heeft de verleiding weerstaan om waar dan ook met landstrijdkrachten in te grijpen en daarmee heeft hij waarschijnlijk voorkomen dat het Westen in de volgende uitzichtloze burgeroorlog verstrikt raakt, wie weet met een militaire missie uit Nederland. Zou Romney president worden, dan is de kans groot dat het anders gaat. Hij is de kandidaat van het heimwee. Een groot deel van het Republikeinse electoraat verlangt naar de tijden waarin Amerika de enige, de onbetwiste supermacht was. Onder Bush jr. is bewezen dat die periode voorbij is. Dat is niet alleen zijn schuld, maar door op de verkeerde manier de verkeerde oorlogen te voeren, heeft hij er wel krachtig toe bijgedragen. Obama heeft deze vergissingen naar vermogen geredresseerd.

Wat zouden de gevolgen kunnen zijn als onder president Romney tot een militaire interventie wordt besloten? De buurlanden van Syrië zouden er direct bij betrokken raken. In het noorden grenst het land aan Turkije. Het Centre for Economics and Foreign Policy heeft deze week een onderzoek naar de publieke opinie in Turkije gepubliceerd. Daaruit blijkt dat 51 procent van de Turken niet bij een oorlog betrokken wil worden; vijftien procent ziet mogelijkheden voor een bemiddelende rol en tien procent is bereid troepen te sturen. Intussen dreigt de burgeroorlog naar een ander buurland, Jordanië, over te slaan. In het derde buurland, Irak, is de toestand nog min of meer chaotisch. Bagdad is geen betrouwbare bondgenoot in geval van een militaire interventie.

Wat zou president Romney doen bij een voortdurende Syrische burgeroorlog? Militair ingrijpen? Landingen van Amerikaanse troepen met steun van de trouwe Navo-bondgenoten? Dat is de inleiding tot de herhaling van de catastrofes in Irak en Afghanistan waarvan we nu na een jaar of tien de eindfasen beleven. We moeten er nog altijd aan wennen: de Arabische wereld beleeft in deze tijd, op weg naar de moderniteit, zijn eigen chaotische revolutie. De ervaring heeft geleerd dat westerse inmenging door machtsontplooiing niet helpt maar tot averechtse resultaten leidt. Kandidaat Romney heeft in het derde tv-debat weer laten blijken dat hij er radicaal anders over denkt. Wordt hij president, dan is het tijd om de voorwaarden waaronder Nederland zijn bondgenootschap met de VS handhaaft principieel te herzien.